‘Wat is ons Higgs-deeltje?’

Rondetafelgesprek over de geesteswetenschappen

Wat is in deze digitale tijden het belang van de geesteswetenschappen? Hoe ziet hun toekomst eruit? In dit derde grote onderzoek naar de stand van de wetenschap schreef De Groene Amsterdammer ruim driehonderd alfawetenschappers aan. Vijf geleerden praten over het resultaat. ‘We zijn internationaal competitief geworden.’

Medium casper twee culturen worden e cc 81e cc 81n 2 kleur

‘Crisis, what crisis?’ – dat moet volgens José van Dijck de noemer worden van de special van De Groene Amsterdammer over de geesteswetenschappen. De alfastudies in Nederland komen de laatste jaren vooral zorgelijk in het nieuws. Dan gaat het over financieringsproblemen, bezuinigingen en stagnerende studentenaantallen, met name bij de talen. Het topsectorenbeleid, geïntroduceerd door het kabinet-Rutte I, richt zich op de wetenschapsgebieden waar Nederland economisch in uitblinkt en daar spelen de humaniora maar een schamele rol in. Vorig jaar maakte de Rijksuniversiteit Groningen bekend dat ze stopt met de laatste bachelorstudies Fins en Hongaars hier te lande en de Universiteit Utrecht wil de unieke opleiding Portugees opheffen. Specialistische vakgebieden leggen het loodje ten faveure van brede studierichtingen als media- en Europese studies, tot groot ongenoegen van de klassieke geesteswetenschapper. En ook in het middelbaar onderwijs zijn de letteren en de kunsten steeds meer ondergeschoven kindjes.

De veronderstelde crisis van de humaniora, die overigens internationaal is, was aanleiding voor De Groene Amsterdammer om ruim driehonderd Nederlandse geesteswetenschappers aan te schrijven en ze te vragen naar de belangrijkste ontwikkelingen van hun vak en naar hun visie op het belang en de toekomst van de alfawetenschappen. De reacties stroomden binnen, meer dan honderd bij elkaar. En wat daar onmiddellijk bij opvalt, is dat de alarmerende toon nagenoeg ontbreekt. De toonzetting van de bijdragen is overwegend positief. Natuurlijk, sommige vakken staan onder druk, maar over het geheel genomen bruist het in de geesteswetenschappen. Het is zelfs niet overdreven om te zeggen dat zich in de humaniora een aantal stille revoluties voltrekken. Dus: crisis, what crisis?

In het restaurant van De Waag in Amsterdam praten we met vijf geesteswetenschappers die alle bijdragen hebben gelezen: José van Dijck, hoogleraar mediastudies en van 2008 tot 2011 decaan geesteswetenschappen aan de Universiteit van Amsterdam; Kitty Zijlmans, hoogleraar kunstgeschiedenis aan de Universiteit Leiden; Maarten Prak, hoogleraar sociale geschiedenis aan de Universiteit Utrecht; en Jelle Koopmans, universitair hoofddocent Romaanse taal- en letterkunde aan de UvA en voorzitter van de raad voor geesteswetenschappen van de Koninklijke Nederlandse Akademie van Wetenschappen (knaw). Rens Bod, hoogleraar computanionele en digitale geesteswetenschappen, zal later aanschuiven. Ze komen opgetogen binnen: de hoeveelheid en de strekking van de bijdragen heeft ze verrast.

‘Ik heb een soort samenvatting gemaakt van de reacties in zes woorden, die allemaal met een i beginnen’, begint José van Dijck. ‘Dat is afgekeken van Paul Schnabel, die de vijf i’s van deze tijd identificeert, van individualisering tot internationalisering. Op de eerste plaats komt informatisering en digitalisering als ontwikkeling. Op de tweede plaats interdisciplinarisering. Dat had ik niet verwacht, maar heel veel mensen hebben het erover, zowel over interdisciplinaire samenwerking binnen de geesteswetenschappen als met veel vakgebieden daarbuiten. Op de derde plaats staat internationalisering, ook tot mijn grote verbazing. Verschillende mensen stellen: twintig jaar geleden deden we nog niet aan globale geschiedenis. Het vierde waar de geesteswetenschappen van oudsher voor staan en blijven staan is interpretatie. Reflectie, ethiek, kritiek over de mens en de samenleving. Dat is onze waarde, dat voegen wij toe. Het vijfde…’

‘Nu wordt het spannend!’ roept Maarten Prak tussendoor.

