De tien grootste problemen

Rondetafelgesprek: De noodzaak om gezien te worden

De wetenschappers Halleh Ghorashi, Hans Boutellier, Godfried Engbersen en Will Tiemeijer begeleidden het Groene-onderzoek naar de grootste problemen van deze tijd. Aan een ronde tafel bezien zij nu de resultaten. ‘Er zit niet echt cultuurpessimisme in.’

‘ER IS EEN GEBREK aan optimisme en positieve verhalen in Nederland’, zegt Halleh Ghorashi. ‘Ook de toonzetting van de antwoorden op het Groene-onderzoek is negatief. Wat betreft de meest overschatte problemen zijn we negatief in Nederland en waar we negatief over zouden moeten zijn, daarover zijn we stil. Bijvoorbeeld over duurzaamheid, sociale verantwoordelijkheid en corporate responsibility.’

‘Misschien’, oppert ze, ‘moeten we beginnen met de bijdragen van de politicologen Tjitske Akkerman en Tom van der Meer die stellen dat we te chagrijnig zijn.’

De vier leden van de begeleidingscommissie zijn het eens: de 75 wetenschappers die meededen aan het onderzoek vormen een mooi gezelschap, de variëteit van de sociale kwesties die ze aansnijden is groter dan verwacht, de consensus over immigratie en integratie als meest overschatte probleem is opmerkelijk, en de pessimistische toon van de meeste antwoorden is opvallend. Chagrijn is een te groot woord, maar er is weinig waar de wetenschappers zich vrolijk over betonen.

Nu ja, Will Tiemeijer moest lachen om de filosofen. ‘Als je een pakketje filosofen gaat lezen wordt het meteen anders. Die zeggen onmiddellijk: lastig begrip, “grootste probleem. Wat bedoel je daarmee?”’ En allen werden ze verrast door socioloog Ringo Ossewaarde, die de dood als het meest overschatte probleem aanduidt.

‘Maar als we mensen vragen naar problemen is het flauw om te zeggen dat ze pessimistisch zijn’, zegt Godfried Engbersen terecht.

Halleh Ghorashi laat het pessimisme voor wat het is en begint over iets anders wat haar opvalt: als je het geheel overziet, zit het vol tegenstellingen. Ze legt uit: ‘Immigratie en integratie worden het meest overschatte probleem genoemd, maar tegelijk zie je dat ze op andere punten als meest onderschat naar voren worden gebracht. Bijvoorbeeld als het gaat om gebrekkig onderwijs of onvoldoende waardering voor diversiteit. Of polarisatie. Ander voorbeeld: armoede wordt als probleem gezien, maar het markteconomisch denken ook. Net als het gebrek aan solidariteit dat daarmee samenhangt. Historicus Frank Ankersmit merkt op dat de westerse (neo)liberale marktmoraal aan betekenis verliest en vraagt om bezinning daarop. Tegelijk zie je dat erop gewezen wordt dat we achterlopen op China. Aan de ene kant moeten we ons bezinnen op economische groei en vooruitgang, tegelijkertijd moeten we ons meten met landen die goed scoren wat economische groei betreft. Dat zijn diepe tegenstellingen.’

Godfried Engbersen ziet een andere interessante discrepantie, namelijk een tussen de problemen van deskundigen en de publieke opinie. ‘Als het Sociaal en Cultureel Planbureau (SCP) mensen vraagt naar problemen zitten daar ongetwijfeld veiligheid, immigratie en werkloosheid bij’, zegt hij. ‘Maar de deskundigen zeggen: integratie en immigratie worden als probleem systematisch overschat. Met goede argumenten. Veiligheid idem. Het gaat objectief en subjectief beter. Ook over vergrijzing wordt gezegd dat het overschat wordt. Er is een kloof tussen de publieke opinie en de diagnose van de deskundigen. En een kloof met het regeerakkoord. Dat steekt een riedel af over veiligheid, migratie en neoliberale economie. Terwijl de deskundigen het punt maken: we hebben een sterke staat nodig. Niet een terugtredende maar een toetredende overheid, bijvoorbeeld in het onderwijs. Het zou interessant zijn om onze deskundigen te plaatsen tegenover de politieke elite die aan de macht is. Daar zit wrijving.’
Bij het SCP staat ook het gebrek aan normen en waarden altijd hoog genoteerd als zorg van de burgers. ‘De wetenschappers komen nauwelijks met moraal en religie op de proppen’, constateert Engbersen. ‘Er zit niet echt cultuurpessimisme in.’

