Romeins nachtboek

Romeins nachtboek

De Franse minister van Buitenlandse Zaken, Dominique de Villepin, heeft een omvangrijk boek geschreven over de Franse poëzie van de negentiende en twintigste eeuw. Volgens de boekenbijlage van Le Monde gaat het om een persoonlijke studie, het resultaat van tientallen jaren aanhoudende en vertrouwelijke omgang met het werk van die dichters, een reeks beschouwingen die ook andere hartstochtelijke en zelfs zeer kritische poëzielezers serieus dienen te nemen.

De krant onderwierp de deftige uitgever van het boek aan een uiterst achterdochtig verhoor, maar ook die hield voet bij stuk: nee, ze hadden Villepins studie niet gepubliceerd omdat de auteur minister van Buitenlandse Zaken is en het met de publiciteit dus wel goed zou komen. Er waren drie leesrapporten over het manuscript vervaardigd, door de gebruikelijke professionele beoordelaars van de uitgeverij, en die waren alledrie op heldere gronden tot een positief advies gekomen.

Uit de bespreking van het boek blijkt dat het Villepin niet alleen om de groten van de Franse poëzie begonnen is — zeg: Baudelaire, Mallarmé en Rimbaud — maar dat ook de kenner zijn hart kan ophalen aan de belezenheid, de smaak en het inzicht van de minister. Zijn levenlang poëzie gelezen, ermee geleefd, erover nagedacht, hoezeer zijn politieke ambities hem ook opeisten.

Kom er eens om: Jaap de Hoop Scheffer geeft bij Meulenhoff een tweedelige studie over de Nederlandse poëzie sedert Bilderdijk uit, waarin hij ook het werk van Richard Minne, Jan van Nijlen en Obe Postma bespreekt. Of zelfs een eendelige, bij Prometheus, alleen over de melancholie van Bloem, de naïviteit van Nijhoff en de amoureuze bespiegelingen van Slauerhoff. Of desnoods een heel klein pocketje bij Vassallucci over zijn favoriete gedichten van Judith Herzberg en Rutger Kopland. Of, uiterste geval, een bloemlezing zonder commentaar bij uitgeverij 521 met zijn lievelingsgedichten over het reizen en de seizoenen, het verstrijken van de tijd of de eenzaamheid van het verblijf op hotelkamers in verre steden.

Het is niet alleen onwaarschijnlijk, de gedachte alleen is al bespottelijk. Zelfs onze nieuwe onderminister van Cultuur gaat prat op haar principiële afkeer van de literatuur: ze meldde op de obligate vraag aan nieuwe gezagsdragers wat ze zoal leest dat ze «bezig» is in een boek van Marianne Frederiksson, maar dat het er voorlopig wel niet van zal komen dat ze dat uitleest. Die Frederiksson is een nare femelaar uit Zweden, die gênante «feel good»-romannetjes schrijft, waar de menopauzerende vrouwtjes uit de lagere middenklasse, ontevreden met hun man, kinderen, kleinkinderen en koffiezetapparaat, wel pap van lusten. Je kunt wel gokken wat de onderminister aan de wand heeft hangen, naar welke muziek ze luistert en wat ze in haar vrije tijd doet. Je kunt eveneens uittekenen hoe haar werkbezoeken en haar ontmoetingen met «de mensen uit het veld» er de komende paar jaar gaan uitzien.

Op de voorpagina van de Corriere della Sera stond vorige week donderdag een column van Claudio Magris, de beroemde schrijver en denker wiens boeken in heel Europa worden gelezen en becommentarieerd en die geen van de leden van ons kabinet ooit in handen heeft gehad of zal krijgen. Magris is hoogleraar germanistiek in Triëst, schreef enkele weergaloze studies over de cultuur van Centraal-Europa, publiceerde romans en was enige tijd senator. Die column verschijnt op onregelmatige tijdstippen in de krant en heeft niet de toon van gemelijkheid en gemeenzaamheid die wij van de dagblad column kennen. Het is iedere keer meer een troonrede: de auteur stelt iets aan de orde, analyseert zijn kwestie, stelt vragen, oppert oplossingen.

Deze keer stelde Magris drie vragen aan de regering. Het gaat me nu niet om die vragen, maar om het adembenemende gevolg dat Magris’ column had — adembenemend voor een Nederlander.

Want de volgende dag stond er, precies op dezelfde plek, voorpagina krant, een ingezonden stuk van Giulio Tremonti. Dat is de Italiaanse minister van Financiën en hij was een van de drie politici aan wie Magris’ vragen waren geadresseerd. En het bijzondere was, dat hij Magris gewoon antwoord gaf. Geen spoor van de gekscherende lacherigheid of hoogmoedige minachting waarmee Gerrit Zalm laten we zeggen Geert Mak zou antwoorden wanneer die in De Groene of desnoods NRC Handelsblad een vraag zou hebben gepubliceerd over het bezuinigingsbeleid — als die Zalm überhaupt al zou antwoorden, ja, als hij, tegen alle redelijke verwachtingen in, De Groene wel eens zou lezen, zou weten wie Geert Mak is of misschien zelfs De eeuw van diens vader voor zijn verjaardag zou hebben gekregen.

Of Tremonti een betere minister van Financiën is dan Zalm, weet ik niet, en voor de politieke overtuigingen van beiden geef ik geen cent. Daar gaat het ook niet om. Villepins boek en Tremonti’s genomen moeite een antwoord te formuleren, suggereren een volslagen andere verhouding tot de werkelijkheid buiten het dagelijkse politieke ambacht, ja, de werkelijkheid van denken, lezen en schrijven, dan waarmee wij vertrouwd zijn geraakt. Aan die verhouding ligt vermoedelijk zelfs een andere opvatting van het politieke bedrijf ten grondslag: dat is deel van de cultuur, het is de vrije ruimte waarover alle kritische, vrije geesten zich mogen uitspreken.

Ze zullen het niet lezen, maar ik kan het gegier in het Catshuis over die laatste zin in Rome horen.