Rommelige mensen

Je kunt in mijn uitleg de stille therapeut voelen, die in de hoek zit te knikken, schrijft Katie Roiphe in een essay over hoe ze als student het vriendje van haar beste vriendin verleidde. Haar bundel In Praise of Messy Lives staat vol met dit soort pijnlijke persoonlijke verhalen; ze schrijft even diepgravend over haar scheiding als over de implicaties van sekstoerisme in Azië.

Katie Roiphe, In Praise of Messy Lives € 22,95

Roiphe (1968), auteur van een aantal spraak­makende boeken, voornamelijk over vrouwen en seks, is de dochter van een feministe en een psychoanalyticus. Die erfenissen zijn duidelijk aanwezig in deze opmerkelijke verzameling essays, zij het zelden zonder kritiek. Via uiteenlopende maar steeds verwante onderwerpen, van woekerende babyfoto’s op Facebook tot de overmatige cocktailconsumptie in Mad Men, analyseert ze de volgens haar soms twijfelachtige vormen die emancipatiesuccessen kunnen aannemen.

Vaak klinkt ze in haar openheid inderdaad alsof ze bij een psychiater op de bank zit. Waar ze vertelt over de verkapte oordelen die haar ten deel vallen als alleenstaande moeder, zelfs in tolerant New York, schemert hier en daar frustratie door. Wanneer een vriend van haar in de kinderwagen naar haar pasgeboren zoon gluurt en grapt: ‘How d __i_ d that happen?’_ reageert ze nogal overgevoelig en detecteert meteen ‘something not quite nice’ in zijn toon. Maar ze maakt dat gevoel begrijpelijk met voorbeelden van minder subtiele sneren – ‘of course it would be better if you had a husband in the house’. Haar punt is mede door die ongemakkelijke intimiteit, haar vergaande reflectie op haar ervaring, scherp: hedendaags New York heeft meer dan we denken van het puriteinse New England van Hawthorne (aan wie ze de mooie titel van het stuk ontleent: The Alchemy of Quiet Malice).

De spanning tussen norm en werkelijkheid in haar eigen, schijnbaar nogal chaotische leven verheft ze vaker tot voorbeeld. Roiphe ontleedt de conventies waar ze op stuit, ze begeeft zich liefst daar waar ooit taboes zijn doorbroken en nieuwe clichés zijn ontstaan. Ze is geïnteresseerd in wat de mainstream doet met dingen die vroeger subversief waren. In een stuk over incest in de literatuur betoogt ze, tamelijk provocatief, dat de ooit schokkende misbruikscène een literaire gemeenplaats is geworden. In een bewonderend essay over Joan Didion laat ze aan de hand van intelligente stijlanalyses zien hoe diens unieke stem versteend is in de Amerikaanse journalistiek door ontelbare inferieure imitaties.

Zulke close readings van gangbare stijlfiguren en woordconstructies zijn typerend voor hoe ze onopgemerkte banaliteiten fileert: het genre van het celebrity-_profiel à la _Marie Claire en Vanity Fair, zo toont ze aan, zit bomvol vaste formules die ze overtuigend herleidt tot wat wij lezers eigenlijk verlangen van beroemdheden. Neem ‘de beschrijving van de nonchalante outfit’ – jeans en T-shirt – die interviewers altijd aangrijpen om de ‘verrassende’ menselijkheid van de ster te benadrukken.

Wat steeds terugkeert is een afkeer van de onderdrukkende, eigentijdse obsessie met gezondheid, orde en controle – hier is duidelijk iemand aan het woord die veel Foucault verteerd heeft. Haar discutabele, maar originele lezing van Mad Men luidt dat de keurige, niet-rokende, biologische muesli etende kijker, leeftijdgenoot van Don Draper, genoegen haalt uit de ‘perverse allure’ van Drapers met drank en overspel versierde ‘messy life’. Je zou daar tegenin kunnen brengen dat Mad Men juist ook zeer rigide, opgeruimde en klinische levens verbeeldt (zie Betty, Dons vrouw, in haar blinkende keuken, uitgepoetst en met als enige afleiding de vibrerende motor van haar wasmachine). Maar Roiphe, met haar pogingen om ons te bevrijden van onbewuste gedachten over onszelf, is het nu eenmaal te doen om rommelige levens, met buitenechtelijke kinderen, ongeoorloofde vrijpartijen en ‘ongezonde’ voorkeuren. Levens die grenzen confronteren. Levens zoals die van haar.

Het is een kracht van dit boek dat de persoonlijke dilemma’s en obsessies van de auteur zo transparant haar onderwerpskeuzes inspireren; het maakt haar essays warm en komt de urgentie ten goede. Toch wringt het soms: we lijken van serieuze critici een zekere mate van onpersoonlijkheid te prefereren en zijn snel allergisch voor wat we ‘ikkerig’ proza noemen. Roiphe’s ontboezemingen doen, ironisch genoeg, soms denken aan de te bekende kokette (en niet zelden vrouwonvriendelijke) taal van de vrouwelijke columnist die moet laten weten hoe slonzig ze is in vergelijking met andere vrouwen, hoe zij, one of the guys, het eigenlijk altijd beter met mannen kan vinden, en hoe het zuiver toeval is dat er ook in haar huishouden van Jan Steen een dure doos biologische muesli te vinden is.

Ze kan het niet laten te pleasen, charmant te zijn door zichzelf flatteus te bespotten. Soms zou ze wat kunnen gebruiken van de onbeschaamde ernst, de indrukwekkende humorloosheid die ze zo mooi signaleert bij Susan Sontag aan wie ze een liefdevol stuk wijdt: ‘Sontag does not expend the energy on being charming.’ Roiphe doet dat duidelijk wel, maar het is zoals zij (op de toppen van haar ‘goede’ charme) concludeert over Sontag: ‘Her strength is hard to disconnect from her folly.’

Katie Roiphe

In Praise of Messy Lives

The Dial Press, 261 blz., € 22,95