DE BEGELEIDINGSCOMMISSIE heeft de eerste indrukken uitgewisseld. De drie hoogleraren Ghorashi, Boutellier en Engbersen en de WRR-onderzoeker Tiemeijer zijn betrokken geweest bij de formulering van de vragen van het onderzoek en bij de keuze van de vakgebieden en wetenschappers die erbij betrokken werden. Nu moeten ze zich, tijdens een diner, over het resultaat buigen, bedenken hoe de antwoorden geïnterpreteerd kunnen worden, hoe wij ze het best kunnen presenteren. Hans Boutellier begint over zijn schrik: het grote aantal antwoorden, het grote afvalpercentage – 75 van de tweehonderd aangeschreven wetenschappers deden mee –, de angst dat alleen een tweede echelon had geantwoord, de opluchting dat dat niet zo was, en dan de aard van de bijdragen – zo divers. ‘We moeten de antwoorden niet op één hoop gooien, maar per vakgebied bekijken’, stelt hij. ‘Daarop zijn de wetenschappers ook uitgenodigd, en zo moeten we de bijdragen dus beoordelen. Daarbij moeten we opletten: sommige vakgebieden zijn algemener dan andere. Filosofen en historici kunnen overal over praten. Mijn pleidooi: redeneer van algemeen naar specifiek.’

Ook Will Tiemeijer vindt dat het materiaal niet geschikt is om te zeggen: dit is de probleemagenda volgens de wetenschappelijke wereld. ‘Daarvoor is het te selectief’, zegt hij. ‘De wetenschappers hebben de vragen bovendien sterk naar eigen inzicht ingevuld. Maar als palet van problemen geschat door mensen met verstand van zaken is het al erg interessant.’

En zo belanden de wetenschappers in een methodologische discussie. Engbersen vindt dat we beter kunnen rubriceren naar probleem, maar Boutellier houdt zijn voorkeur voor een ordening naar vakgebied. ‘Neem Leo Huberts’, roept hij. ‘Die is bestuurskundige en noemt drie keer “bestuur”.’

‘Ach’, zegt Engbersen, ‘we zijn een modelboerderij. We hebben het beste bestuur ter wereld.’

Tiemeijer waarschuwt voor te veel interpretatie: ‘Pas op met alles te willen onderbrengen in een overkoepelende structuur. Laat de wetenschappers voor zichzelf spreken en beperk interpretatie tot een minimum. Het is een serieuze poging om een steekproef te krijgen van de Nederlandse wetenschappers, maar wat je uiteindelijk krijgt is het gammagedeelte en een respons van veertig procent van een selectie die je zelf hebt gemaakt. Je kunt wel op zoek gaan naar rode draden, maar je moet het niet te ingewikkeld maken.’

‘Je moet het niet gebruiken als onderzoeksmateriaal’, vult Boutellier aan. ‘De kern van de onderneming is: wat hebben mensen te melden over de problemen. Niet turven, niet tellen, niet te veel analyseren.’

En zo wordt er meer voorbehoud gemaakt. Doordat we geen bètawetenschappers hebben uitgenodigd is er relatief weinig gezegd over brandende kwesties als het milieu, uitputting van de natuurlijke hulpbronnen en de bio-industrie. Bovendien kunnen sociale wetenschappers daar niet met vakinhoudelijke expertise over praten. Boutellier vindt dat we niet voorzichtig genoeg kunnen zijn met het vergelijken van de problemen volgens de wetenschappers en de problemen in de ogen van de burgers. ‘Er blijft het gevaar voor het verwijt dat iedereen weliswaar heel verstandig is, maar dat het bij elkaar wel een beetje een linksige club is. Daarom ben ik er helemaal niet voor om de uitkomsten tegen de huidige politiek af te zetten. Je krijgt dan het beeld: de intellectuele elite is zich aan het verzetten tegen de politiek.’

‘Niet zozeer verzetten’, zegt Engbersen. ‘Je kunt ook zeggen: we hebben hier te maken met een zwevende elite die niet weet wat het volk wil.’

Will Tiemeijer: ‘Let op de toonzetting. Je moet niet zeggen: de burgers zitten er volledig naast.’

Terwijl een amuse – avocadomousse met Friese nagelkaas en zongedroogde tomaat – wordt geserveerd stemt de commissie ermee in dat we de problemen thematisch presenteren, mits met slagen om de arm.

