Michaël Zeeman

Romeins nachtboek

Op een dag zullen de stofwolken opgetrokken zijn en de rookwolken vervlogen. Dan zal het mogelijk zijn om ook zonder nachtkijker, infraroodapparatuur of welke vernuftige hightech-middelen de schade op te nemen. De lijken kunnen dan geteld, de materiële ravage geïnventariseerd en de politieke winst- en verlies-rekening kan worden opgesteld.

Niet alleen daar, in het Midden-Oosten, maar ook hier, in Europa.

Het doet er, als het om het taxatierapport van de Europese schade gaat, niet eens zo veel toe hoe Bagdad er op die dag bij zal liggen: gehavend als Belgrado, maar met een nieuw bewind, plat als Grozny, met of zonder sluipschutters in het puin, bewaakt door een vredesmilitie met insignes van de Verenigde Naties op zak of belegerd door keurtroepen van wat inmiddels «de coalitie» heet.

Wat ook de uitkomst is, Europa heeft een ontmoedigende reeks lelijke problemen te bespreken: het lijstje is bekend. Het verband waarin ze besproken moeten worden heet de Europese Unie, al kun je het woord «unie» de afgelopen maanden nauwelijks meer zonder sarcasme uitspreken.

Vanaf 1 juli aanstaande is Italië weer aan de beurt om het voorzitterschap van de Europese Unie te bekleden. Naar bekend is iedere lidstaat op zijn beurt een half jaar voorzitter; in die hoedanigheid organiseert die hoe dan ook een topconferentie voor de regeringsleiders van alle lidstaten, maar de voorzitter kan ook initiatieven nemen om hangende of hachelijke kwesties in aparte bijeenkomsten aan de orde te stellen.

Het zal druk worden, in Rome, in de tweede helft van het jaar. Want Silvio Berlusconi is er de man niet naar om de gang van zaken op zijn beloop te laten. Het buitenlands beleid, inzonderheid het Europese beleid, heeft zijn belangstelling en er is hem veel aan gelegen dat beleid te gebruiken om zijn blazoen op te poetsen.

Verleden jaar heeft hij het ministerschap van Buitenlandse Zaken er bijna het hele jaar bij gedaan, nadat Renato Ruggiero als minister was opgestapt en Berlusconi de benoeming van een nieuwe minister, Franco Frattini, voor zich uit bleef schuiven. Ruggiero vertrok in januari, Frattini werd pas medio november benoemd. In de tussentijd was Berlusconi veel op reis en liet hij zich kennen als een staatsman die wel wat anders aan zijn hoofd heeft dan dat hij het pietluttige gezanik van de rechters in Milaan, die zich buigen over zijn vermoedelijke betrokkenheid bij omkooppraktijken, ieder keer kan weerspreken.

Het is een beproefde techniek: de moeilijkheden thuis bagatelliseren door het elders groot aan te pakken. In de tweede helft van het jaar zal Berlusconi er andermaal zijn toevlucht toe nemen, want de Milanese rechters schieten lekker op en de laatste grote vertragingstechniek — de wet die het mogelijk moest maken de rechtbank te wraken — bleek niet te werken. Spannende tijden, in Rome.

Berlusconi heeft de ervaring, de ambitie, de vastberadenheid en de motivatie die nodig zijn om het Italiaanse voorzitterschap straks te gaan gebruiken om orde op zaken te stellen in de chaos waarin de Europese Unie in elk geval moreel en politiek verkeert.

De betrokkenheid bij de oorlog in Irak verschilt inmiddels vrijwel van land tot land, de opvattingen over het Amerikaanse ingrijpen lopen van lidstaat tot lidstaat uiteen. Van een eenheid is, het is al in allerlei toonaarden bejeremieerd, geen spoor te bekennen.

Er hebben zich grofweg twee blokken afgetekend: dat van de voorstanders van militair ingrijpen en dat van de tegenstanders. Maar ook binnen die blokken lopen de drijfveren en intensiteit van de overtuigingen nogal uiteen. Weliswaar zijn Denemarken, Italië en Spanje samen met Groot-Brittannië achter het Amerikaanse beleid gaan staan, alleen Groot-Brittannië is ook metterdaad oorlog gaan voeren. «Wij zijn in oorlog, maar we voeren geen oorlog», is de eenregelige samenvatting die de regering-Berlusconi voor haar beleid verzon. Het Deense enthousiasme is van een geheel andere orde dan het Italiaanse: in Italië liggen 27 Amerikaanse bases en de vraag was of die gebruikt mochten worden ten behoeve van de oorlog in Irak.

In het andere kamp is de eensgezindheid tussen Duitsland en Frankrijk kleiner dan ze lijkt. Duitsland had echter vooral binnenlands-politieke motieven voor zijn bezwaren, terwijl het Frankrijk om principiële en machtspolitieke opvattingen ging die vooral betrekking hadden op het buitenlandse beleid.

Berlusconi weet dat natuurlijk allemaal. Afgelopen week heeft hij alvast een voorschot genomen op wat hem vermoedelijk voor de tweede helft van het jaar voor ogen staat. Tijdens een bijeenkomst in Brussel liet hij zich in scherpe bewoordingen uit over de rol die Frankrijk tot dusverre gespeeld heeft. Die bewoordingen waren zo scherp dat de dag erop de Franse ambassadeur in Rome bij de regering en de Corriere della Sera op de stoep stond om verhaal te halen: zo gaan we in dit werelddeel niet met elkaar om.

Berlusconi’s bedoeling is duidelijk: hij gaat Italië’s versterkte positie inzake de Europese buitenlandse politiek gebruiken om Frankrijk verder te isoleren en hij zal proberen de nieuwe driehoek, Londen-Madrid-Rome aan te wenden om de kracht van de oude as, Berlijn-Parijs, te laten eroderen. Mij zou het niet verbazen als hij voor 1 juli aanstaande een reisje naar Berlijn boekt of voor de zomervakantie de heer en mevrouw Schröder voor een weekendje in zijn Sardijnse buitenhuis uitnodigt.