‘… interculturalisering. Dat komt minder voor dan ik verwacht had, het had wat mij betreft een van de grootste ontwikkelingen kunnen zijn. Internationalisering houdt in dat mensen hun vakgebied internationaal zijn gaan beoefenen, bij interculturalisering gaat het meer om identiteit, meertaligheid, cultuurrelativisme. En het zesde, ik geef toe, dat i-woord is een beetje vergezocht, is ingewikkeldheid, complexiteit. Van economische processen, financiële crises tot en met grote internationale vraagstukken en de technologisering – het zijn zulke complexe maatschappelijke fenomenen geworden, daar zijn juist de geesteswetenschappen voor nodig, als een soort spin in het web. Wij kunnen een visie op de samenleving geven. Dat is mijn top zes; de volgorde is bepaald door wat het meest voorkwam.’

‘Maar dit is niet wetenschappelijk empirisch geschraagd’, voegt ze er schielijk aan toe.

‘In de interdisciplinariteit springen de neurowetenschappen eruit’, zegt Jelle Koopmans. ‘Dat is al langer een tendens: we zijn bezig neuro te gaan.’

‘Neuro en e-’, vat Kitty Zijlmans samen.

José van Dijck: ‘What makes us human? Daar gaat het om. Een tijd geleden was dat een onstelbare vraag’

‘Ik heb er eigenlijk een ander verhaal uitgehaald’, zegt Maarten Prak. ‘Ik heb met grote letters geschreven: revolutie. Met uitroepteken en onderstreept. Het echt opzienbarende naar mijn smaak is het denken in termen van data. De geesteswetenschappen individualiseren van oudsher. Als je tegen een historicus zegt: “Er zijn drie redenen waarom de Tweede Wereldoorlog is uitgebroken”, dan zegt iedere historicus: “Drie? Ik weet er nog zo vijf!” Dus hij geeft geen spaarzame verklaringen, maar eindeloze lijstjes, niet gehinderd door al te veel methodologische of theoretische beperkingen, want daar zijn we heel slecht in. Maar big data vereist een meer systematische aanpak, vereist theorie en methode, anders kun je er helemaal niks mee. En daarmee hangt direct samen: groepswerk.

Wat ook met het denken in termen van data samenhangt: grote vragen stellen. Dat was de afgelopen 25 jaar not done. We waren heel sterk in de ban van het postmodernisme, op een gegeven moment wisten we allemaal dat grote vragen constructies waren. Grote vragen mogen nu weer. Dat zijn vragen die niet alleen wetenschappelijk zijn maar tegelijkertijd ook een maatschappelijke component hebben. Een van de dingen die hier onder liggen, denk ik, is het besef dat de samenleving uiteindelijk uit mensen bestaat en dat geesteswetenschappen, hoe onsystematisch vaak ook, gaan over mensenwerk.’

Van Dijck vult aan: ‘What makes us human? daar gaat het om. Een tijd geleden was dat een onstelbare vraag.’

Prak: ‘Die vraag heeft ook een component die in het topsectorenbeleid juist ontbreekt, dat maakt het zo interessant. Iedereen die je ernaar vraagt, vindt dat ook een kapitale vergissing. Want om alle innovaties te laten landen, moet je nadenken over de maatschappelijke context waarin ze terechtkomen en dat is bij uitstek iets waar de sociale en geesteswetenschappen over gaan.’

‘Wat vind je dan de revolutie?’ vraagt Kitty Zijlmans.