‘Wat ik heel mooi vind aan de hoeveelheid materiaal bij elkaar’, zegt Halleh Ghorashi, ‘is dat al die verschillende wetenschappers ieder een aspect belichten waar anderen juist weer tegenstrijdigheden bij opwerpen, zoals Sjoerd Karsten dat doet in het kader van de paradox van het excellent onderwijs. Bijvoorbeeld dat we te weinig open zijn naar het buitenland én dat de Chinese ontwikkeling een bedreiging is. De Chinese en Indiase studenten in Amerika zijn ongelooflijk prestatiegericht en vormen de toptalenten van de nabije toekomst. Daarin wordt een bedreiging gezien, zeker in vergelijking met de luiheid van onze studenten. Als je die lijn vasthoudt, dan kom je bij een andere problematiek: waarom zijn de studenten hier zo lui? Omdat ze vanwege de verzorgingsstaat, vanwege de democratie meer keuzemogelijkheid hebben. Daarom zeg ik: zet tegenover elkaar hoe er geargumenteerd wordt. Dat is interessanter dan zeggen: sommigen zeggen dat we globaler, meer open moeten zijn.’

Godfried Engbersen: ‘Er zijn een hoop abstracte probleemdiagnoses, zoals “de globalisering”. Wat moet je daarmee? Het zwaartepunt verschuift naar Azië, so what? De pavlovreactie is vaak: daar moet de staat een oplossing voor vinden. Dat is typisch voor de huidige generatie wetenschappers, opgegroeid in een uitgebreide verzorgingsstaat. Hoe dat moet is vers twee. Daar zwijgen de meesten over.’

‘Dat hebben we ze ook niet gevraagd’, werpt Boutellier tegen.

Engbersen: ‘De wetenschappelijke diagnose is één ding, de vertaling een tweede. Sommige problemen zijn ook onoplosbaar.’

‘De macht van de wetenschap om oplossingen aan te dragen is beperkt’, zegt ook Ghorashi.

Tiemeijer: ‘Ja, maar je moet oppassen dat de lezer als hij het nummer uit heeft het gevoel krijgt dat de wetenschap het ook niet weet. Er zijn wel degelijk punten van consensus over wat echt een probleem is en wat niet.’

‘We moeten inderdaad niet bang zijn conclusies te trekken’, zegt Engbersen. Hij geeft meteen het goede voorbeeld: ‘Je treft hier een relatief kosmopolitische elite aan die een open samenleving bepleit waarin je je weerbaar moet opstellen. Sommigen, zoals Ewald Engelen, zijn ook niet bang om te spreken over bange witte mannen van 55-plus en ze de hoek in te drijven.’

HET VOORGERECHT WORDT opgediend en het gesprek verschuift naar de inhoud van de bijdragen. Veel wetenschappers noemen de legitimiteit van de huidige democratie als grootste probleem. Is dat nu ook echt waar, loopt onze democratie op de laatste benen, of is hier een aantal vakidioten aan het woord?
Engbersen: ‘De democratie als grootste probleem, dat is me een brug te ver. Het is de waan de dag, waardoor je niet beseft dat we hier nog steeds een zeer vitale democratie hebben. En dat zijn dan de politicologen over Nederland…’
‘Er zit beroepsdeformatie in’, nuanceert Tiemeijer. ‘Politicologen vinden altijd dat het systeem op z’n laatste benen loopt. Zoals bestuurskundigen altijd vinden dat het bestuur faalt.’

‘En sociologen denken altijd dat de samenleving uit elkaar valt’, vult Engbersen aan.

Halleh Ghorashi: ‘Een van de bewegingen die de democratie zo kwetsbaar maken is de combinatie van extreem individualisme en de globalisering. In de huidige tijd zijn mensen vooral bezig met hun kortetermijnbelangen waardoor engagement met duurzame, gemeenschappelijke problemen weinig draagvlak krijgt. Ook zijn er internationale effecten die ervoor zorgen dat mensen zich onveilig voelen, die gemeenschappen en autoriteit verloren doen gaan. De democratie en sociale zekerheid komen erdoor in de problemen. Als antwoord daarop komt een pleidooi voor sociaal engagement binnen en buiten nationale grenzen.’

Engbersen: ‘Veel auteurs hebben wel vertrouwen dat de instituties daar een antwoord op kunnen bieden. Ze treden de internationalisering positief tegemoet. Met goede argumenten, zie bijvoorbeeld het empirisch sterke stuk van historicus Leo Lucassen die laat zien dat we vooral hoogopgeleide westerse migranten binnenkrijgen. Die helaas veel te snel weer weggaan. Maar iemand als Willem Trommel zegt: dat leidt tot baanonzekerheid. Anderen suggereren weer een bedreigde middenklasse. De democratie is zeker een belangrijk thema.’

