Rondhangen in ontvankelijkheid

Dat onze samenleving een redelijk georganiseerd geheel vormt valt toe te schrijven aan het menselijk vermogen plannen te maken en niet op te geven voordat het doel is bereikt. Vandaar dat bedrijven en instituties inzetten op efficiency, waarbij zowel werknemers als bestuurders worden afgerekend op de mate waarin ze targets halen. Maar de zogenaamde homo economicus bestaat niet. In werkelijkheid worden we voortgestuwd door vage verlangens, onbegrepen driften en nauwelijks opgemerkte dagdromen. Juist met wie niet droomt, afdwaalt of lanterfant loopt het slecht af – nog afgezien van de vraag of ons economisch systeem zo langzamerhand niet aan herziening toe is.

Martin Reints (1950) laat al sinds zijn debuut (1981) zien hoe belangrijk het is juist onbestemde momenten van doelloosheid te koesteren. Niet voor niets heette een van zijn bundels Tussen de gebeurtenissen. Dat hij zelf als dichter niet gericht is op efficiënte productie blijkt uit de traagheid waarmee hij publiceert: Wildcamera is pas zijn zesde bundel. In geen ander oeuvre wordt zo veel gemijmerd en gelummeld als in dat van Reints, maar de gedichten zelf zijn wonderen van exactheid. Deze poëzie is het levende bewijs voor de zin, misschien zelfs het nut, van rondhangen in ontvankelijkheid.

over het podium

Aankleden, en uitkleden
de leeuwenhuid aantrekken
de hazenhoed afzetten

in de ideeënbus een idee deponeren
en wachten

en verder weer

opkomen, en afgaan
het is een kwestie van ritme
mooi bewegen over een diagonaal op het podium
en dan uit beeld verdwijnen

je neemt alleen maar flarden waar
en het zijn mistflarden
maar dat is genoeg.

Wildcamera, met de ondertitel ‘gedichten en beschouwingen’, is een hecht geheel, waarin thema’s, motieven en personages steeds opnieuw opduiken en een verhaal vertellen over het geluk van het terloopse. Het leven zelf is, net als de poëzie, een kleine rimpeling tussen twee stilten:

Ik zeg niets
dan zeg ik dat ik niets zeg
en dan weer zeg ik niets

Conclusie: ‘er is van alles/ tot het verdwijnt’. Deze levenshouding verklaart Reints’ voorliefde voor beeldende en conceptuele kunst waarin bijna niets gebeurt, of waarin juist het verdwijnen centraal staat, zoals het geval is in de landschappen van Peter B. van Houten, ‘onaanzienlijke omgevingen (…) meestal gezien vanuit rijdende auto’s of treinen’, en in de kunstmatige wolken van Berndnaut Smilde. Typerend is Reints’ verslag van een openluchtvoorstelling op het Friese platteland, waar hij niet kijkt naar het toneelstuk, maar naar zwaluwen en vleermuizen en naar drie kippen die rustig op stok gaan zonder te beseffen dat ze deel uitmaken van een decor.

Hij draait het ook om: misschien zijn wijzelf wel personages in een stuk waarvan we de plot nog niet kennen. In Wildcamera lezen we over steenmarters die de hoofdrol spelen in een film die van ze gemaakt wordt, maar ook over acteurs, regisseurs, een souffleur en een dramaturg, die geen van allen weten wat ze moeten zeggen. ‘De souffleur zegt: ik ben mijn tekst kwijt’ en ‘de toneelspeler luistert naar zijn ademhaling,/ het kloppen van zijn hart, het geborrel in zijn darmen’. Als we onszelf konden observeren, zou dat vooral op momenten zonder verwikkelingen een fascinerend schouwspel opleveren.

In Reints’ gedichten schuiven ervaren en verbeelde situaties ongemerkt over elkaar heen. Het eerste gedicht begint zo:

Het is nog licht, maar het is ook al donker
nu ik ophou met lezen
en het boek naast me neerleg

Wat er staat is concreet en glashelder, maar symbolisch geladen: de avond valt, het wordt tijd om afscheid te nemen. Bovendien is het veelzeggend dat de bundel opent met een strofe waarin wordt opgehouden met lezen. Deze poëzie begint pas te spreken zodra je luistert naar de stilte eromheen. In de volgende regels vergelijkt Reints de nachthemel met een zwartfluwelen kimono waarvan alleen de binnenvoering zichtbaar is. Direct daarna blijken we zelf naar die voering te kijken, ‘een striptekening van een man in de avondwind/ die op een fluit loopt te spelen’. Die muzikant kan geen ander dan de dichter zijn. Hij wordt bij maanlicht bespied door een schim, als een personage in een roman of een acteur op het podium. Tegelijkertijd roept Reints het Dodenrijk op, want de gestorvenen zijn op de een of andere manier altijd onder ons.

Sterker dan in eerdere bundels brengt Reints in Wildcamera een mythische laag aan. In het tweede gedicht komt Perseus Andromeda bevrijden, terwijl de laatste reeks in Amsterdam Oud-Zuid speelt, waar de straatnamen herinneren aan de Griekse Oudheid. Een enkele keer verwijst de dichter naar het genre van de fabel. In een park, dat geassocieerd wordt met het woud waarin Dante verdwaalde, staat ‘de bronzen fabeldichter op zijn schelp bij de ingang’. Midden in het park zijn de bomen gerooid en is een doolhof aangelegd: ‘zodra je de doolhof binnengaat, kom je er niet meer uit’. In een ander gedicht steekt aan zee een storm op en terwijl de golven al over de parkeerplaats spoelen, zien we een leeuw met een rat door de tuinen wandelen, ‘een stokbrood in de ene hand, een telefoon in de andere’. De grens tussen de natuurwetenschappelijke werkelijkheid en de fantasie is fluïde, het komt erop aan open te staan voor wat je niet ziet.

In het slotgedicht herinnert de protagonist zich de Jasonstraat, de Amazonenstraat en de Argonautenstraat:

Ik dacht: ik ben mijn tekst kwijt
maar ik stond alleen maar na te denken

De tijd schrijdt voort met de onverbiddelijke regelmaat van een metronoom, maar voor deze dichter gaat het niet om wat meetbaar en bewijsbaar is: ‘ik ben niet vatbaar voor de saaie maat/ van de wereld om mij heen’.