‘Dat we gaan van het singuliere naar het algemene’, zegt Prak. ‘Naar denken in termen van data over het materiaal dat we bestuderen. Dat is iets heel anders dan: “Ik bestudeer nu Shakespeare.” Voor de goede orde: al deze mensen die een bijdrage hebben geleverd zeggen dat het heel belangrijk is, maar ze doen het niet allemaal. Maar het feit dat zo veel mensen zeggen: dit is hoe de toekomst eruit gaat zien, vind ik opzienbarend. En ze zeggen er niet eens bij: we hebben onze ziel verkocht… Als dit niet de revolutie is, dan zou dat woord niet gebruikt mogen worden.’

‘Wat mij opviel’, zegt Kitty Zijlmans, ‘is dat er veel nadruk wordt gelegd op het feit dat de geesteswetenschappen belang hebben door het stellen van vragen en door de aard van die vragen. Wat maakt ons mens? – het stellen van die vraag is een van onze grote functies. De aard van de vragen in de geesteswetenschappen is gelaagdheid, we zoeken naar verdieping, naar ambiguïteit, dus niet de waan van de dag.

Als ik aan de i’s denk, dan kan ik nog intermedialiteit toevoegen en intertextualiteit. Ze komen alleen allebei nauwelijks voor in de bijdragen. En je ziet dat de grens tussen high en low zo langzamerhand is weggevaagd. Dat zou ik ook een van de revoluties noemen. De trivialisering brengt met zich mee dat je je niet meer met dat ene kunstwerk bezighoudt.’

Jelle Koopmans, plechtig: ‘Het einde van het meesterwerk.’

José van Dijck: ‘Als ik denk aan de huidige economische crisis – wat is daar de ethische dimensie van?’

Het voorgerecht wordt opgediend en we praten verder over de big data-revolutie in de geesteswetenschappen. Wat die precies gaat behelzen is nog lang niet uitgetekend. ‘Een aantal mensen merkt terecht op dat de e-humanities vooral over methoden gaan’, stelt José van Dijck: ‘We hebben een andere methode gekregen om materiaal te onderzoeken, maar de vragen die je daarbij kunt stellen zijn de volgende stap. We hebben onze vraagstelling nog niet aangepast aan de nieuwe methodologie.’

‘Daarvoor is het nog te vroeg en te veel in ontwikkeling’, vindt Jelle Koopmans.

Van Dijck vervolgt: ‘Alleen al het feit dat we uiteenlopend materiaal als data definiëren en naast elkaar kunnen zetten – om me tot mijn eigen gebied te beperken: televisie en radio en kranten – is een revolutie. Vroeger had je stapels papier en dan moest je ook naar archieven voor beeld en geluid – dat was gewoon niet te doen. Zodra je ze in één systeem naast elkaar kunt krijgen, kun je opeens een publiek debat tussen zeg 1970 en 1999 onderzoeken op basis van het beschikbare materiaal. Alleen: ik heb de vragen nog niet verzonnen, want dit kan pas net.’

Maarten Prak knikt: ‘Het is bijna zo dat je het idee hebt dat eerst de technologie er is. Dat mensen zeggen: “Jeetje, al die romans die je nu digitaal kunt doorzoeken op woordcombinaties…” Eigenlijk zitten we in het stadium dat we allemaal nieuwe dingen kunnen, maar we hebben inderdaad de vragen nog niet die daarbij horen. In zekere zin is het een bijna aanbodgedreven ontwikkeling, waarbij de mogelijkheden nieuwe vragen oproepen.’

