Romsterdam

Vorige week maakte staatssecretaris Van der Ploeg een voorlopig einde aan de stedenstrijd tussen Amsterdam en Rotterdam om het Instituut voor Beeldcultuur. Ook werden plannen bekend voor een supersnelle zweeftrein in de Randstad. Daarmee komt het definitieve einde van de stedenstrijd in zicht.

HET LEVEN IS er niet gemakkelijker op geworden sinds de zweeftrein. Wat moet je als Amsterdammer? Ga je naar de Ring des Nibelungen op een megascherm in het Oosterpark of doe je een avondje Poetry International in de Rotterdamse Doelen? Je bent ongeveer even lang onderweg - iets meer of minder dan een half uurtje. De keuze wordt bepaald door stemming of weer, niet langer door de afstand. De elektromagnetisch voortbewogen zweeftrein voegt de vier Randsteden samen tot één gigametropool. Ik heb een akkefietje met mijn computer. In Rotterdam zit een prima computerfirma met een uitstekende service - kom daar maar eens om in de hoofdstad. En omdat ik nog een paar andere zaken moet inkopen, besluit ik dat ook maar in de havenstad te doen. Bovendien schijnt er een verkwikkende zon, en in Rotterdam, met zijn weidse alleeën, brede boulevards en imposante kaden, is het nu eenmaal zonniger ‘statten’ dan in het bedompte Amsterdam, waar de toeristen je voor de voeten lopen of op hun huurfietsen je tenen masseren. In Terminal Droogbak, vlak bij het Amsterdamse CS, hoef ik niet lang te wachten. Elke zes minuten vertrekt er een zweeftrein richting Rotterdam. Lekker gevoel, zoals die optrekt. Binnen drie kilometer zit je op driehonderd kilometer per uur. Het Groene Hart zoeft onder je weg. Koetjes, schaapjes, molentjes, weitjes, watertjes - wat is dat Hart eigenlijk meer dan een wat groot uitgevallen kinderboerderij in het middelpunt van wat nu met recht de Cirkelstad mag heten? Bij het naderen van iedere Cirkelstadskern duikt min of meer identieke bedrijvigheidsbouw op - de periferie van de kernen is opvallend homogeen. Hoge kantoorburchten van glas, staal, steen of een willekeurige combinatie daarvan, bouwwerken die zich alleen door wat eclectisch verzamelde accenten of ornamenten van elkaar onderscheiden. Daar is niets Amsterdams, Rotterdams, Utrechts of Haags aan. Alleen de Cirkelstadskernen verschillen. Maar hoe? Verschilt de Rotterdamse kern zozeer van de Amsterdamse dat een Instituut voor Beeldcultuur er niet levensvatbaar is? Is Rotterdam een culturele woestijn? Het is in ieder geval een commercieel paradijs. Niet ver van Terminal Blaak, op de Kipstraat, is mijn computerfirma. Ik besluit vanaf daar de Rotterdamse kern van oost naar west te doorkruisen. Via de Centrummarkt, waarbij vergeleken de Amsterdamse Albert Cuyp een provinciaal braderietje is, kom ik in de Hoogstraat, een rommelige straat vol prulwinkels voor het Turkse en Marokkaanse kooppubliek. Dan bereik ik Rotterdams nieuwste trots: de 'Koopgoot’, een onoverdekte winkeltraverse beneden straatniveau, die van Vroom & Dreesmann voor de Beurs langs naar de Bijenkorf aan de overkant van het Coolsingel loopt. Een gemêleerd publiek doet er gemêleerde inkopen, terwijl de kinderen in de zon met de artistieke waterwerkjes klooien. Ietwat slingerend doorloop ik vervolgens de Witte de Withstraat, met Neerlands beste Fotomuseum (verdient een beter pand), de Binnenweg, met Rotterdams beste boekwinkel (een filiaal van het hoofdstedelijke Van Gennep), en de Kruiskade, die in China begint en uitmondt in de Cariben (met het origineelste verkeer van Nederland: de parkeervakken zijn voor lang parkeren, de rijbaan is voor kort parkeren en de trambaan is er om wat met de auto te slenteren, naar kennissen te zwaaien en links en rechts wat babbeltjes te maken; geduldig hobbelt de tram stapvoets in de processie mee, niemand belt, toetert, mort of vloekt - kom daar maar eens om in de hoofdstad). INDERDAAD, QUA commercie is Rotterdam, veel meer dan Amsterdam, een wereldstad. De banken zijn er hoger, de multinationals glasrijker, de beurstrappen onneembaarder, de havenkranen talrijker en de bruggen indrukwekkender. Maar is Rotterdam ook een culturele wereldstad? Tien jaar geleden