Hans Boutellier: ‘Het functioneren van de staat in een democratische rechtsstaat beschouw ik persoonlijk als een heel serieus probleem. Het wordt op verschillende manieren aan de orde gesteld. Door rechtsgeleerden, door bestuurskundigen. Dat is meer dan een aberratie van vakidioten.’
‘Het is zeker een reëel thema’, beaamt Engbersen. ‘Maar er doen zich twee dingen tegelijkertijd voor: democratiekritiek en kritiek op het functioneren van de overheid.’

‘Die hebben zeer direct met elkaar te maken’, zegt Boutellier. ‘Het gaat om de instituties van de democratische rechtsstaat, de rechtspraak bijvoorbeeld, en uiteindelijk ook de representatieve democratie.’

BIJ HET HOOFDGERECHT – zalm, tournedos en huisgemaakte frieten – komt het gesprek op de rol van de overheid. Sommige wetenschappers constateren een te aanwezige overheid; anderen stellen juist dat de overheid te weinig verantwoordelijkheid op zich neemt. Dat verschil in visie op de overheid verdeelt ook het gezelschap aan tafel. Halleh Ghorashi haalt bestuurskundige Willem Trommel aan, die in zijn bijdrage stelt dat de gulzige overheid alom aanwezig is.

‘Ik vind dat een beetje overdreven’, zegt Hans Boutellier. Hij legt er nog een schepje bovenop: ‘Ik vind het niet een beetje overdreven, ik vind het overdreven. Ik vind het een heel libertaire positie.’

‘Maar voor migranten en asielzoekers is de staat wel zeer aanwezig’, zegt Ghorashi, ‘alleen is die aanwezigheid heel subtiel. Als je van de meerderheidsgroep bent, ken je de onzichtbare bureaucratie waar migranten zich in moeten bewegen niet eens. In het asielzoekerscentrum is de staatscontrole heel direct, op het moment dat je een verblijfsvergunning hebt, dat je bepaalde rechten hebt, is het veel subtieler. Op al die niveaus geldt: je bestaat niet. De ander bepaalt in hoeverre je bestaat.’

Godfried Engbersen is het met haar eens: ‘Als je het over illegalen hebt, dan weet je wat de dominantie van de staat is. Je zit in procedures gevangen, ze laten je zes, zeven jaar wachten, het is afschuwelijk.’

Ghorashi: ‘Het gaat mij om de subtiele vormen. Over al die dingen die mensen tot nette burgers moeten maken. De cursussen die ze krijgen. Als je kijkt hoe amateuristisch dat eigenlijk wordt vormgegeven. Er is zo een groep vrouwen die tien keer dezelfde cursus krijgt. Ze klagen niet, want ze zien het als een kans het huis uit te komen. De staat wil deze mensen emanciperen, maar luistert niet, vraagt niet wat ze willen. Dat soort automatismen zie je heel veel.’

Boutellier wijst erop dat volgens een aantal wetenschappers in het onderzoek de dominantie van de staat niet alleen groot is voor migranten, maar voor iedereen, elke burger. ‘Dat vind ik overdreven. Het gaat voorbij aan wat mensen zelf kunnen bepalen, de mogelijkheden die historisch en cultureel gezien gigantisch zijn.’

‘Het probleem is dan dat veel mensen dat zelf niet kunnen bepalen’, zegt Ghorashi. ‘Of anders gezegd: sommige burgers hebben meer bewegingsruimte dan andere. En dat moeten we niet onderschatten. Als ze íets van de overheid willen, is het bescherming tegen overorganisatie en ruimte voor hun verhaal.’

‘Ik had een fietsvakantietje in Schotland’, vertelt Hans Boutellier, ‘en daar hing een enorme poster waarop stond: No state control. Social responsability. Thuis ging ik een beetje googelen. Het bleek een poster te zijn van de conservatieve Schotse partij, die het big society-idee van Phillip Blond uitdraagt. Het is volgens mij een sentiment dat ook hier sterk gaat worden, en waar ik niet zomaar tegen ben. Niet omdat de staat te betuttelend is, maar omdat we op het punt van veerkracht van de samenleving een probleem hebben gekregen.’

