Ronny abram 1938-1999

Je kunt je gemakkelijk een plezieriger begin voorstellen. Ronny Abram werd in 1938 als een joods jongetje geboren in Amsterdam-Zuid. Toen hij zeven jaar was kwam hij als een onbehouwen weesje uit het concentratiekamp Bergen-Belsen en werd hij in Nederland in een (joods) weeshuis gestopt. De oorlog ging voor hem gewoon door. Gelukkig haalden een oom en tante hem twee jaar later als hun derde zoon naar Indië. Voor Ronny betekende die tijd van Politionele Acties en Indonesische bevrijdingsstrijd eindelijk vrede.

Hij werd, terug in Nederland, beeldend kunstenaar, trok naar Frankrijk en probeerde - veertig jaar, honderd liefdes en duizend reizen later - zijn verloren herinneringen aan de oorlog in beelden om te zetten. Grote, wanhopige, prachtige tekeningen met bergen door elkaar gegooide naakte lichamen. ‘Dit is niet wat je hebt gezien, maar wat je had willen zien’, zei Gerhard Durlacher. Zijn werk is in het Joods Historisch Museum te zien, maar hij wilde helemaal geen joods kunstenaar zijn. Hij schilderde ook stedelijke landschappen zonder mensen, de slachting in Bosnië, en hevige liefdes ('Amor natural’). Hij inspireerde honderden leerlingen op de Rietveld Academie en vocht voor wat hij de Nieuwe Figuratie noemde, een figuratieve kunst die de ontwikkelingen van de laatste eeuw in de schilderkunst niet negeert. En hij vocht met het verleden, met het gevoel dat zijn ouders hem, in dat afschuwelijke kamp, in de steek hadden gelaten. Pas kort geleden hoorde hij, door het bezoek van een vrouw die zich daar over de weeskindertjes had ontfermd, hoe het werkelijk was geweest en kon hij het bruidsportret van zijn ouders schilderen. Mijn joodse bruidje stond, nog onvoltooid, op zijn atelier toen hij vorige week stierf aan een hersenbloeding. 'Kleine, onversaagde reus’, noemt Toon Tellegen hem in een gedicht. Het kleine vechtersbaasje uit Bergen-Belsen is, zestig jaar oud, eindelijk weer bij zijn ouders.