Hij vertelt: ‘Ik kom uit een vakgebied waar dit nu juist honderd jaar geleden is gebeurd. In de sociale geschiedenis hadden we het probleem dat we niet het leven van alle individuen stuk voor stuk konden beschrijven. Al rond 1900 zijn we overgegaan op het idee dat als je trouw- en begraafregisters had en die maar flink door de molen haalde je daar mooie tabellen en grafieken van kon maken. Dan wist je wat van de mensen. Wat mij verbaast is dat je deze aanpak nu opeens vanuit alle hoeken ziet optreden in de cultuurhoek van de geesteswetenschappen, waar er altijd verzet was tegen kwantitatieve methoden. Wanneer je zulke grote datasets creëert, is het bijna vanzelfsprekend dat je daar ook grote vragen bij stelt. Want je kunt niet meer praten over het unieke onderdeel van die dataset. Je moet juist vragen formuleren en theorieën ontwikkelen die over die in feite anonieme hoop cijfers gaan. Dus ik zie het als een volgorde die eigenlijk bijna contra-intuïtief is. Je denkt: wetenschappers hebben een vraag en daar zoeken ze de gegevens bij. Maar wat je hier ziet gebeuren is het omgekeerde. Dat is het verschil met 1900. Toen was er onder druk van sociale bewegingen vraag naar wat gewone mensen in de geschiedenis hadden gedaan. Niet alleen meer koning, keizer, admiraal. De sociale geschiedenis was wel vraaggedreven en zocht daarna de data bij elkaar. In mijn vakgebied zie je dat er al veel langer grote vragen over economische groei en sociale ongelijkheid worden gesteld.’

Als iedereen zich op de big data werpt, ziet Prak ook nog een andere consequentie. ‘Ik was gisteren in het Rijksmuseum en had het erover met een conservator: straks kan geen enkele kunsthistoricus meer een schilderij interpreteren, want ze zijn allemaal met de kunstmarkt bezig.’

Kitty Zijlmans moet lachen en relativeert: ‘Heel veel kunsthistorici gaan toch nog met dat singuliere kunstwerk aan de slag. Dat geldt ook voor mezelf, juist omdat het singuliere kunstwerk mij een toegang biedt tot de wereld die ik op een andere manier niet krijg. Als ik generaliseer kom ik in genres terecht, en dat vind ik veel minder interessant. Maar het singuliere staat natuurlijk niet op zichzelf. Daarom is het kijken naar de sociale positie die een kunstenaar inneemt en naar de markt als gegeven een belangrijke ontwikkeling. De revolutie in de kunstgeschiedenis is dat de betekenis niet meer alleen in dat singuliere ding zit, als je de sleutel maar hebt, nee, betekenis is een productie tussen werk, context, viewers. Dat is een majeur verschil met vroeger, waarin het draaide om hermeneutiek en de intrinsieke waarde in de dingen. Maar je kunt het singuliere werk nooit zomaar overboord gooien, want dan kun je de kunstenaars ook wel overboord gooien. En waar blijft de kunst dan?’

Het gesprek verplaatst zich naar de relevantie van de geesteswetenschappen, een discussie die ook binnen de nwo, de Nederlandse Organisatie voor Wetenschappelijk Onderzoek, wordt gevoerd. Bij het verwerven van onderzoeksgelden is die relevantie steeds meer een voorwaarde. Bij natuurkunde is het simpel, daar zijn de aanwezigen het over eens, daar gaat het om een deeltjesversneller en daar moet subsidie voor komen.

‘De vraag is: wat is onze deeltjesversneller?’ zegt José van Dijck. ‘Wat is ons Higgs-deeltje? Twintig jaar geleden werd nooit naar maatschappelijke relevantie gevraagd bij nwo-voorstellen. Nu moet je de relevantie van je onderzoek echt verdedigen. Wij hebben geen Higgs-deeltje. Maar wij hebben een superrelevante vraag: what makes us human?’

Maarten Prak: ‘We gaan van het singuliere naar het algemene. Dat is iets heel anders dan: ik bestudeer nu Shakespeare’

Koopmans: ‘Het is ook allemaal een beetje jongensboekenromantiek: ontdekkingen in natuurkunde en sterrenkunde. Maar wij hebben ook wel zulk soort dingen. Als het Pictisch kan worden ontcijferd staat dat morgen in The New York Times. Maar heeft de samenleving daar iets aan? Nee. Het zijn de jongensdingen die we spannend vinden: speuren en ontcijferen.’

‘De natuurwetenschappen hebben een unified theory’, verzucht Prak, ‘dat is het hele punt. Bij ons is het bijna het tegenovergestelde. Maar “what makes us human?” wordt een interessante onderzoeksagenda als we een paar kernbegrippen zouden hebben.’

