Profiel van de Klaas Wilting van joods Nederland

Ronny Naftaniël

De afgelopen maanden beleefde Ronny Naftaniël zijn ‘finest hour’. De Cidi-directeur, doorgaans op de bres voor Israels eer en goede naam, onderhandelde op het hoogste niveau over de afwikkeling van joodse tegoeden. Profiel van de Klaas Wilting van joods Nederland.

‘NET ZOALS IK me ook niet afvraag hoe groot het heelal is, denk ik dat ik ook geen verklaring kan vinden waarom ik iets doe’, sprak Ronny Naftaniël in 1994 tegen het Nieuw Israelietisch Weekblad (NIW). Filosofische woorden voor iemand die zich doorgaans beweegt in de pragmatische wereld van de politieke lobby. De onzekerheid ten aanzien van de eigen drijfveren is evenmin karakteristiek voor zijn persoon. Want Naftaniël wekt met zijn zendingsdrift en rappe tong de indruk wel te weten waarom hij zijn hele werkzame leven al het boegbeeld is van het Centrum Informatie en Documentatie Israël (Cidi).


Ronny Naftaniël (1948) is Amsterdammer, al resideert hij tegenwoordig in het bedaagde Amstelveen. Zijn ouders ontmoetten elkaar in kamp Westerbork, waar zijn vader als gevluchte Duitse jood in 1938 linea recta geparkeerd was. Naftaniël genoot een niet-joods-orthodoxe opvoeding. Zelf werd hij spoedig politiek bewust — in elk interview vertelt hij dat hij in zijn studententijd geen provo-bijeenkomst oversloeg, PSP stemde en in een wit spijkerpak rondliep. Minder vluchtig dan die linksigheid was de liefde die hij in die tijd als gangmaker bij het joodse jongerencafé Gotspe voor de staat Israel opvatte. Toen hij in 1976 cum laude afstudeerde als bedrijfseconoom koos Naftaniël niet voor het bedrijfsleven maar voor het Cidi, waarvan hij sinds 1980 als directeur het gezicht is. Als Israel in het nieuws komt, staat Naftaniël klaar om als een doctor Clavan van het Heilige Land uitleg te geven, te bespiegelen en in de toekomst te kijken. ‘Het is niet mijn bedoeling om te domineren, maar het gebeurt wel eens’, zei hij in 1992 tegen Trouw, refererend aan het feit dat nog wel eens wordt vergeten dat het Cidi ook andere stafleden in dienst heeft.


Het hooghouden van Israels eer en goede naam is een hele klus in een tijd waarin goodwill tegenover de joodse staat in Nederland geen vanzelfsprekendheid meer is. Vóór alles schaarde Naftaniël zich achter het standpunt dat veiligheid voor Israel boven vrede gaat. Nog in 1990, niet al te lang voor het aanbreken van het Oslo-tijdperk, betoonde Naftaniël zich bijzonder huiverig voor onderhandelingen met de PLO: ‘Israel kan er ontzettend veel mee verliezen. Israel kan zijn bestaan ermee verliezen.’ Toen er tijdens de Bijlmer-enquête in 1999 een storm van kritiek loskwam op het meegaande beleid van Schiphol jegens El Al, was het Naftaniël die de geprivilegieerde positie van de Israelische vliegtuigmaatschappij bagatelliseerde.


Wanneer het om Israel gaat hoef je Naftaniël niet aan te spreken op zijn pacifistische idealen van weleer. Begin 1999 liet hij zich tegenover De Telegraaf ontvallen dat hij het ‘fantastisch’ vond dat ‘Den Haag in alle oorlogen die Israel moest voeren wapens aan Tel Aviv leverde’. In zijn vaste commentaar in de tweewekelijkse Cidi-nieuwsbrief heeft hij zich helemaal het krijgshaftige jargon uit het Midden-Oosten eigen gemaakt. Iedereen is uit op de vernietiging van Israel, constateert Naftaniël: Iran, de PLO en niet te vergeten de Hezbollah. Met het oog op het voorgenomen vertrek van Israelische troepen uit Zuid-Libanon verkondigde hij: ‘Als Hezbollah in de Israelische stap onverhoopt aanleiding ziet de strijd voort te zetten, zullen de Israelische represailles uit de lucht hard en overtuigend zijn.’