werd in een voor de gelegenheid tot Groene Rotterdammer omgedoopt nummer van dit weekblad gewag gemaakt van de onstuitbare ambitie van Rotterdam om de culturele hoofdstad van Nederland te worden. De nieuwe schouwburg (door de rappe volksmond al snel de 'Kist van Quist’ genoemd), de Fotobiënnale, het Theaterfestival, Poetry International, het waren toen de tekenen die het arrogante Amsterdam de stuipen op het lijf moesten jagen. Maar zoals Arthur Sonnen, de man die het Theaterfestival van Amsterdam naar Rotterdam verplaatste, toen in De Groene zei: 'Met dat nieuwe Rotterdamse culturele elan valt het wel mee, hoor. Het belangrijkste voordeel in Rotterdam is dat men afspraken die je maakt ook nakomt. Kom daar maar eens om in Amsterdam.’ Van die Euromasthoge ambities is de afgelopen tien jaar weinig terechtgekomen. Maar dat van die afsprakencultuur klopt nog steeds. Vraag het maar aan de directie van het Amsterdamse Filmmuseum, die de afgelopen jaren succesvol met Rotterdam onderhandelde over verregaande samenwerking met het Fotomuseum aldaar en een aantal andere Rotterdamse instellingen voor beeld en media, een en ander onder te brengen in een Instituut voor Beeldcultuur. Rotterdam stelde ruimhartig geld en goed in het vooruitzicht en werd daar vorige week door staatssecretaris Van der Ploeg voor beloond: het Instituut gaat, na nog wat gereken en gepraat, vrijwel zeker naar de Kop van Zuid, het paradepaard van bouwlustig Rotterdam. Amsterdam slaakt jammerklachten, maar al die tijd hebben de hoofdstedelijke bestuurderen achter de feiten aan gesukkeld. Het enige gebaar naar het Filmmuseum was een verdrievoudiging van de huur voor het fraaie paviljoen in het Vondelpark. Gelukkig weet men in Amsterdam wie daar schuld aan is: ex-wethouder Jikkie van der Giessen, die volgens het commentaar in Het Parool van afgelopen zaterdag 'niet vooruit te branden’ was en wier 'labbekakkerigheid’ de voornaamste oorzaak is van het vrijwel onvermijdelijke vertrek van het Filmmuseum uit de hoofdstad. VAN DER GIESSEN is sinds twee maanden bestuursvoorzitter van de Hogeschool voor Muziek en Theater in - jawel - Rotterdam: 'Ach, Het Parool kan kennelijk nog altijd niet bestaan zonder mij. En verder, ik heb het altijd bizar gevonden om te spreken van óf Rotterdam óf Amsterdam. Ik vind, die twee steden kunnen elkaars complement zijn, zeker in een wereld waarin de virtuele mogelijkheden almaar toenemen. Met Kombrink, mijn collega-wethouder in Rotterdam, had ik afgesproken: we zitten hier niet om elkaars instituten af te pakken - dat kan trouwens ook niet, want het zijn rijksinstituten. Dat de directie van het Filmmuseum ondertussen met Rotterdam is gaan praten over wat ze een “Huis van Illusies” noemden en dat nu dus Instituut voor Beeldcultuur gaat heten, daar sta ik buiten, want ik praatte met Dig Istha, de bestuursvoorzitter van het Filmmuseum, en die verzekerde mij dat het museum in Amsterdam wilde blijven. Kennelijk zitten directie en bestuur daar niet op één lijn. En wat betreft het nakomen van afspraken, toen het stadsdeel de huur van het Filmmuseum verhoogde, heb ik als wethouder van de Centrale Stad die verhoging onmiddellijk op me genomen op voorwaarde dat het bestuur bleef zeggen dat het museum in Amsterdam wilde blijven - aan die afspraak hebben ze zich gehouden.’ Inmiddels werkt de directie van het Filmmuseum, gesteund door haar bestuur en tezamen met de directies van de andere betrokken instituten, welgemoed aan de plannen voor het Rotterdamse 'Huis van Illusies’. Rotterdam doet in cultuurland precies datgene waar ze ook op andere terreinen in uitblinkt: kopen. Voorstellen doen die eenvoudigweg niet zijn af te slaan. Dat leidt in Amsterdam tot bittere commentaren, druipend van de frustratie. Nadat Rotterdam al eerder het Nederlands Architectuur Instituut had binnengesleept en ze haar eerste, zeer verleidelijke bod aan het Filmmuseum deed, klaagde men in de Amsterdamse pers: 'Het lijkt er verdacht veel op dat Rotterdam cultuur aan het opkopen is’, en: 'Het Filmmuseum zwicht voor het grote geld.’ Inderdaad geeft de stad Rotterdam het meeste cultuurgeld uit per hoofd van de bevolking: 288 gulden, bijna twee keer zo veel als gemiddeld in Nederland en bijna vijftig gulden meer dan Amsterdam. En met dat geld koopt Rotterdam zich vastberaden richting culturele hoofdstad. En dan niet die van Nederland, maar meteen die van Europa. In 2001, het jaar waarin wat Rotterdam betreft het Instituut voor Beeldcultuur zijn deuren zou kunnen openen, is de stad Culturele Hoofdstad van Europa - overigens tezamen met Porto, ook al zo'n havenstad die lijdt onder het culturele imperialisme van de hoofdstad. Hopla, daar gaat weer 51 miljoen Rotterdams gemeentegeld naar cultuur. Wat er met dat kapitaal moet gebeuren, weet men nog niet. Iets met 'bruggen bouwen’, heet het, bruggen tussen alles wat enigszins verschillend is: ouderen en jongeren, rijken en armen, allochtonen en autochtonen, Noord-Rotterdammers en Zuid-Rotterdammers, elitecultuur en populaire cultuur. Als het maar 'multi’ is: multicultureel, multidisciplinair, multizus en multizo. 'Rotterdam is vele steden’, luidt het Jan Hoet-achtige motto dat projectleider Bert van Meggelen voor de Culturele Hoofdstad verzon. De plannen worden momenteel 'in het veld’ voorbereid. 'Het is kort dag’, meldt de organisatie, 'maar in Rotterdam kan alles snel.’ SNEL, SNEL, SNEL, het ene cultuurfestijn na het andere, daar is Rotterdam goed in. De Parade, Rotterdam Streetlife, het Wilhelmina Zomers Festival, het Wonder op Waterfestival, het Rotterdam Zomerpodium, het Zomercarnaval met Straatparade, het Wereldhaven Festival, het Rotterdams Straatfestival, het Gergjev Festival, het Latin-American Festival, het Camaretten Festival, het Dunya Festival en de Piano Driedaagse - en dat moet allemaal nog dit jaar plaatsvinden. Jongens, aan de slag, kom op, werken! Het is de taal van Feyenoord-voorzitter Jorien van den Herik: 'Er is werk aan de winkel’, roept hij in een paginagrote advertentie in de Rotterdamse kranten van afgelopen zaterdag: 'Als we kampioen willen blijven, moeten we de handen uit de mouwen steken. Door het Feyenoord Premie Effect te kopen investeert u in de toekomst van uw club.’ Ajax, de Amsterdamse yuppenclub, gaat de beurs op, de Rotterdamse arbeidersclub zet obligaties uit die elke supporter zich met wat sparen - een roodwit varkentje op de schoorsteenmantel - kan veroorloven. Ajax-Feyenoord, het is hét symbool voor de rivaliteit tussen de twee steden. Vandaar dat de ene na de andere cultuur bons in zijn commentaar op de gunning van het Instituut voor Beeldcultuur aan Rotterdam benadrukt dat we de kwestie vooral niet in de voetbalsfeer moeten trekken. Is het de schrik na de Slag bij Beverwijk, waar een Ajax-supporter door een Feyenoord-klauwhamer naar de eeuwige voetbalvelden werd gejaagd? Of is het gewoon cyberrealisme: het inzicht dat door digitale snelwegen en elektromagnetische zweeftreinen niet alleen de fysieke maar ook de culturele afstand tussen beide steden in rap tempo aan het verdwijnen is? Onderzoek wijst uit dat nog slechts een slinkende minderheid van de bewoners der beide steden in een onverzoenlijke vete gelooft. Dat meldde althans het Algemeen Dagblad in een speciale bijlage die het eind vorig jaar wijdde aan de rivaliteit tussen hoofd- en havenstad. De Rotterdamse krant kon het evenwel niet nalaten hele sloten olie op het vetevuur te gooien. Het ontfutselde Wim Polak, ex-burgemeester van Amsterdam, zelfs de uitspraak: 'Rotterdam is een haven, Amsterdam speelt er een’ - wat een uiterst pijnlijke opmerking is in het licht van het bericht vorige week dat Rotterdam tezamen met Antwerpen een gigantische containerhaven in Vlissingen gaat bouwen om het inderdaad totaal misplaatste plan van Amsterdam voor een eigen containerhaven de wind uit de zeilen te nemen. In de AD-special verder vooral veel t voor de taal. Dialectoloog Ad van Daalen levert talloze bewijzen voor de stelling dat Amsterdams slechts een platte afwijking van het Nederlands behelst, terwijl het Rotterdams 'de centrale bron voor onze standaardtaal’ is en 'de belangrijkste doorvoerhaven voor Engelse leenwoorden’ zoals 