Rommel

Misschien komt het door de herfst. Door de lage zon. Ineens wordt alles zo scherp en onthullend uitgelicht dat ik er onrustig van word. Spinrag glinstert aan de plafondlamp. Stofplakkaten worden zichtbaar op de hoge planken van de boekenkast. De witte balken op de zolder ogen grauw. Boeken blijken weer uitgegroeid tot stapels, schoenen tot bergen. Overal dringen de dingen zich op. Omdat ik mezelf ken neem ik me voor om nu eens met één hoek te beginnen. Een afgebakend terrein is het beste. En dan mijn hoofd erbij houden, concentreren op de taak. ‘Minder moet zorgen voor betekenis, meer moet ervan genezen’ – een regel van Herman de Coninck die me te binnen schiet. Géén omwegen nu, geen dwaalsporen.

Maar efficiënte opruimers, vermoed ik, waren vroeger goed in de verhaalsommen die je op school kreeg. ‘Jan is op weg naar zijn oma met 850 gram bloem. Hij verliest gemiddeld 25 gram bloem per kilometer. Hij moet zestien kilometer lopen. Hoeveel gram bloem kan Jan bij aankomst nog aan zijn oma geven?’ Zelf raakte ik verstrikt in de vele vragen die ik had, die scènes die ik voor me zag. Ten eerste: zoiets merk je toch wel op, tijdens de wandeling? En waarom moest Jan überhaupt zo ontzettend ver? Misschien, dacht ik, gebeurde het tijdens de Hongerwinter. Dat zou kunnen. Misschien had het gesneeuwd en viel de bloem in de sneeuw en merkte Jan er niets van. Of misschien was hij wel blind geworden door een granaatscherf en ploeterde hij struikelend en tastend voort door een dennenbos. Mijn god. Dat de meester geïnteresseerd was in het aantal grammen bloem terwijl er zulke verschrikkelijke dingen in de wereld gebeurden, vervulde me destijds al met afschuw en nog altijd wantrouw ik mensen die getallen boven verhalen plaatsen. En efficiënte opruimers, wat wellicht op hetzelfde neerkomt, wantrouw ik ook.

Ik begin boven, onder het schuine dak. Een ruime maar loze hoek. Gaandeweg werd het een parkeerplaats voor dingen waar nog iets mee moet. Een compleet versleten fietsje dat nog van de jongste is geweest en dat ik maanden geleden naar het milieupark zou brengen, een uit elkaar geschroefd ledikantje (komt nog van pas, hoort eigenlijk in het hok in de gang) en een oude stoel die een klont kleding ondersteunt. De klont bestaat voornamelijk uit jurken en broeken waar ik nu niet meer in pas, aan het zicht onttrokken door de winterse helft van het vierseizoenendekbed dat ik eigenlijk nodig moet wassen. Onder de stoel vind ik ook nog een map ongesorteerde belastingpapieren, een rouwkaart en drie verweesde sokken. (Eindeloos uitpakken met gemis.) Ik heb natuurlijk een cruciale fout gemaakt door met deze hoek te beginnen. Een hoek vol dingen waar iets mee moest. Nu is het te laat en zit ik met een hele verzameling taken opgescheept, terwijl het voorheen alleen een verzameling dingen was. Nu houdt het niet meer op. Dan maar pauzeren, beneden, op de bank, in het herfstlicht dat de kamer binnenstroomt. Die koffievlek op de leuning was me niet eerder opgevallen.

Hij had gehoopt dat het zonder herfst kon.
Ineens sneeuw. De ascese van wit. De precisie van kou.
Minder moet zorgen voor betekenis,
meer moet ervan genezen –

en dat het dan gedaan was. Niet dit maanden-
lange afhaken van laatste blaren, uitsorteren
van rommel, zó eindeloos uitpakken met gemis
dat je de blaren terug zou hangen aan hun takken.

Hij had gehoopt dat het zonder verzuren kon.
Maar de hele tuin ligt te gisten van uren
regen, en bijna te sissen van één minuut zon.
O, toen alles nog voorbij kon gaan en niets hoefde te duren.

Herman de Coninck,
uit: De gedichten,
De Arbeiderspers,
Amsterdam, 2000