29 december 1910 - 2 september 2013

Ronald Coase

Ooit stelde de econoom Ronald Coase zich de vraag: waarom bestaan ondernemingen? Een simpele vraag. Goed voor de Nobelprijs.

Vorige week maandag overleed de Nobelprijs winnende econoom Ronald Coase. Hij werd 102. ‘My life has been interesting, concerned with academic affairs and on the whole successful’, schrijft Coase aan het eind van zijn autobiografisch essay voor het Nobelcomité. ‘But, on almost all occasions, what I have done has been determined by factors which were no part of my choosing. I have had “greatness thrust upon me”.’

Ronald Coase, zoon van een telegrafist en een secretaresse, groeide op in een flat in Willesden, Londen. In zijn autobiografisch essay vertelt hij dat zijn vader hem op zijn elfde levensjaar voor onderzoek naar een frenoloog bracht, iemand die gedrag en karakter denkt af te kunnen leiden uit de vorm van de schedel. Volgens de frenoloog was Coase ‘erg intelligent’ en had hij ‘grote mentale kracht’. Hij adviseerde Coase om bankier of accountant te worden en om tuinieren en vogels als hobby’s te nemen.

Na voltooiing van zijn middelbare school wilde Coase geschiedenis leren, maar hij kon geen Latijn. Toen poogde hij scheikunde te studeren, maar dat beviel niet. Als laatste uitweg koos Coase voor een opleiding bedrijfseconomie aan de befaamde London School of Economics. Daar leerde hij de ‘onzichtbare hand’ kennen, de kracht van de markt als economisch coördinatiemechanisme. Het maakte grote indruk. Hij besloot zich in zijn derde jaar definitief te specialiseren in economie in plaats van rechten.

In 1932 ging Coase op werkbezoek in de Verenigde Staten om daar de industriële structuur te bestuderen. Tijdens dit bezoek legde hij de basis voor een van zijn meest beroemde papers. Van Isaac Newton, die zich afvroeg waarom objecten eigenlijk naar beneden vallen, tot Noam Chomsky, die zich afvroeg hoe het kan dat kinderen een taal kunnen leren: wetenschap begint bij verwondering over schijnbaar simpele vragen. Coase stelde in zijn paper The Nature of the Firm (1937) ook zo’n simpele vraag: waarom bestaan ondernemingen?

Het prijsmechanisme, zo schrijft de economische theorie voor, is in de basis de meest efficiënte manier om vraag en aanbod bij elkaar te brengen. De markt zorgt voor de coördinatie tussen consument en producent en voor het gewenste evenwicht tussen vraag en aanbod. Niets werkt beter dan het vrije spel der economische krachten. De onderneming is anders. De allocatie van middelen binnen de onderneming wordt geregeld bij decreet. Of zoals Coase het in zijn baanbrekende paper stelde: ‘Als een werknemer binnen een onderneming van departement X naar departement Y wordt verplaatst, dan komt dit niet door een verandering van de prijzen, maar omdat hij dit opgelegd krijgt.’ De onderneming is, om het maar zo provocatief mogelijk te stellen, een soort planeconomie.

De oeso schat dat inmiddels zo’n veertig procent van alle import in Amerika binnen ondernemingen plaatsvindt (Ford China verkoopt een auto-onderdeel aan Ford usa). Als de markt zo’n efficiënt coördinatiemechanisme is, waarom is de plannende onderneming dan zo dominant? Waarom in plaats van de organisatie van een onderneming niet een verzameling van contracten tussen individuen over prijzen en voorwaarden die in de open markt tot stand komen?

Coase gaf een ingenieus antwoord. Er zijn transactiekosten, het kost geld om de markt te gebruiken. Als Volkswagen onderdelen in de open markt koopt, dan moet het bedrijf inspecties verrichten, contracten opstellen, onderhandelen, kortom kosten maken. Als het diezelfde onderdelen binnen de eigen onderneming produceert hoeven deze kosten niet gemaakt te worden. Er zijn dan andere kosten, bijvoorbeeld die van het onderhouden van een bureaucratie, maar dikwijls zijn deze kosten lager dan de kosten in de open markt.

Het is een mooi antwoord, niet al te radicaal en fijn economisch in zijn focus op kosten. Coase won er in 1991 dan ook de Nobelprijs voor. Hij beklaagde zich er in de jaren zeventig nog over dat de paper ‘veel geciteerd maar weinig gebruikt’ werd, maar ook hier is inmiddels verandering in gekomen. Economen als Oliver Williamson en Douglas North wisten, voortbordurend op het werk van Coase, zelfs ook een Nobelprijs te winnen.

Toch was er ook kritiek op Coase’s theorie van de onderneming, met name uit niet-economische hoek. Alfred Chandler, de Amerikaanse grondlegger van de geschiedschrijving van bedrijven, vond de transactiekostendoctrine weliswaar een grote verbetering ten opzichte van de standaard economische theorie, maar ook getuigen van een beperkte visie op de onderneming. Coase verklaart het bestaan van de onderneming eigenlijk door marktfalen. Hoge transactiekosten maken het gebruik van de anderszins efficiënte markt onrendabel. Zo’n negatieve formulering geeft te weinig gewicht aan de positieve rol van organisatie. De onderneming is niet een reactie op marktfalen, ze is juist een manifestatie van organisationeel succes, aldus Chandler. Google is niet succesvol omdat de markt te duur is, ze is succesvol door een sterke organisatie. Een organisatie die een constante stroom van innovatie – en daarmee lagere kosten en hogere opbrengsten – voortbrengt. Transactiekosten staan niet in steen geschreven. Ze zijn het gevolg van welbewuste organisatie en strategie. Door hun focus op marktfalen en transacties, in plaats van op de onderneming zelf, spant Coase het paard achter de wagen, vond Chandler.

Coase was een vernieuwend denker die vragen stelde die verder reikten. Door dergelijke vragen te stellen breidde Coase het werkgebied van de economie uit. Zijn werk was elegant, wars van wiskunde en schijnbaar simpel. In zijn eigen woorden: ‘I’ve never done anything that wasn’t obvious, and I didn’t know why other people didn’t do it.’

‘I’ve never done anything that wasn’t obvious’