‘Ja maar’, werpt Godfried Engbersen tegen, ‘als je door de oude stadswijken loopt en je zegt big society, dan is het eerste wat je opvalt in die wijken het chagrijn, het gekanker, het verklikken, het zondebokgedrag. Daar zie je niet de positieve sociale controle die mensen in het gareel kan houden. Precies het omgekeerde. Misschien dat dat het geval is waar jij woont. Maar precies in die gebieden waar de overheid zicht terugtrekt en waar de big society juist niet aanwezig is – hoe krijg je daar die veerkracht?’

‘Dat is wel waar’, zegt Boutellier, ‘maar ik ben toch heel erg voor beleid dat aansluit op ordeningen die er al zijn. Dat is beter dan het idee: de overheid moet het allemaal regelen en ordenen.’

Ghorashi: ‘De paradox is dat het populisme de overheid kritiseert, maar nog meer overheid wil om het op te lossen.’

Boutellier: ‘Dat klopt. Dat komt doordat populisten niet de goede diagnose kunnen stellen. Er ligt een behoefte onder die leidt tot meer overheid, terwijl ze eigenlijk misschien wel minder willen.’

Ghorashi: ‘Maar de weerbare civil society, de groepen die een niche in de samenleving kunnen creëren, hebben de overheid alleen in faciliterende zin nodig. De mensen die voor meer overheid pleiten doen dat vooral op basis van negatieve ervaringen: meer veiligheid dus meer agenten op straat. Het is allemaal zo reactief.’

‘Is jouw stelling nou dat het populisme mede wordt veroorzaakt doordat mensen onvoldoende de gelegenheid wordt geboden om hun eigen leven vorm te geven?’ vraagt Tiemeijer aan Boutellier.

‘Dat is wel iets wat ermee te maken heeft’, antwoordt Boutellier. ‘Laat ik ’t anders zeggen: dat zou een positievere duiding kunnen geven van elementen die in het populisme zitten.’

WILL TIEMEIJER KOMT nog een keer terug op de staat van de Nederlandse democratie. ‘Ik denk dat onze democratie veel beter functioneert dan vaak wordt gedacht’, zegt hij. ‘Nederlanders zijn door en door democratisch georiënteerd. Er zijn ook mensen die zeggen: juist omdat het ideaal zo omhelsd wordt, valt op dat de werkelijkheid toch een beetje tegenvalt.’

Godfried Engbersen knikt en haalt politicoloog Herman van Gunsteren aan die zegt: het kenmerk van een vitale democratie is dat we om kunnen gaan met verschil en conflict. Engbersen: ‘En wat dat betreft doet Nederland het niet eens zo slecht. Het feit dat wij Wilders hebben is helemaal geen indicatie van een slechte democratie. Het is veel meer zijn toon – die heeft angstaanjagende kanten.’

‘Maar wat vind je van al die migrantenjongeren, tweede en derde generatie, die uitgescholden worden omdat ze migrant zijn?’ vraagt Halleh Ghorashi. ‘Is dat geen teken van een zwakke democratie?’

Engbersen: ‘Ik geef les aan de Erasmus, jij aan de VU, dat zijn de twee zwarte universiteiten van Nederland. In de collegezaal is een kwart tot een derde allochtoon. Het uitschelden komt voor en ik zie dat studenten meer vatbaar zijn voor discriminatie dan de oudere generatie. Maar je ziet tegelijk: ze nemen sleutelposities in, ze gaan promoveren. In Rotterdam zie je een snel opkomende middenklasse. Je ziet het ook aan de onderwijsprestaties.’

Ghorashi: ‘Het gevolg van sociale stijging is dat mensen het gevoel hebben dat ze alles hebben gedaan. “Ik heb stappen genomen, ik heb drie keer zo hard gewerkt. Maar dan wil ik wél gelijk behandeld worden.” De verwachtingen zijn hoger en de kwetsbaarheid is groter. Als onze studenten op hun niveau bedrijven en organisaties binnen willen komen, dan weet je niet wat ze meemaken.’

‘Je hebt gelijk’, zegt Engbersen. ‘Tegelijkertijd moet je constateren dat die groep doordringt tot de advocatenwereld, tot de artsenwereld.’

Hans Boutellier zegt peinzend: ‘Ik denk dat het gevoel van gebrek aan erkenning klopt, maar dat het voor heel veel mensen geldt. We hebben een soort samenleving gecreëerd waarin we de vanzelfsprekende waardering en bevestiging van wie je bent, zijn kwijtgeraakt. Daarom mijn pleidooi: probeer het niet te zoeken in de grote instituties en de grote verhalen.’

