Romeo & juliet

Amsterdam maandagochtend 9.30 uur. Tram 4. Ze zijn een jaar of zeventien. Zij spreekt Amsterdams. Hij is een Rotterdamse gabber.

Zij: ‘Kijk, ik ben d'r wel eens geweest hoor, gewoon, voor de gein om een keertje te kijken. Maar ik ga dus niet naar een feest in Rotterdam. Dat is principe.’
Hij: 'Nâh, 'k ga dus wel soms in Amsterdam. Ik heb vrienden, die gaan echt héél hard. Maar als je gewoon normaal doet, gebeurt er niks.’
Zij: 'Ga jij nog naar een feest?’
Hij: 'Ik ga vrijdag naar Lloret. Nâh, daar zie ik wel een beetje tegenop.’
Stilte.
Zij: 'Toen jij belde hè, toen scheet ik echt bagger.’
Hij: 'Téring hé. Echt waar?’
Zij: 'Ja, en m'n vader en m'n broers wisten niet wie je was. Ik had het wel tegen mijn vriendinnen gezegd, maar ik had nooit gedacht dat je echt zou bellen. Shit man, dat vond ik echt tof van je.’
Hij: 'Hou op hoor, anders wordt ik helemaal…’
Zij: 'Shit man, ik ook.’
Hij: 'Kanker hé. Wat tof.’ (sp)