Romeins nachtboek

Romeins nachtboek

In de nasleep van zijn verdediging, vorige week maandag voor de rechtbank in Milaan, probeert de Italiaanse minister-president Silvio Berlusconi de kwestie van zijn mogelijke wetsovertreding een politiek, ja, een principieel staatsrechtelijk karakter te geven. Dat is een strategie die hij heeft gevolgd vanaf het moment dat hij, nu bijna tien jaar geleden, de eerste dagvaarding terzake deze processen overhandigd kreeg. De redenering is eenvoudig en wordt gekenmerkt door bijna geweld dadige retoriek: ik word, stelt de minister-president telkens, niet vervolgd om wat ik heb bedreven, maar om mijn politieke overtuigingen.

Indertijd werd die dagvaarding hem ironischerwijs ter hand gesteld toen hij als premier een door de Verenigde Naties georganiseerde conferentie voorzat over de bestrijding van de criminaliteit. Het is vermoedelijk zijn grootste trauma: de minister-president werd, vindt hij, door die aanpak in zijn waardigheid aangetast en in zijn werkzaamheden belemmerd, en alleen al het tijdstip van aanzegging wijst op strategische, lees: politieke oogmerken bij het parket.

Het lijkt op de handelwijze van het Nederlandse parket, dat openbaar maakte Cor Boonstra te gaan vervolgen juist toen die op het punt stond zijn afscheidsfeestje te gaan vieren. Het recht als roet in andermans eten.

Vorige week gebruikte Berlusconi de hem toebedeelde tijd in het proces niet zozeer om uit te leggen wat hij nu precies heeft gedaan toen hij in 1985 probeerde het staatsbedrijf SME te kopen, maar vooral om erop te wijzen wat anderen toentertijd hebben misdaan. Daar zit een vertrouwde strategische kant aan, namelijk die van verwarring stichten, maar wel degelijk ook een politieke en principieel staatsrechtelijke. In het publicitaire geweld dat sedert zijn getuigenis over Italië raast, wordt duidelijk waar het de minister-president om gaat.

Berlusconi richtte zijn pijlen vooral op Romano Prodi. Die was, ten tijde van de verkoop van de SME, belast met de privatisering van staatsbedrijven en kan dus als de verkopende partij worden gezien. Nu er een en ander naar buiten komt over diens handelwijze moet je op zijn minst vaststellen dat Prodi niet, zoals hij bits te zijner verdediging aanvoerde, louter het belang van de staat heeft gediend, maar wel degelijk ook dat van zijn vrienden, politiek en persoonlijk. Berlusconi’s aanval op Prodi is strategisch, maar helemaal ongelijk heeft hij niet. Of het hem juridisch zal helpen, weet nog geen mens, maar moreel komt hij er sterker door te staan.

Italië is het komende halfjaar voorzitter van de Europese Unie en Berlusconi zal de voorzitters hamer gretig ter hand nemen. Een halfjaar lang zal hij intensief met Prodi, die immers Europa’s hoofdcommissaris is, moeten optrekken. Dat worden leuke vergaderingen. Vervolgens loopt Prodi’s termijn als Eurocommissaris over twee jaar af. Links Italië bidt en smeekt dat hij dan terugkomt naar Italië, om eenheid te bewerkstelligen in de linkse chaos. In 2005 zijn er in Italië verkiezingen. Die zouden best eens tussen Berlusconi en Prodi kunnen gaan. Berlusconi, die buiten Italië in veel landen zeer wordt onderschat, neemt er alvast een voorschot op.

Maar er is nog meer aan de hand.

De Milanese processen, stelt Berlusconi, treffen niet alleen mij als persoon, maar ze treffen vooral ook de minister-president. Terwijl er haastig wordt gesleuteld aan een wetsontwerp dat de onschendbaarheid van Italiaanse regeringsleden en parlementariërs moet regelen, wijst hij naar de in zijn ogen merkwaardige competentiestrijd tussen de machten die daardoor lijkt te ontstaan.

Bij wie ligt hier eigenlijk de soevereiniteit, vroeg hij zich publiekelijk af? We stellen altijd dat die bij het volk ligt, vervolgde hij. Dat volk heeft de kamer gekozen en vanuit die kamer heb ik mijn kabinet geformeerd. Het mandaat dat de regering heeft is duidelijk en gelegitimeerd. Als nu de rechterlijke macht de minister-president lastig gaat vallen, intervenieert ze welbeschouwd in die gang van zaken en suggereert ze een mandaat te hebben dat de soevereiniteit van het volk te boven gaat. Maar waar wordt dat aan ontleend en hoe denkt de rechterlijke macht dat te legitimeren? Het is het parlement dat wetten maakt, dus welbeschouwd zijn de verschillende machten binnen de trias politica helemaal niet gelijkwaardig. Bijgevolg is het raar dat de rechterlijke macht probeert in te grijpen in wat de grondslag van onze democratie is, namelijk de volkssoevereiniteit.

Dat is opnieuw geen onzin, zo opportunistisch als het is.

Vorig jaar probeerde Pim Fortuyn een enkel artikel uit de Nederlandse grondwet ter discussie te stellen. Van velerlei kanten is er toen op gewezen dat er een gespannen verhouding bestaat tussen de verschillende artikelen in de grondwet, de basisbeginselen van vrijheid en gelijkheid voorop.

Beide fenomenen, de staatsrechtelijke discussiepunten van zowel Berlusconi als van Fortuyn, wijzen in eenzelfde richting: een knagende twijfel aan de belangrijkste uitgangspunten en instituties van de rechtsstaat. Die instituties zijn, in heel Europa, al langere tijd aan een grovere erosie onderhevig, vooral veroorzaakt door een gebrek aan innerlijke overtuiging van wie ze dienen, de huidige generatie politici voorop. Het lijkt erop dat die erosie nu zelfs de pijlers van die instituties bereikt.

Het is kenmerkend dat Berlusconi dat als eerste expliciteert: hij voelt de stemming, de diepste overtuigingen van zijn tijd scherp aan.

Het maakt hem zowel een ongewoon interessant als een buitengewoon gevaarlijk politicus.