Media

Rood als een kroot

Het recente gedoe over een vermeende linkse elite doet in de eerste plaats denken aan het verwijt dat Hans Wiegel de media in de jaren zeventig maakte: dat ze rood waren als een kroot. Dat nu is aantoonbaar onjuist. ‘De’ media waren destijds allerminst 'rood’. De verreweg grootste krant van Nederland was rechts, de op één na grootste (Algemeen Dagblad) was rechts van het midden, bij de weekbladen hielden de politieke polen elkaar aardig in evenwicht en in omroepland lagen de sympathieën eveneens verdeeld.
Toch is het onmiskenbaar dat het maatschappelijk zwaartepunt eind jaren zestig, begin zeventig naar links schoof en dat 'links’ in toenemende mate invloed uitoefende op zowel de politiek als het publieke debat. Hiermee wordt vooral gedoeld op de toenemende kracht van linkse stromingen binnen en buiten de bestaande politieke partijen, op de opkomst van Nieuw Links binnen de PvdA, het succes van D66 en de PPR en de groeiende sympathie in Den Haag en daarbuiten voor standpunten die, zoals de besparing op defensie, de maakbaarheid van de samenleving of de aandacht voor 'de zwakken in de samenleving’, gewoonlijk met links worden geassocieerd.
Het hoogte- of desgewenst dieptepunt van de ontwikkeling was het kabinet dat regeerde van 1973 tot 1977 en dat zonder twijfel het meest linkse uit de Nederlandse geschiedenis is geweest: dat van Den Uyl. Het had het verre van eenvoudig. Maar het had bij alle ongeluk - oliecrisis, economische teruggang, treinkaping, Lockheed, Bloemenhove - inderdaad één geluk: dat het de sympathie had van de Nederlandse journalistiek, dat wil zeggen dat de voorkeur voor 'links’ op dat moment onder Nederlandse journalisten groter was dan onder de Nederlandse bevolking als geheel - en dat in een periode dat de rol van de media razendsnel groter werd. Terwijl de PvdA bij de verkiezingen van 1972 27 procent van de stemmen kreeg, stond van de journalisten 44 procent achter de partij. Bij de christelijke partijen lag de verhouding omgekeerd. Zij hadden minder aanhangers onder journalisten dan onder de bevolking. Opmerkelijk ook - althans in 1968, enkele jaren later was het al weer veranderd - was de populariteit van de partij die opgericht was door mensen uit het journalistieke veld, D66. In genoemd jaar behaalde deze 7,7 procent van de stemmen, maar onder journalisten was de aanhang 23 procent.
Hoewel we de cijfers van andere beroepsgroepen die eventueel tot de intellectuele elite gerekend zouden kunnen worden - hogere ambtenaren, wetenschappelijk medewerkers, docenten middelbaar onderwijs, kunstenaars, cultuurmanagers - niet kennen, is het aannemelijk dat de verhoudingen daar ongeveer gelijk lagen en dat het verwijt van Wiegel ook op hen betrekking had kunnen hebben. Dat verwijt was weliswaar onjuist, maar het had wel een grond van waarheid: de media waren niet rood maar wel roder dan de rest van Nederland.
Bij deze feiten en ontwikkeling ligt de achtergrond van het huidige gemopper over de macht van de linkse kerk. Wat de mopperaars echter niet zien is dat de situatie in de loop van veertig jaar ingrijpend is veranderd. Hiervan zijn zoveel illustraties dat ontkennen absurd is. Laat ik er één nemen. Het boek dat destijds de bijbel was van die linkse elite, Tegels lichten van Henk Hofland uit 1972. Hierin keek de auteur vol afgrijzen onder de tegel van de samenleving waarin hij was opgegroeid en bepleitte radicale verandering. Maar in latere drukken bracht Hofland, het is te zelden opgemerkt, nogal wat veranderingen aan en schrapte zo goed als alle hoofdstukken waarin radicale taal wordt uitgeslagen. Daarentegen beklemtoonde hij ironie en twijfel. Ondertussen trok hijzelf zich terug op een positie die hij sindsdien nooit meer heeft verlaten: van buitenstaander en scepticus. Hofland bleef een meedogenloos commentator van alles en iedereen, maar koos nooit partij. Hij verdedigde radicaal de open samenleving, het debat, het vrije woord en de per definitie kritische rol van de intellectueel. Kortom, het was altijd duidelijk waar hij tegen was.
Maar voorstander was hij van weinig, ook niet van links. Voorstander was hij hoogstens van een vaag soort openheid, een oeroude vorm van tolerantie en een klassiek mededogen. Die hebben met links niets te maken. Wel met de langetermijnontwikkeling van de modern-westerse samenleving waarin christelijke waarden seculariseerden, sociaal-democratische normen buiten kijf kwamen te staan en globalisering onmiskenbaar werd.
Het gaat wat ver om te zeggen dat mening en opstelling van Hofland kenmerkend zijn voor de huidige Nederlandse elite. Maar in genoemde hoek moet je het wel zoeken en precies daarom ook zijn er zo velen die van de PVV en haar medestanders binnen VVD en CDA niets moeten hebben: zij vertrappen de principes. Het huidige debat gaat niet om links of rechts. Het gaat om waarden die oeroud zijn en eind jaren zestig, begin zeventig eventjes, abusievelijk de verkeerde linkse kant leken op te schieten. Die deviatie is echter al lang hersteld.