‘Het is ook relevant voor iedereen’, zegt Kitty Zijlmans. ‘Bijvoorbeeld als je denkt in termen van cyborgs, van mens-machines, wat we inmiddels steeds meer zijn. Of het nu het mobieltje is of Twitter, we hangen allemaal in de “cloud”. We hebben ons mens-zijn onlosmakelijk verbonden met digitale en technologische ontwikkelingen en weten nog helemaal niet wat dat eigenlijk gaat betekenen. Dan is de vraag wat ons menselijk maakt een ongelooflijk belangrijke. De technologie maakt ons in zekere zin wat Rosi Braidotti posthuman noemt. Mensen raken in paniek als ze een uur lang hun mobiel niet aan kunnen hebben.’

Van Dijck: ‘Een ander aspect is de ethiek: wat is er goed en slecht aan mensen en de systemen die ze ontwerpen? Als ik denk aan de huidige economische crisis en het economische model – wat is daar de ethische dimensie van? Dezelfde complexiteit van de digitale mens geldt voor de homo economicus. Het boeiende is dat die systemen in elkaar overvloeien, want de economische crisis zou misschien niet bestaan als die niet gestut zou worden door digitale systemen, waardoor alles zo complex is dat mensen het niet meer begrijpen.’

Prak: ‘De grote vragen hebben binnen ons domein ook een morele dimensie, of een oordelende dimensie. Het gaat toch om mooi of lelijk, goed of slecht, dat soort kwesties. Het is een kracht van de geesteswetenschappen en een heel groot probleem voor die datasets, want als het bijvoorbeeld gaat om beeld, dan kun je wel beeldherkenning laten doen, maar om zo’n machine nou een goed schilderij van een slecht schilderij te laten onderscheiden…’

Zijlmans: ‘Je hebt kunsthistorici die zich met neuro bezighouden en neurowetenschappers die zich met kunst bezighouden en het geluk wil dat bij mij iemand kunstgeschiedenis heeft gedaan die hoogleraar neurologie was. Ik heb hem gevraagd: wil je de literatuur over neuro-art voor mij bestuderen? Hij zei toen: “Het is fascinerend om te zien wat we allemaal kunnen met de nieuwe technologie, maar je krijgt er niet uit waarom een landschap van Ruysdael mooi wordt gevonden en dat van een ander niet.” Precies hetzelfde gebied in de hersenen licht op.’

Het hoofdgerecht wordt opgediend – zalm, piepkuiken, steak – en we praten over de crisis die, althans publiekelijk, over de geesteswetenschappen hangt.

‘Wordt die crisis ons niet aangekletst?’ vraagt Kitty Zijlmans.

‘In bepaalde gebieden is het wel crisis’, zegt Jelle Koopmans. ‘De talen hebben een probleem.’

Kitty Zijlmans: ‘Met de neurotechnologie weet je nog niet waarom een landschap van Ruysdael mooi wordt gevonden’

Zijlmans beaamt: ‘Er wordt gekeken hoeveel studenten iets studeren. Dan heb je talen waar tien studenten per jaar op af komen en daar kun je geen vakgroep van in de lucht houden. Dus hoe houd je de expertise en geef je die eventueel een andere invulling?’

Prak, voorzichtig: ‘Maar een studie waar systematisch maar twee studenten op af komen – ik wil niet zegen dat die daarmee irrelevant is, maar dan heb je de dood in de pot. Die ene meneer of mevrouw zit daar vijftig jaar lang een winkel te bestieren met een junior erbij. Of dat een intellectueel gezonde situatie is, is de vraag.’

Koopmans: ‘Er is een mooi voorbeeld van de hoogleraar Hettitisch, die tegen zijn studenten zei: “Jullie kunnen wel afstuderen in dit vak, maar er is maar één baan in, en die heb ik.” En de roman Het liefdeleven der Priargen van Manuel van Loggem begint op de dag dat een hoogleraar in oud-Priargisch ontdekt dat zijn laatste collega, in Oxford, is overleden. Het is wel waar dat bepaalde unica, met weinig studenten en weinig beoefenaren over de hele wereld, er anders aan toe hadden kunnen zijn. Sommige vakgroepen hebben twintig jaar nauwelijks studenten gehad en alle tijd gehad het vak opnieuw uit te vinden, maar ze hebben niks gedaan.’

