Romeins nachtboek

Romeins nachtboek

«Salve!» zeggen de soldaten van Pilatus tegen Jezus Christus als zij hem een doornenkroon hebben gezet en hem een purperen kleed hebben omgehangen. «Salve, Re dei Giudei!»

Salve? Maar dat zegt de portiere van het palazzo waarin ik woon ook tegen mij, wanneer ik ’s morgens de deur uit ga en hij al veel te vaak «buongiorno» heeft moeten zeggen om er nog langer zin in te hebben. Salve: dat zegt de scherpschutter die het bankfiliaal hier in de wijk bewaakt en werkelijk de hele dag mensen moet groeten.

«Gegroet, Koning der Joden», schrijft de evangelist Johannes, volgens de vertaling van het Nederlands Bijbelgenootschap, op die plek, en als ik mij niet vergis had de Statenvertaling «Weest gegroet!» Dat hoor ik een Amsterdamse amanuensis of een beveiligingsbeambte nog niet meteen zeggen — en als hij het zegt, wordt het tijd voor verlof: te lollig om nog opgewassen te zijn tegen zijn taak.

Sinds vier maanden heeft Rome een nieuwe muziekzaal, of liever gezegd: drie nieuwe muziekzalen, het Auditorium in het Parco della Musica, vlak bij het Olympisch Stadion. Het idee is van Benito Mussolini, die halverwege de jaren dertig vond dat de eeuwige stad wel een behoorlijke concertzaal kon gebruiken. Wegens omstandigheden — Abessijnse Oorlog en even later zelfs een complete wereldoorlog — kwam hij er niet aan toe die plannen te verwezenlijken. Ook ontbraken hem de middelen.

Maar meer dan zestig jaar later staat het complex er, een grote zaal, een middenzaal en een kleine zaal, omzoomd door foyers, cafés, een cd-winkel annex muziekboekhandel en de fundamenten van een Etruskisch dorp.

Drijvende krachten achter de voltooiing waren de componist Luciano Berio en de architect Renzo Piano. Die laatste heeft inmiddels laten weten dat dit zijn meesterwerk is.

Het gebouw is een weergaloos succes: de Romeinen hebben het met ongekende liefde in hun hart gesloten. Een serieuze programmering is er nog niet, want hier hield niemand er na meer dan een halve eeuw soebatten rekening mee dat de opleveringsdatum ook gehaald zou worden, maar inmiddels is het er een paar keer per week een drukte van belang.

En zo kon het gebeuren dat ook Ton Koopman met zijn Amsterdam Baroque Orchestra & Choir in de grote zaal belandde om er de passiemuziek van Johann Sebastian Bach naar het evangelie van Johannes ten gehore te brengen. Authentieke uitvoering, dat spreekt.

Dat is voor de Romeinen, anders dan voor ons, een hele belevenis: mijn informanten vertellen me dat de Johannes Passion hier in geen tientallen jaren te horen is geweest. En dus was de middenzaal te klein om alle belangstellenden te herbergen: het Auditorium had op ruim duizend bezoekers gegokt, het werden er twee keer zo veel. Het tekent de onbekendheid met het fenomeen.

Maar wat horen ze precies, deze Bach-barbaren, wat richt dit getuigenis van het innigste protestantisme aan in deze Romeinse en dus door en door Roomse hoofden?

Hoe het inmiddels met de beleving van de passiemuziek in Nederland gesteld is, nu het Amsterdamse Concertgebouw en de Grote Kerk te Naarden voor die gelegenheid zijn geannexeerd door accountants, consultants en de columnistes van NRC Handelsblad, weet ik niet, maar de Romeinen hadden onmiskenbaar op een dramatische opera gerekend: vlinderdassen om, avondjurken aan, de schoudertjes bloot, de juwelendoos omgekeerd. In Nederland zag je, toen Bachs Passiemuziek nog een geloofsbelevenis was, de geharde luisteraars zich met een partituur of ten minste piano-uittreksel naar de kerk spoeden, hier schaft vrijwel iedereen zich een exemplaar van het libretto aan.

Duits verstaan ze niet en het katholieke onderwijs heeft er nooit werk van gemaakt de gelovigen de tekst van het evangelie onversneden in hun geheugen te etsen. Dus waar het over gaat, wie wie is en wat ze willen, dat moet het Romeinse publiek ter plekke zien uit te vinden.

Voor wie ermee is opgegroeid, is de Italiaanse editie een hele belevenis.

Vlak na de Tweede Wereldoorlog, toen ook in Nederland het Duits moeilijk lag, heeft de dichter Jan Engelman — katholiek, dat spreekt — eens een Nederlandse vertaling van de tekst van de Matthäus Passion vervaardigd, die je horen en zien deed vergaan: «Bloehoed maahaar door, jij liehieve wonden».

Die is zelden uitgevoerd en wordt nooit meer afgedrukt.

Maar wat de Italianen te lezen krijgen, is ook niet gering. «Barabbas aber war ein Mörder», zegt de oertekst, maar in Rome wordt hij een ladrone, een struikrover. En de indringende vraag van Pilatus, tenslotte ook een Romein, «Wat is waarheid?» wordt hier che cosa è la verità, waarin je bijna Mozarts che cosa è l’amor’ hoort echoën. «Zu ziehen, zu schieben, zu bitten», uit de sopraanaria, wordt zelfs tirare, spingere e sollecitare.

Het wordt een oefening in relativering, die tekst — en ook de uitvoering op deze plek, in deze stad, die met luide bravi! wordt besloten, als was het weer eens wat anders dan een Traviata maar overigens vergelijkbaar. Het monument van de Reformatie een willekeurige concertante opera? Ach, vanuit Rome beschouwd is ook die Reformatie niet veel anders dan een incident in de geschiedenis van de kerk.

Pardon, de Kerk.