KUNST

Romeinse soldaten met SS-petten

Aad de Haas

De Kunsthal wijdt een overzichtstentoonstelling aan Aad de Haas (1920-1972), een goede, maar marginale schilder, die in Rotterdam werd geboren en opgeleid maar het grootste deel van zijn leven in Limburg woonde. De Haas was een bewogen mens, een vurige katholiek, die al tijdens zijn academiejaren in conflict kwam met de bezetter. Zijn werk werd geconfisqueerd, hijzelf werd later gearresteerd en kwam op een dodenlijst. Om onbekende redenen werd hij echter vrijgelaten, waarna hij onderdook in Limburg.
De tentoonstelling is eerder samengesteld in Schunck Heerlen, dat een groot deel van De Haas’ nalatenschap bezit, en omvat een honderdtal schilderijen, flink wat grafiek en tekeningen, en ook meubels die door De Haas werden beschilderd. De Haas blijkt een stevig en levendig talent dat in wisselende stijlen werkte. In zijn jonge jaren beoefende hij een ‘doezelige’ Chagall-achtige stijl, die zich goed leende voor religieuze voorstellingen, maar daarnaast had hij een voorliefde voor activisme en satire, vormgegeven in scherpe kleuren en karikatuurachtige figuren. Dan lijkt hij meer op Otto Dix of Georges Rouault, met mensen met gekerfde groen-roze gezichten, opengesperde ogen, grote grijnzende gebitten. De politieke intenties liggen er duimendik op: industriëlen met hoge zijden hoed vergrijpen zich aan eerbare vrouwen.
De vraag is of deze De Haas zijn postume eerbewijs in de Kunsthal had gekregen als hij niet een hoofdrolletje had gespeeld in de 'doorbraak’ van de moderne kunst in Nederland na de oorlog. Net als Karel Appels Vragende kinderen in het gemeentehuis van Amsterdam zou een werk van De Haas leiden tot polemiek, en wel in katholieke kring. In 1947 kreeg hij opdracht van de pastoor van het St. Cunibertuskerkje van Wahlwiller (tussen Maastricht en Vaals) voor de beschildering van het interieur met beelden van heiligen en de vervaardiging van een kruisgang op zestien panelen. Het project werd in 1948 voltooid. De kunstcriticus en nationaal-socialist Albert Kuyle veroordeelde dat werk in het Limburgs Dagblad en De Linie ongezien als 'ronduit ontoelaatbaar’. Waarschijnlijk op instigatie van de Nederlandse jezuïet Sebastianus Tromp sprak het Vaticaan zich vervolgens over de arme De Haas uit. De kruiswegstatie werd op Goede Vrijdag 1949 op bevel van de bisschop verwijderd.
Het conflict past naadloos in de worsteling die de katholieke kerk had met de naoorlogse vernieuwing. Als reactie werd een orthodoxe koers ingezet, en die gold ook de kunsten. In de encycliek Mediator Dei (1947) werd bepaald dat kunstwerken die 'misvormingen en verkrachtingen zijn van de gezonde kunst en (…) flagrant in strijd met de christelijke betamelijkheid, zedigheid en vroomheid’ uit kerkgebouwen moesten worden geweerd. Eigenlijk vond men in Rome dat de christelijke kunst zijn hoogtepunt had bereikt in de gotische architectuur en de schilderkunst van Fra Angelico. Deze querelle de l'art sacré woedde hevig en werd na 'Wahlwiller’ in Nederland verder op scherp gezet door de tentoonstelling Franse religieuze kunst in Eindhoven in 1951.
De Haas’ artistieke en religieus-politieke bewustzijn werd door het conflict alleen maar verder aangewakkerd. Hij keerde zich in zijn latere werk heftig tegen onderdrukking van allerlei soort. Hij had recht van spreken: per slot was zijn werk binnen enkele jaren eerst door de nazi’s en daarna door Rome verketterd en in beslag genomen. In de Kruiswegstatie die hij in 1958 schilderde voor de kapel van het St. Jozefziekenhuis in Heerlen dragen de Romeinse soldaten dan ook Wehrmacht-helmen en SS-petten.

Aad de Haas, Geloof, heimwee en liefde.
Kunsthal, Rotterdam, t/m 4 maart,
www.kunsthal.nl