Stikvallei van Frank Westerman

Rood als een banaan

Voor een schrijver die zo goed is kan Frank Westerman soms behoorlijk ongeïnspireerd zijn. Over Haroun Tazieff, de gevierde Franse vulkanoloog die een van de hoofdrollen speelt in zijn nieuwe boek Stikvallei – over het mysterieuze natuurverschijnsel dat op 21 augustus 1986 ruim 1700 Kameroeners het leven kostte – schrijft hij niet meer dan dat hij nog maar een paar haren had en dat die grijs en dun waren en dat hij een grof gelaat had.

Medium westerman stikvallei

Tazieff handelde als een diva in Kameroen, waar hij als een van de eersten de dodenvallei bij het Nyos-meer onderzocht. Hij botste met iedereen die het niet met hem eens was en fungeert zodoende als een heerlijke foute Fransman in Westermans verhaal. Volgens Google Afbeeldingen had hij een geweldige kromme neus, een schedel als een ingedeukt ei, kleine ogen en een brede grijns, zo te zien een innemende verschijning, maar daar hoor je niets over in Stikvallei.

Er is meer van dit soort ongeconcentreerd schrijven in het boek. Bijvoorbeeld wanneer Westerman het heeft over Tazieffs concurrent, de IJslander Haraldur Sigurdsson die na eigen onderzoek bij het meer tot een radicaal andere conclusie kwam: ‘Een kwartier voor onze afspraak liep ik hem in Stykkishólmur tegen het lijf. Haraldur Sigurdsson, een afgetrainde man in het lichaam van een zeventig-plusser, herkende mij aan het feit dat hij me niet kende.’ Dat hij hem herkent aan het feit dat hij hem niet kent is mooi gevonden, het zegt iets over het dorpje waar hij hem treft, maar de opmerking ‘een afgetrainde man in het lichaam van een zeventig-plusser’ is dan weer slordig, of onduidelijk. Want hij is óf afgetraind, óf hij heeft het lichaam van een zeventig-plusser. Het een sluit logischerwijs het ander uit.

En juist met Stikvallei heeft Westerman goud in handen: 1700 mensen en een veelvoud aan dieren ’s nachts omgekomen, geen tekenen van geweld, geen voor de hand liggende verklaring. Er zijn internationale onderzoeksteams die elkaar kapot concurreren, interessante theorieën over losgekomen CO2-gas, er is de bemoeienis van de Franse regering die een wit voetje bij Kameroen wil halen (nog nooit werd er in Yaoundé zoveel kaviaar en Dom Pérignon genuttigd als bij het bezoek van mevrouw Mitterrand), er is hijgerige media-aandacht, en dan zijn er nog de plaatselijke bewoners zelf die een mythologiserende verklaring zoeken voor de doden, in oude vloeken of in complotten rond geheime nucleaire testen. Heel behendig, in korte hoofdstukjes waardoor je alleen maar gulziger gaat lezen, weeft Westerman de verhalen door elkaar heen. Cliffhangers incluis.

Hij laat zien hoe mythes werken, hoe ze over feiten heen komen te liggen, hoe ze de waarheid wegdrukken

Het eerste deel van het boek besteedt Westerman aan de wetenschappers, hun concurrerende carrières en hun uiteenlopende theorieën, maar gaandeweg laat de auteur zien hoe wankel hun feiten eigenlijk zijn. Of hoe multi-interpretabel. Dat het Nyos-meer eigenlijk heel anders werd genoemd, dat de lokale bewoners een heel ander soort Engels spraken dan de onderzoekers – zo was de term voor geel ‘red like a banana’, want het woord ‘yellow’ kenden ze niet –, dat de slachtoffers op een donderdag vielen maar dat de slachtoffers zelf helemaal niet in weekdagen dachten, of, veel simpeler, dat het exacte aantal doden door de officiële instanties op 1746 werd bepaald, maar dat dat aantal een schatting was op basis van luchtfoto’s, mede omdat slachtoffers door stamgenoten begraven waren nog voordat de onderzoeksteams arriveerden.

Dit is het terrein waar literaire non-fictie het van de reguliere non-fictie wint, waar Westerman niet een antwoord hoeft te geven, maar de verschillende overtuigingen naast elkaar kan schetsen. ‘Hoe minder feiten, hoe meer verhaal.’ Hij laat zien hoe mythes werken, hoe ze over feiten heen komen te liggen, hoe ze de waarheid wegdrukken. Het enige probleem is dat Westerman hier wel heel zwaar op inzet: hij citeert (schools) het Van Dale-lemma van ‘mythe’ en geeft de Griekse definitie. Te pas en te onpas houdt hij zijn verhaal halt, om plechtig op te merken hoezeer de feiten niet te vertrouwen zijn, hoezeer we zelf verhalen bedenken en die voor waarheid willen aanzien. Alsof hij zijn verhaal groter wil maken, het fatale natuurverschijnsel epischer. Alsof het universum hem hoogstpersoonlijk een vingerwijzing geeft, schrijft hij ongeremd gratuit, wanneer iemand met wie hij een afspraak heeft niet komt opdagen (huis in vlammen): ‘Ik dacht: als een spontane brand in de sneeuw op duizend kilometer bij mij vandaan de loop van dit verhaal kan verleggen, welke rol speelt de factor onvoorzien dan in het verhaal dat ik probeer te ontwaren?’

En dat terwijl die thematiek minder expliciet ook voldoende in zijn verslaggeving aan de orde komt. ‘We moeten de feiten de tijd geven om ons hun eigen verhaal te vertellen’, citeert hij een Amerikaanse onderzoeker instemmend. Westerman liet die feiten 27 jaar rijpen, om daar nu met Stikvallei – wat harde stukjes daargelaten – een zeer smakelijke cocktail van te maken.


Frank Westerman
Stikvallei
De Bezige Bij, 318 blz., € 19,90