Van Dijck: ‘Ik heb er geen probleem mee dat de kleine talen in Europees perspectief worden bezien. We kunnen niet pretenderen dat we alle talen van de wereld in ons kleine land bestuderen. En stel dat je hier in je eentje zit, terwijl je als het om heel Europa gaat met z’n drieën kunt zijn. Dan zit je niet als een verloren schaapje te wachten tot er iemand komt.’

Zijlmans: ‘Je kunt er wel de vraaggestuurde ontwikkeling aan aflezen. De vakken waar grotere groepen studenten op af komen, zijn uiteindelijk de vakken die nog aangeboden worden. Maar als zich voor een vakje als Fins maar één iemand aanmeldt, gaan we het niet meer doen. Dat is dan een politieke, maar ook een inhoudelijke kwestie: in hoeverre willen we het palet, het geheel blijven vertegenwoordigen, en wat is dan dat geheel, dat encyclopedische van de geesteswetenschappen.’

Koopmans: ‘Het is waar dat het onderzoeksvolume in de geesteswetenschappen in Nederland voor een groot deel door de studiekeuze van achttienjarigen bepaald wordt. En dat is heel curieus. Als die geen Duits willen studeren, is er geen onderzoek in Duits.

Wat wij als knaw met onze rapportage over de witte vlekken aan de staatssecretaris duidelijk hebben willen maken is: er is een economisch belang, maar er is ook een maatschappelijk belang. Bijvoorbeeld: er moeten leraren Duits worden opgeleid. Het hele topsectorenbeleid is blind voor die vraag van de maatschappij.’

‘Ik vraag me nog altijd af’, zegt José van Dijck: ‘Wat heeft een bioloog of medicus of informaticus aan de geesteswetenschappen? Bij geesteswetenschappers heb ik altijd het idee dat ze zich een soort Calimero voelen: zij zijn groot en wij zijn klein. Geesteswetenschappers hebben dat Calimero-gevoel vaak geïnternaliseerd. Ze mokken dan: bèta’s nodigen ons niet uit om iets aan hun kennis bij te dragen. Terwijl ik denk: zorg dat jouw vragen interessant zijn voor hen!’

Maarten Prak vindt het Calimero-complex om een andere reden onzinnig: ‘Als je naar de afgelopen veertig jaar kijkt, zie je dat de faculteiten geesteswetenschappen enorm gegroeid zijn. Dat is waanzinnig. In Nederland is bovendien nooit een onderscheid gemaakt tussen de topuniversiteiten en de rest. We zijn kampioen in de subtop. Lees Times Higher Education, daar wordt keurig in uitgelegd: per hoofd van de bevolking is er geen land dat zoveel top-200-universiteiten heeft. En onze faculteiten geesteswetenschappen behoren tot de absolute top.’

Jelle Koopmans: ‘De hoogleraar Hettitisch zei tegen zijn studenten: “Er is maar één baan in dit vak, en die heb ik”’

‘In alle rankings staan de geesteswetenschappen hoger dan alle andere faculteiten’, beaamt Van Dijck.

Prak: ‘Iedereen klaagt maar over hoe de geesteswetenschappen in de knel zitten, maar een feit is dat ons domein in de afgelopen 25 jaar enorm is uitgebreid. Het klopt dat het aantal studenten nóg verder is uitgebreid, dus de productiviteit van onze sector is in 25 jaar exponentieel toegenomen. Veel meer dan in de industrie of waar dan ook, gemeten naar het aantal studenten dat afstudeert en het aantal publicaties dat wij afleveren. Als je daar ook nog kwaliteit in zou kunnen opnemen zou het nog veel meer het geval zijn. In de tijd dat ik promoveerde, publiceerden we in nationale tijdschriften. We zijn internationaal competitief geworden.’

