Instituut met wereldfaam

Rondgang RijksakademieOPEN 2016

De jaarlijkse korte openstelling van de Rijksakademie in Amsterdam is een viersterren-gebeurtenis: de kunstenaars die er twee jaar verblijven gaan vrijwel zonder uitzondering een goede carrière tegemoet. Wie tijdens grote manifestaties als de Biënnale van Venetië goed oplet ziet daar tientallen oud-Akademie-bewoners vertegenwoordigd. Het is domweg een van de weinige kunstinstellingen in Nederland met echte wereldfaam, punt.

Medium breuresander hulzenwittevan raopen2016

Toch vindt de openstelling dit jaar opnieuw plaats onder de donkere wolk van aangekondigde bezuinigingen. De Raad voor Cultuur honoreerde de vierjaarlijkse subisidie-aanvraag maar gedeeltelijk – 1.750.000 in plaats van de gevraagde 2.500.000 – en de minister nam dat over. Omdat de Rijksakademie onder het kabinet-Rutte/Wilders al eens vijftig procent van haar inkomsten verloor, is de situatie nu grimmig.

Hier doet zich een pijnlijke paradox voor. De Rijksakademie is zo uitzonderlijk, omdat kunstenaars er twee jaar lang ongestoord kunnen werken in een bedding van uitgelezen advies, goede faciliteiten en zeer bedreven werkplaatsen. Die rust is, net als in het kloosterleven, essentieel voor het succes – maar net als bij het kloosterleven merkt de buitenstaander maar weinig van wat daar binnen allemaal omgaat, op die paar dagen RijksakademieOPEN na. De Raad voor Cultuur moppert daar het meest op: de instelling zou meer naar buiten moeten treden, ‘haar inspanningen op het gebied van educatie en participatie, juist door haar intentie om een grotere maatschappelijke rol te vervullen, verder moeten uitbouwen’ en de Raad vindt ook dat ‘de communicatiemiddelen van de Rijksakademie onvoldoende effectief zijn’. De Tweede Kamer heeft de minister reparatie van die korting voorgesteld; daarover wordt op 8 december gestemd.

Ondertussen is deze versie weer een genoegen (al blijft dat gebouw een crime). Het aardige is dat de aanwezige kunstenaars altijd zeer divers zijn van nationaliteit – dat alleen al geeft jeu. Zo toont de Koeweitse Monira Al Qadiri een stel schitterend gekleurde, 3D-geprinte voorwerpen die bij nader bekijken boorkoppen van olieboormachines zijn. Zij glanzen en iriseren als parelmoer, en verwijzen daarmee ook een beetje naar een veel oudere Koeweitse bezigheid, het parelvissen. Ze heeft een van die boorkoppen op een wel zeer fantastische manier tentoongesteld: zwevend, sereen boven een onzichtbaar magnetisch veld.

Veel radicaler is Leonardiansya Allenda, uit Indonesië. Bij hem juist geen hedendaagse folklore of traditie, maar een abstracte inrichting van de ruimte, met lichte aluminium panelen en zacht bewegende papieren jaloezieën, alles strak als een 3D-Mondriaan. De studio’s waarin de kunstenaars hun werk tonen waren ooit deel van de cavaleriekazerne, en het is niet altijd makkelijk om daar tot een krachtige architectuurpresentatie te komen, maar bij Allenda lukt dat, vrij imposant, zelfs. Ook interessant, in hetzelfde straatje, Tchelet Weisstub, Analog Memory #5. Weisstub houdt van het theater, van installaties die iets hebben met optische trucs, hologrammen en zo; het is een presentatie die prettig is omdat je weer eens niet weet waar je precies naar staat te kijken, beeld of materie of suggestie.

Nog een paar? Alex Farrar is een wel zeer consequente conceptueel: hij maakte bij aankomst in Amsterdam, tien jaar geleden, zelf een keurig pak, dat hij bij al zijn kunstactiviteiten droeg. Daarna maakte hij er nog een paar – waarbij Farrar geleidelijk bedreven raakte in het naaien – en die pakken zijn getuigen van al die galeriebezoeken, vernissages, enzovoorts. Hij toont ze in nette conservatiedozen: hij toont daarbij de in beton gegoten vormen, waarnaar die pakken gemaakt zijn.

Goede schilders zijn er altijd: Xinyi Cheng, uit China, zorgvuldig vage beelden van mensen, vrienden, mannen; Inez de Brauw, grote afbeeldingen van interieurs, kamers met banken en schilderijen aan de muur, ‘in een koude, reclame-achtige montage’ (De Brauw).

Ik raakte prettig gebiologeerd door de zingzeg-performance van Mercedes Azpilicueta, op zolder – twee vrouwen die bewegen, spreken, geluidjes maken, ritmisch en dansant. Ik vond ook de films van Sander Breure en Witte van Hulzen leuk. In How can we know the dancer from the dance laten zij dansers ‘gewoon’ bewegen als ‘gewone’ reizigers in de nieuwe hal van Utrecht Centraal, en dat geeft een prettig soort alledaagse vervreemding. Het is een choreografie, maar het ligt ook dicht bij een pythoneske satire of een stoute streek van de jongens van BNN; je kunt zo’n filmpje ook in miljardvoud op Facebook verwachten. Kijk, dáár heb je nou iets, Rijksakademie, om mee te communiceren.


Beeld: Rijksakademie/ Sander Breure en Witte van Hulzen

Download hier onze gratis Rijksakademie special:

Medium coverrijks