'afnokken’ (to knock off), 'aftaaien’ (to tie up) en 'halve zool’ (asshole). Van Daalen wordt in die mening overigens flink tegengesproken door de zich 'rotterdammoloog’ noemende Jan Oudenaarden, van wie zojuist een vernieuwde en verbeterde versie verscheen van Wat zeggie? Azzie val dan leggie! (uitgeverij Donner Boeken). Rotterdams, betoogt Oudenaarden, is 'meer dan een verzameling taalfouten, met een accent uitgesproken’, Rotterdams is een heus dialect met geheel eigen regels, volgens welke zinnen als ’(’t Mos nie magge’ en 'Daddeme toffe jonges zijn, dat willeme wete’ grammaticaal volstrekt onberispelijk zijn. MET MIJN INKOPEN op zak zet ik me aan een zonovergoten wandeling over de Erasmusbrug, onderwijl doorfilosoferend over de controverse tussen Van Daalen en Oudenaarden. Zelf geboortig in het Groene Hart, halverwege Amsterdam en Rotterdam, kom ik op de zinderende Zwaan tot het melancholisch stemmende inzicht dat ik in de taal van Oudenaarden ben grootgebracht. 'Ik dopie in de naam van Jopie’ en 'Drolletje drie uit Overschie’ behoorden tot mijn kleuteridioom, 'Kijk naar je eige’ en 'Pleurt op!’ tot mijn pubertaal. Ik heb me er nooit voor hoeven schamen en kom er in Amsterdam meer dan voortreffelijk mee uit de voeten. Met andere woorden: Rotterdams is het standaard-Nederlands, en dankzij ras-Rotterdammers als Koos Speenhoff, Louis Davids, André van Duin en Paul de Leeuw hebben ook Amsterdammers een taal leren spreken die voor de Nederlandse standaardtaal kan doorgaan. Terwijl de zon aan zijn onherroepelijke daling is begonnen, nestel ik me op de speciaal voor dat doel aan de brug bevestigde mijmerplek: trappetje af, weg van het verkeerslawaai, en turen maar over die water vlakte, zo vele malen breder dan de Amstelsloot. Een fikse joint en ik vlieg weg, er volledig van overtuigd dat niemand ooit klaarder taal schreef dan de Rotterdamse verzenmaker Jules Deelder in het gedicht 'Aan de Maas’: Aan de Maas gezeten(turend in het zwerk(het stadsgeraas geweken ontstijgt men aan zichzelf Op hoger plan gekomen wiekend door de lucht de zwaartekracht te boven vindt men een ander terug O vogel van verlangen wiegend op de wind verlos ons van elkander en van elkaars gewicht NA ENIGE TIJD daal ik neer op een schitterend terras aan de voet van de Erasmusbrug op de Kop van Zuid: het terras van Café Rotterdam. Binnen afzienbare tijd zal dit het terras zijn waar gebruikers, bezoekers en medewerkers van het aanpalende Instituut voor Beeldcultuur heen zullen gaan voor hun lunchafspraken, pauzes en spijbeluurtjes. Wat een verademing! Het eten is er beter en goedkoper en de bediening vele malen vlotter dan op het terras van dat vermaledijde Vertigo, waar het Amsterdamse Filmmuseumpubliek nu op aangewezen is voor zijn versnaperingen. Tegenover me praat een Duits gezelschap over de vakbondsstrijd in de staalindustrie, aan een Zuid-Amerikaans gekleurde tafel discussieert men in vrijwel perfect standaard-Nederlands over drugshandel en politiek, Engelse meisjes hebben het ietsje verderop over een of ander kunstproject, een groep jongens drinkt na gedane voetbalarbeid een pilsje. Ik koester me wel eens in de gedachte hoe leuk het is dat Amsterdam, waar ik al het grootste deel van mijn leven woon, een wereldstad op dorpsformaat is. Maar ik heb stiekem ook een steeds weerkerende droom: dat ik ooit nog eens in een echte wereldstad mag wonen. Een onmetelijke stad, die je nooit helemaal zult kennen, die altijd geheimen zal behouden. Ik geloof niet dat Amsterdam nog geheimen voor mij heeft, dat die stad mij ooit nog zal verbazen. Rotterdam herbergt, zo besef ik daar aan de oever van de Maas, nog heel veel onbekends. Vlak achter de Kop van Zuid, met zijn magistrale architectuur, begint de derde wereld. Katendrecht, de Putselaan, Charlois - je vindt er verzamelingen volken die zich op lichtjaren afstand van standaard-Nederland bevinden. Kom daar maar eens om in de hoofdstad. Wanneer ik in de ondergaande zon terugwandel naar Terminal Blaak, om met zoete woelingen in de buik naar huis terug te zweven, weet ik het zeker: ik ben een Romsterdammer.