Romeins nachtboek

Romeins nachtboek

«In den beginne was het woord», zegt de evangelist, om daar even later aan toe te voegen dat «alle dingen door het woord zijn geworden». Niemand raakt daar dieper van doordrongen dan de emigrant: wie zijn taal verlaat, is alles kwijt, of hij nu met een dubieus paspoort op zak en een onaanzienlijke huidskleur in een sloep de Middellandse Zee oversteekt, of dat hij, met een deprimerend grauw gelaat en toegerust met een jaarcontract en een bordeauxrood boekje met hip binnenwerk, al zijn bezittingen in een konvooi vrachtwagens laat laden en de Alpen oversteekt.

Sprakeloos, de hele dag, overal, iedere dag opnieuw.

In Nederland mogen ze er nu drie jaar over doen om daar verandering in aan te brengen, de nieuwkomers. Hier in Italië is geen termijn gesteld, want de gedachte dat je níet van meet af aan althans een minimale kennis van de taal hebt, die je met weinig moeite binnen een paar weken hebt uitgebreid tot het niveau waarop je de dagelijkse gesprekken moeiteloos kunt volgen en voeren, is de Italianen vreemd. Kennis van het Italiaans is, denken zij, aangeboren, luister maar naar de kleine kinderen. Dat je zondigt tegen de regels van de grammatica of nieuwe woorden uitvindt — door het Frans te veritaliaansen of het Latijn te verbasteren — doet daar niets aan af, want dat doen ze zelf ook allemaal. «In Rome is alles verworden tot een ruïne, zelfs de taal», schreef Dante acht eeuwen terug al.

De standaardtaal wordt alleen door televisiepresentatoren van RAI1 gesproken. De gasten in hun programma’s houden er een hoorbaar afwijkende uitspraak, idioom en grammatica op na en zelfs de minister-president raakt in de war als hij bijvoorbeeld de aanvoegende wijs probeert te gebruiken. «RAI1 heeft voor de eenwording van Italië meer betekend dan Garibaldi», zegt de Milanese schrijver Giovanni Chiara.

Bij de gemeente Rome kijken ze alsof ze overwegen de GGD te bellen als de grauwe vreemdeling met het kekke paspoort vraagt of bepaalde instructies of documenten ook in vertaling beschikbaar zijn. Hoezo, vertaling? Nou ja, tienduizenden Somaliërs, Albanezen, Noord-Afrikaanse schipbreukelingen, die moeten misschien op weg worden geholpen. In Amsterdam is de bewegwijzering in het stadhuis in het Arabisch, Turks, Engels en ten slotte ook nog in het Nederlands: kan praktisch zijn. Maar, is het weerwoord, zíj zijn toch verhuisd, wij niet?

Dat valt niet te weerspreken.

Er zitten verschillende fasen in het je toe-eigenen van een taal en reken maar dat dat even zovele fasen in de inburgering zijn. Jarenlang ben ik hier gekomen als bezoeker en al die tijd ben ik geprezen om mijn vaardigheid mij verstaanbaar te maken en contacten te leggen. De eerste twee maanden bleef mij, als nieuwe inwoner van de eeuwige stad, de lof rijkelijk toevloeien.

En toen was het ineens over, niet alleen bij mij in de buurt, maar overal. De stemming sloeg om, alsof er gemeenschappelijk was afgesproken dat die lange meneer het nu eindelijk maar eens weten moest. De lacherige sfeer die mijn aandoenlijke geschutter in winkels en restaurants teweegbracht, sloeg om in ergernis en korzelige verbazing over zoveel stompzinnigheid. De curiositeit werd een vertragingsfactor.

In het Italiaans is het geslacht van een woord betekenis bepalend. Als bij ons iemand «de huis» en «het boom» zegt, weet je dat hij «het huis» en «de boom» bedoelt. Een plastic tasje is een «busta», een boezem een «busto», een vijg een «fico», een kut een «fica». Toen ik afgelopen zomer bij de vrouw van het groentestalletje om een «tiet kutten» vroeg, vertrok ze geen spier. Als ik nu het verschil in functie tussen de «tavola» en de «tavolo» verwar, oogst ik meewarigheid. Debiel, zie je ze denken, leer dat nou eens. De hilariteit maakt plaats voor minachting — en snijdt de pas af voor nadere kennismaking.

Het veroorzaakt een intense taalmoeheid, die mij bovendien onzeker maakt over alle andere talen die ik spreek. Daarbij komt dat het Italiaans interfereert als de ziekte met het Frans en het Spaans. «Wat praat jij gek tegenwoordig», zeiden Franse vrienden onlangs, omdat de nasalering van mijn Frans wordt weggedrukt door het melodische karakter van het Italiaans. Spaans spreken in een Italiaanse omgeving, vooral over de telefoon, kun je helemaal vergeten. De wijde wereld gekozen, de wereld kleiner horen worden.

De taalvermoeidheid leidt tot eigenaardige ergernis: en nu houden we hiermee op, dacht ik laatst ineens. Dit spelletje heeft lang genoeg geduurd, vanaf heden gaan jullie allemaal weer gewoon Nederlands spreken.

Het verdriet van de kosmopoliet. Ik ben de zombie die de kruiskopschroevendraaier die hij kopen wil aan moet wijzen. Nee, die, niet die, nee, nee, meer naar, hoe heet het ook alweer, boven de, toe nou, dat grote ding.

Drie jaar staat ervoor. Tegen die tijd heb ik mij vermoedelijk volledig onmogelijk gemaakt. Ik vrees dat ik met Koninginnedag op de Nederlandse ambassade oranjebitter ga drinken.