Rondje golf

Wat voor dingen droom ik? Mensen en huizen, speeltuinen en bomen, keukens en beesten? In elk geval droom ik tot nog toe, voor zover ik weet, niet dat ik aan het golfen ben.

Vroeger was ik in mijn dromen vaak op het voetbalveld te vinden. Scoringspositie, scrimmage, tackle, bal in de diepte en passeerbeweging die bleef mislukken. Ook was ik in sporthallen en veilinghallen, in verband met een of ander zaalvoetbaltoernooi. Of op het veldje tussen de flats. Ik ben er nog wel eens. Maar ik loop in mijn dromen nooit een rondje van achttien holes. Augusta, St. Andrews, Muirfield, Spa, Rhoon of Noordwijk? Ik kom er niet en ik begin te vrezen dat ik er nooit zal komen. Ik zal niet uitzoeken welke trein ik moet nemen, ik zal niet uitzoeken wat het tarief is, ik zal niet uitzoeken wat de eigenaardigheden van de baan zijn of welke beroemde golfers hier of daar zwarte dagen beleefden. Maar als ik droom dat ik droom dat ik aan het golfen ben, dan laat ik me omhelzen door natuur en techniek en ambitie en vriendschap. Dan verheug ik me op de negentiende hole - bar in clubhuis - en tel ik hout en ijzer en metalwood. Bereken ik op de fairway de afstand tot de green en knik ik beleefd andere golfers toe. Gooi ik een plukje gras omhoog om kracht en richting van de wind te kunnen schatten en repeteer ik mijn swing nog eens. Heb ik de bunkers goed in mijn hoofd zitten en wacht ik op mijn beurt. En laat ik me ontroeren. Misschien moet ik zeggen: overweldigen. Door de eenvoud van wat me omringt, door de eenvoud van het vele en diverse. Door de schaduwen van de bomen met onbekende namen, door het spel van blaadjes en takken, door het relativerende karakter van het halfhoge gras waarin witte bloemen vrolijk om zich heen kijken, door de grapjes en raadgevingen verderop, door het overvliegen van wat zeldzame ganzen, door kleurenpracht en rust, door de weemoedige gedachte aan spanningen die thuisbleven. Komt plotseling Aad Struijk in een karretje aangereden. Hij zegt: ‘Hoe kleiner de bal, des te groter de kwal.’ Ik zeg: 'Nog zo'n slag en het is donker.’ Hij zegt: 'Zoals de waard is, vertrouwt hij zijn gasten.’ Ik zeg: 'Beter een vogel in de hand dan tien in de lucht.’ Hij zegt: 'Vele handen maken licht werk.’ Ik zeg: 'De appel valt niet ver van de boom.’ Hij zegt: 'Een ezel stoot zich in ’t gemeen geen twee keer aan een zelfde steen.’ Ik zeg: 'Ceterum censeo Carthaginem delendam.’ Hij zegt: 'Een man een man, een woord een woord. Wat is je handicap?’ 'Drieënvijftig’, zeg ik, ontroerd door de natuur en het vooruitzicht straks in het schitterende en gerieflijke clubhuis een colaatje te kunnen drinken. 'Weet je wat jij misschien zou kunnen doen?’ zegt Aad. 'Met je stokken naar een veldje gaan, zo'n veldje waar ze vroeger op voetbalden, tussen flats en rozenperken in. Dan heel lang oefenen, droog oefenen, dus zonder bal, blijven oefenen op je swing, op bovenlichaam en schouders, op heupen en knieën, voeten en ellebogen… steeds minder happen uit het gras slaan, tot je voelt en weet dat je eraan toe bent, tot je begrijpt dat je onze sport kunt dromen.’