En zo eindigen we – bij de koffie – waarmee we waren begonnen: het chagrijn. Of beter: de noodzaak om gezien en erkend te worden.


De problemen van de burger

In het Continu Onderzoek Burgerperspectieven vraagt het Sociaal en Cultureel Planbureau mensen om in hun eigen bewoordingen aan te geven wat de belangrijkste problemen van Nederland zijn. Al drie jaar lang is de top-vijf ongewijzigd. ‘Samenleving, normen en waarden’ staat sinds 2008 met stip bovenaan. In de meest recente peiling staat ‘inkomen en economie’ op plaats twee, gevolgd door ‘criminaliteit en veiligheid’, ‘politiek en bestuur’ en op plaats vijf ‘immigratie en integratie’. Opvallende ontwikkeling: het vertrouwen in politiek en bestuur is flink toegenomen. Eind 2010 – voor het aantreden van het kabinet-Rutte – noemde bijna een vijfde van de bevolking dit als belangrijkste probleem. In het eerste kwartaal was dat cijfer gedaald tot iets meer dan tien procent. Ook concludeert het SCP dat Nederlanders positiever zijn gaan denken over integratie: 56 procent vindt dat er te negatief wordt gedacht over allochtonen. Toch blijft 54 procent bang dat ‘Nederland zijn eigenheid verliest’. Ruim de helft van de Nederlanders vindt dat er ‘te veel naar moslims wordt geluisterd’.


Het meest overschatte probleem: immigratie en integratie

Ze mogen verschillen in vakgebied, maar als 22 van de 75 wetenschappers allemaal hetzelfde probleem aandragen als meest overschat in Nederland mag je voorzichtig spreken van consensus. Het integratievraagstuk is lang niet zo groot en lang niet zo dringend als de meeste mensen denken, vindt nagenoeg een derde van de wetenschappers.

Politicologe Sarah de Lange schampert: ‘Het dierenleed in Nederlandse slachterijen, de discriminatie van homoseksuelen en joden, Europese ontwikkelingshulp aan ontwikkelingslanden, het Israëlisch-Palestijnse conflict, de stijgende kosten in de (geestelijke) gezondheidszorg, de toetreding van Turkije tot de Europese Unie en vandalisme in achterstandswijken en het openbaar vervoer worden allemaal en exclusief gezien als islam- of immigratieproblematiek. Aandacht voor de economische en sociale achtergronden van maatschappelijke problemen is er niet of nauwelijks meer.’ En econoom Paul de Beer lucht zijn hart: ‘Het moet maar eens gezegd worden dat het tijd is dat we een punt achter dit “probleem” zetten.’

Demograaf Govert Bijwaard: ‘Arbeidsmigratie vormt nu het belangrijkste motief om naar ons land te komen. Deze nieuwe migranten blijken zelden werkloos te worden.’ De politiek bestrijdt dus een probleem dat niet meer bestaat. En met de conflictstof valt het nogal mee, zegt socioloog Andreas Flache: ‘Over het algemeen wordt best positief gedacht over de “vriendelijkheid” en “eerlijkheid” van andere groepen, zowel door allochtone jongeren over autochtonen als andersom.’

Maar zoals deskundige bij uitstek Han Entzinger schrijft: ‘Het gevolg van de nodeloze problematisering is een groeiend onderling wantrouwen tussen autochtonen en allochtonen en een afnemend vertrouwen van allochtonen in hun eigen toekomst en in de Nederlandse samenleving. Zo kan een overschat probleem alsnog tot grote proporties uitgroeien.’ En bij socioloog Ruben Gowricharn klinkt de bitterheid door: ‘Er is een middenklasse ontstaan, de tweede generatie schittert in het hoger onderwijs, het etnisch ondernemerschap
bloeit, enzovoort. Maar in de beleving en in de politiek vormen allochtonen een levensgroot probleem.’

Over een jaar of tien is één op de vier Nederlanders van andere afkomst – daarmee verdwijnt het probleem vanzelf, oppert sociaal-psycholoog Jan Pieter van Oudenhoven. Maar historicus Leo Lucassen en anderen zijn minder optimistisch. We schieten onszelf in de voet, want we hebben juist meer immigranten nodig voor onze welvaart. Aldus wordt het meest overschatte probleem alsnog een onderschatte kwestie: hoe we ons land ook voor buitenstaanders aantrekkelijk houden.