MEER NOG dan als Israels beste vriendje in de Lage Landen heeft Naftaniël zich als Cidi-chef de afgelopen jaren opgeworpen als het joodse geweten van Nederland. Overal waar hij een vleug van antisemitisme of vreemdelingenhaat bespeurt is Naftaniël ter plekke om te waarschuwen en om te refereren aan het verleden. In het NIW zei Naftaniël: ‘Het debat werd vroeger bepaald door emotionele, gevoelsmatige motieven. Ik ben dat op juridische en politieke motieven gaan voeren.’ In 1992 dreigde hij de Avro met een rechtszaak als men geen afstand zou nemen van een documentaire waarin een antiekhandelaar het woord ‘jodenzaak’ in de mond nam. Een jaar later zorgde Naftaniël voor veel opschudding door wat onbesuisd te roepen dat nog altijd achttien procent van de Nederlandse bevolking antisemitisch is. De Stichting Bestrijding Antisemitisme (Stiba) was woedend, en Ischa Meijer deed in zijn dagelijkse Parool-column De Dikke Man het voorstel om een Stichting voor Gezellig Doortimmerd Antisemitisme op te richten.


Tijdens de Fassbinder-affaire, die dezer dagen weer veelvuldig aangehaald wordt, behoorde Naftaniël niet tot de harde kern van actievoerders die de opvoering van het als antisemitisch bestempelde toneelstuk Het vuil, de stad en de dood van Rainer Werner Fassbinder wilden verhinderen. Maar hij sprak zich er wel krachtig tegen uit. Terugkijkend zei Albert Blitz, één van de acteurs in het gewraakte stuk, onlangs: ‘Net als nu wierp Ronny Naftaniël zich op als de spreekbuis van joods Nederland, maar nooit heb ik die man iets horen zeggen waarvan ik dacht: ja, zo denk ik er ook over.’ Publicist Max Pam verwoordde hetzelfde gevoel in een column in NRC Handelsblad, toen hij stelde dat de Cidi-directeur zich te graag als dé morele aanjager van joods Nederland wenste op te werpen. Naftaniël wordt door sommige joden als ‘risee’ beschouwd, aldus Pam. Naftaniël sneerde terug: ‘Max Pam wordt altijd reuze zenuwachtig als joden strijdbaar zijn. Dat wekt bij hem irritatie op.’



OF MAX PAM het nu prettig vindt of niet, het is een feit: Ronny Naftaniël is hét gezicht van joods Nederland. En dat terwijl het Cidi eigenlijk een heel bescheiden club is. De afgelopen maanden beleefde Naftaniël dan ook zijn finest hour als onderhandelaar en woordvoerder van het Centraal Joods Overleg, dat de kwestie van de joodse oorlogsgelden met de regering afhandelde. Het overlegplatform, waarin naast het Cidi instanties als het Joods Maatschappelijk Werk en diverse kerkgenootschappen vertegenwoordigd zijn, wist intern de lieve vrede te bewaren. En dat mag in Nederland, waar men volgens Naftaniël met ‘dertigduizend meningen van dertigduizend joden’ te maken heeft, gerust een unicum genoemd worden. Bovenal wist het CJO bij de regering vierhonderd miljoen gulden als morele schadevergoeding, en niet alleen als financiële genoegdoening, uit het vuur te slepen.


Naftaniëls werkwijze is oud doch beproefd: houd iedereen te vriend. Het sleutelwoord dat in ieder interview opduikt is ‘begrip’. Begrip voor Palestijnen die vinden dat ze recht hebben op een eigen staat. Begrip voor het feit dat orthodoxe joden vinden dat hij als Cidi-directeur meer naar de synagoge zou moeten gaan. En begrip voor mensen uit de joodse gemeenschap die dat gepraat over geld alleen maar gênant vinden. Naftaniël weet ondertussen met veel flair de weg naar de media te vinden. Hij verschijnt voor de camera’s en in de krantenkolommen met een bereidwilligheid en een frequentie waar Klaas Wilting, de woordvoerder van de Amsterdamse politie, nauwelijks aan kan tippen. Met het verschil dat Naftaniël zijn eigen baas is, zodat niemand hem terugfluit als het verzadigingspunt lijkt te zijn overschreden.


Gaat Naftaniël, nu de grote klus van de joodse tegoeden geklaard is, binnenkort de stap nemen naar zijn ‘andere grote liefde’, de politiek? Hij heeft er nooit een geheim van gemaakt zich namens de PvdA in het politieke bedrijf te willen storten. Hij gaf al een voorzetje toen hij in het NIW zijn kansen voor de Tweede Kamer omschreef: ‘Een aantal mensen zou ongetwijfeld hebben gezegd: “Daar komt een Israel-propagandist binnen”.’