Van Dijck: ‘Zal ik een grapje vertellen dat onder decanen vaak wordt verteld? Komt een bèta-decaan bij de voorzitter van het college van bestuur. Hij is fysicus en komt vijftig miljoen vragen voor een deeltjesversneller. Zegt de cvb-voorzitter tegen die decaan: “Waarom moeten jullie altijd zo duur zijn. Kijk eens naar de sociale wetenschappen, die vragen niet eens een miljoen, die hebben slechts een paar computers nodig en een prullenbak. En kijk eens naar de geesteswetenschappen: die hebben niet eens een prullenbak nodig.”’

Rens Bod komt binnen. Vooruit, hij wil nog wel een toetje, ook al is het zijn tweede van de avond. Hij komt als geroepen. Hij werkt op het Amsterdamse Science Park, een plek waar je niet snel geesteswetenschappers vermoedt, en is zowel verbonden aan de faculteit der geesteswetenschappen als aan de faculteit der natuurwetenschappen, wiskunde en informatica. In 2010 publiceerde hij bij uitgeverij Prometheus De vergeten wetenschappen: Een geschiedenis van de humaniora waarin hij beschrijft hoe alfawetenschappers uit India, China, Afrika en Europa de maatschappij ingrijpend hebben beïnvloed: de ontdekking van een grammatica voor het Sanskriet leidde tot de eerste programmeertalen, terwijl de ontdekking dat talen aan elkaar verwant zijn de genetica inluidde. Geesteswetenschappers maken kortom net als bèta’s geschiedenis. Bod is in Nederland de man van de digital humanities.

‘Ik vind het spannend’, zegt hij dan ook, ‘dat een kleine meerderheid de digitale revolutie omarmt, de ontwikkeling dat je kunt zoeken in enorme hoeveelheden digitale data die beschikbaar zijn. Ik noem zelf altijd, als ik mensen over de streep moet trekken, het opengaan van de archieven in de negentiende eeuw. Toen zeiden de historici ook: de echte bronnen zijn te vinden bij auteurs als Thucydides en Herodotus. De historicus Leopold von Ranke daarentegen stuurde zijn studenten de archieven in. Het werd het model voor de moderne geschiedwetenschap. Iets dergelijks zie je nu ook weer bij de explosie van digitale data in de geesteswetenschappen, van tweets tot digitale historische documenten. Het kan nu allemaal worden meegenomen, hoewel er ook weerstand tegen bestaat.’

Prak: ‘Mensen beseffen dat big data belangrijk is, maar er is heel weinig ervaring mee.’

‘Dat is ook wel begrijpelijk’, zegt Rens Bod, ‘want het bestaat nog maar heel kort. Maar de digitale methode bestond eigenlijk al voor het digitale bestond. Dat klinkt als een paradox, maar als je bijvoorbeeld naar het iconoclass-programma kijkt van de kunsthistoricus Henri van de Waal, die classificaties maakte met getallen waar hij de hele westerse kunst in kon onderbrengen. De bibliotheekwetenschappen maakten al in de negentiende eeuw digitale onderscheiden, voor er überhaupt computers bestonden.’

De anderen praten hem bij over consensus die zij eerder hadden over de digitale geesteswetenschap: er zijn nu allemaal nieuwe mogelijkheden voorhanden, maar er is een probleem om goede vragen te formuleren.

Bod denkt even na: ‘Er worden wel goede vragen geformuleerd, hoor. Een van de grote onderzoeksvragen die we nu bijvoorbeeld met digitale middelen willen oplossen is: wat zijn de historische oorzaken van ongelijkheden in de wereld? In meervoud. Dat is heel slecht onderzocht. Het is een van de vragen voor het Center of Digital Humanities dat we nu in samenwerking met de VU en de knaw hebben opgericht. We moeten nu dergelijke vragen bedenken en sommige van die vragen zijn ook al bedacht. Bijvoorbeeld een van de vragen van kunsthistorici: welk schilderij hing waar in de Gouden Eeuw? Als je dat precies uitzoekt, kun je dat verbinden met een nog interessantere vraag, uit economisch oogpunt: waren schilders die trouwden met dochters van uitgevers nu wel of niet succesvoller dan andere schilders? Dat is niet een vraag die eenvoudig is op te lossen.’

