De bijbel, Karl Barth en Peter Hallward

Romeinen 13: vorst en rebel

Bijbel

NBG-vertaling 1951, € 12,25

Karl Barth

Der Römerbrief

Uitg. TVZm, 581 blz., € 18,60

Peter Hallward

Badiou: A Subject to Truth

Uitg. University of Minnesota, 467 blz., € 35,40

Als we apostel Paulus mogen geloven, roept het christendom ons op gehoorzaam te zijn aan de wet en braaf onze belasting te betalen aan de staat. Eeuwenlang is vers 13 van zijn Romeinenbrief uitgelegd als een gebod de vorst te eren en hem te voorzien van penningen. Zeker in de Lutherse traditie heeft dit ertoe geleid dat de overheid in welke gedaante dan ook werd gehoorzaamd. Willem Aantjes bijvoorbeeld liet zich hierdoor tussen 1940 en 1945 leiden.

Karl Barth, de bekendste theoloog van de twintigste eeuw, komt echter in zijn Zweiter Römerbrief uit 1922 tot een andere conclusie. In zijn brief aan de Romeinen vraagt Paulus zich af wat we aanmoeten met koningen en regeringen. Is de wet die door wereldmachten wordt gesteld nu verwerpelijk of niet? Nee, zeker niet. «Geef de keizer wat des keizers is», luidt de banale spreuk uit het Mattheus-evangelie.

Eigenlijk reduceert Paulus in zijn brieven de boodschap van het christendom tot één zin: Jezus Christus is opgestaan. Paulus vraagt zich telkens af wat dit evenement betekent. Na de kruisdood en de opstanding zou je verwachten dat Paulus als een soort Lenin zijn volgelingen aanspoort nu korte metten te maken met de verdorven keizers van het Romeinse Rijk. Maar Paulus trekt andere conclusies. Het schandaal van de kruisdood en opstanding betekent dat er een ander leven mogelijk is dan het bekende biologische leven. De waarheid van deze geschiedenis, die niet te verenigen is met de geschiedenis van onze kosmos, is eigenlijk niet te geloven. Dit voorval is het volstrekte novum van een god die uit zijn abstracte hemel komt en mens van vlees en bloed wordt, vertwijfeld met zijn rug tegen de muur wordt gezet en aan het kruis zucht en steunt en sterft. Deze god, die zich zowel koning als rebel toont, is een aanklacht tegen alle andere godenwerelden, tegen de Griekse, Romeinse en Joodse machthebbers. «Here God, waarom heeft u mij verlaten!» — deze wanhopige kreet aan het kruis maakt een identificatie met een grootvorst onmogelijk. Deze god, die mens is geworden en in vernedering aan het kruis hangt, is geen supermacht en wil het ook niet zijn. Paulus ziet dan ook geen noodzaak de wankele gemeenten in Klein-Azië, Griekenland en Rome aan te moedigen de boel op scherp te zetten en hen te dwingen de plaatselijke autoriteiten te ondermijnen. Daarmee bevestig je alleen maar de macht van deze autoriteiten, luidt zijn logica.

Pilatus, de Romeinse gezagvoerder in Jeruzalem die donders goed wist dat je van revolutionaire leiders geen martelaren moest maken, probeerde de chaos die was ontstaan na het verschijnen van deze joodse lastpak in de kiem te smoren door de plaatselijke religieuze leiders te vragen hem te berechten volgens de Joodse wet. De Joodse clerus stak hier een stokje voor. De berechting moest en zou plaatsvinden door de afgezant van de keizer die uiteindelijk het mandaat had om iemand te doden. Het is dan ook onbevredigend dat Paulus zegt dat je niet alleen de keizer zijn tolheffing moet geven maar alle machthebbers — inclusief de priesters die het complot tegen hem opzetten — hun status moet gunnen. Ere wie ere toekomt, staat er in Romeinen.

De verontwaardiging over zo veel onrecht is ons niet vreemd. Menigeen is in zijn woede wel eens overgegaan tot actie tegen regeerders en machthebbers en velen hebben een dagtaak aan het koesteren van hun woede tegen alles wat ons onderdrukt. Paulus echter wist dat onrecht vaardige regeringen van alle tijden zijn en dat opstand tegen dit soort instanties een zichzelf in stand houdend mechanisme is, net zoals agenten en dieven elkaar in stand houden. Een heilig activisme tegen al het onrecht was Paulus veel te romantisch. Paulus wilde slechts de grenzen afmeten van een gemeente in naam van die volstrekt andere grootheid en nuchter vaststellen dat je je beter kunt richten op dat absurde gebeuren van zijn opstanding dan telkens woedend te ageren tegen de staat. Laat ze nou maar, zegt Paulus. Waarschijnlijk ben je zelf nog veel erger in je machtswellust.

G.K. Chesterton, de Engelse katholieke essayist, heeft deze dynamiek beschreven in zijn Defense of Detective Stories uit 1946. Detectiveromans worden gretig gelezen omdat de burger in de detective zijn heimelijke verlangen herkent om zijn naaste, zijn buurman, te molesteren en de wet te overtreden. Het is deze hang naar wraak en vergelding die de Romeinenbrief ontmaskert. Wie zwelgt in de bestrijding van onrecht weet niet dat hij daarmee in het diepst een relatie aangaat met dit kwaad. In het eindeloze geweld tijdens de grote revoluties herkennen we de hopeloze strijd tegen onrecht die tot groter onrecht leidt. Nee, zegt Paulus daarom, betaal nu maar je belasting en weet dat je zelf ook tot de grootste misdaden in staat bent. Rebelleren in strijd met de wet is gedoemd te mislukken.

Het christelijk toekeren van de andere wang is een passieve houding om uit de dynamiek van wraak en vergelding te blijven. Alain Badiou schrijft in St Paul et la fondation de l’universalisme dat het werkelijke schandaal van het Nieuwe Testament is dat de hoofdpersoon niet de wet overtreedt maar hem vervult. Door zich te verzoenen met de hopeloze mensheid die de consequenties van haar eigen handelen niet kan overzien, heeft Jezus duidelijk gemaakt dat elke andere poging de wet te stellen zinloos is.

Paulus wijst in zijn Romeinenbrief daarom een definitieve weg uit de vicieuze cirkel van schuld en boete waarin elke revolutie uitmondt. Geef de wereldse koningen hun centen en hun eer. Dan maken wij plaats voor het koninkrijk dat komen gaat.