Toneel: ‘t Barre Land

Ronduit beledigend

Zes jaar geleden hield Ivo van Hove een toespraak bij de opening van het Theaterfestival. De openingszin luidde: ‘Ik klaag aan, dacht ik.’

Met die tekst begon het veiligstellen van publieke gelden voor zes (later zeven) grootschalige theater­bedrijven in Nederland, Basisinfrastructuur (Bis) genoemd. Kleine toneelgroepen konden aanschuiven of zelfstandig doorwerken. Ik vond dat plan destijds gevaarlijk en heb een maand lang (_Groene-_archief, september 2006) tegenargumenten geleverd.

De nieuwe opzet van de subsidies, de Bis dus, kwam er natuurlijk toch, omdat toneel­directeuren en ambtenaren hem in achter­kamertjes al helemaal bij elkaar hadden gepolderd. Sinds anderhalf jaar is de overheid (met een andere politieke kleur maar dezelfde ambtenaren) gaan hakken in de subsidies voor de kunst. In het toneel worden de grote producenten nu aangeslagen voor zeven tot tien procent besnoeiingen, de kleine groepen leveren rond de zeventig (!) procent in. Veel van die kleine gezelschappen, van oudsher behorend tot de meerwaarde van ons toneel, zullen tussen nu en medio 2013 verdwijnen. En wat verdwijnt in een kwetsbare sector als de kunst, keert zelden of nooit weerom.

Onder meer daarom heeft het zin goed op de argumenten te letten. Ik neem een recent voorbeeld. Een commissie heeft vorige week in Utrecht geadviseerd om een van die kleine groepen, het toneelspelerscollectief ’t Barre Land (dat bestaat sinds 1990), niet meer te subsidiëren. Daarvoor worden de volgende argumenten gehanteerd: ’t Barre Land opereert ‘rigide, slechts gericht op een toegewijde maar kleine groep toeschouwers’. De commissie schrijft: ‘Inhoudelijk heeft ’t Barre Land met zijn diepgravende vorm van omgaan met toneelteksten zeker iets te bieden. Maar voor een structureel gesubsidieerd gezelschap dient de groep in onvoldoende mate de publieke functie.’ Hier wordt een tegenstelling gecreëerd, zo niet ernstig aangescherpt, tussen ‘een toegewijde maar kleine groep toeschouwers’ en ‘de publieke functie’. Dat is stemmingmakerij. En let op: we gaan deze kromme redeneringen de komende tijd vaker horen.

Voorts stelt de adviescommissie dat de acteurs van ’t Barre Land niet kunnen toneelspelen. Dat klinkt cru maar het staat er wel: ‘Het gezelschap toont acteertechnisch onvoldoende kwaliteit, (…) het spelniveau heeft niet de impuls gekregen die nodig is.’ Onvoldoende kwaliteit gemeten naar wélke maatstaven? Impulsen nodig voor wát? Ik heb het advies van de commissie ondersteboven gehouden en er driftig aan geschud: méér teksten rolden er niet uit. Dat is geen stemmingmakerij meer, dat is ronduit beledigend. Eigenlijk schrijft de commissie: we hebben het al vaker gezegd, die jongens en meisjes van ’t Barre Land blijven maar stukjes spelen voor een toegewijde maar kleine groep belangstellenden, er komen raar genoeg nog steeds mensen kijken (men kan daaraan toevoegen: ook een almaar jonger publiek, er wordt over ze geschreven, ze geven overal les aan jonge acteurs), maar, schrijven de adviseurs, toneelspelen, dat kunnen ze niet.

Sorry, dames en heren adviseurs, wanneer u een toonaangevende groep toneelspelers uit het Nederlandse theaterlandschap wilt gooien, dan lijkt dat misschien uw goed recht, maar dan bent u het aan de hoge kwaliteit van de podiumkunsten hier te lande verplicht met substantiële argumenten te komen. Zeker bij een toneeltroep zonder bureaucratie, die alles zelf doet en die ook weloverwogen heeft gekozen voor een vermindering van zijn exploitatiesubsidie. Kunstenaars die hun plek weten en artistiek gesproken hun mannetje staan, verdienen een volwassen weerwoord van mensen die zeggen dat ze het publieke belang en de samenleving vertegenwoordigen.

’t Barre Land speelt Koning Lear; www.barreland.nl