Rens Bod: ‘Waren 17de-eeuwse schilders die trouwden met dochters van uitgevers succesvoller dan andere schilders?’

‘Maar dat zou ik niet classificeren onder Grote Vragen’, zegt Maarten Prak droog.

Bod gaat onverstoorbaar verder: ‘Zo’n vraag is: wat maakt een stad tot een kennisstad? Zijn dat menselijke relaties of concentraties van kenniswerkers? Maar slim trouwen kan heel nuttig zijn.’

‘We moeten Rens onze vraag van het Higgs-deeltje voorleggen’, oppert José van Dijck. Tegen Bod: ‘Denk je dat de geesteswetenschappen een Higgs-deeltje nodig hebben?’

‘Een Higgs-deeltje was lange tijd natuurlijk een imaginair deeltje’, peinst Bod. En dan: ‘Ja, ik denk wel dat het nuttig is om te hebben. Zo’n vraag als: wat zijn de oorzaken van de historische ongelijkheden in de wereld? – vooral als we die vraag heel concreet kunnen poneren en daar met zowel publieke als private middelen aan kunnen werken. Natuurlijk zegt de wereld: daar heb je weer die samenwerking met bedrijven. Maar een onderzoeksbedrijf als ibm heeft een jaarbudget van zeven miljard euro – nwo maar een half miljard. Als jij ibm kunt overtuigen dat deze vraag oplosbaar is in de komende vijf jaar, zoals: wij gaan het Higgs-deeltje al dan niet vinden of weerleggen…’

Van Dijck: ‘Kun je zoiets als een Higgs-deeltje vertalen naar de geesteswetenschappen?’

Bod: ‘Als je het een taalkundige zou vragen: bestaat universele grammatica nu wel of niet? Dat is het Higgs-deeltje van de taalkunde. Historici zullen heel andere vragen stellen. Misschien die naar historische ongelijkheden. Wat is de vraag voor mediawetenschappers? Wat is de Ten Million Dollar Question in jouw vakgebied?’

Van Dijck: ‘Dat vind ik een heel moeilijke vraag.’

Bod: ‘Is het niet zo dat wij helaas niet gewend zijn in dit soort vragen te denken? Dat ons geesteswetenschappers geleerd is alleen maar ideografisch, vanuit het unieke te denken, en niet vanuit het universele? Mijn punt is: elke geesteswetenschap, elke discipline heeft haar Higgs-deeltje.’

‘Er is nog iets anders’, zegt Maarten Prak: ‘Geesteswetenschappers hebben altijd enorme koudwatervrees gehad als het gaat om toepassing. Als je tegen een onderwijskundige zegt: er is het probleem van sociale ongelijkheid op scholen, hoe werkt dat nou? Dan stroopt hij de mouwen op en zegt: je moet dit niet doen en dat wel doen. Onze reflex is om te zeggen: dat is heel ingewikkeld, meer onderzoek is nodig. Vanochtend heb ik met een aantal mensen voor een nwo-project over de creatieve industrie zitten praten over een boek dat wij gaan schrijven en dat zal eindigen met wetenschappelijke conclusies, maar ook met beleidsaanbevelingen. Als je de creatieve industrie in Nederland een douw wil geven, dan zijn dat de dingen waar je op moet sturen. Het onderzoek begint in 1600 en loopt door tot nu.’

Bod: ‘Dit soort toepassingen van de geesteswetenschappen gebeurt veel vaker dan men hier vermoedt. Dat komt onder meer door een bepaalde groep intellectuelen die elk nut van de geesteswetenschappen om zeep wil helpen. Zoals George Steiner, met alle respect, want ik vind hem een zeer interessante schrijver, maar hij is tegelijkertijd een van de aanstichters van het beeld van the total uselessness of the humanities. Ik vind dat toch wel heel jammer. En het komt niet overeen met de realiteit.’

Hierna: de tien revoluties plus interviews met onderzoekers.