De agri-maffia en de landbouwsubsidies

Roofbouw

Oost-Europese boeren ontvangen bij toetreding van hun land tot de EU slechts een kwart van wat hun rijke westerse collega’s krijgen. Ondertussen wordt hun land opgekocht door de agri-maffia. De Wageningse hoogleraar Jan Douwe van der Ploeg over het Europese landbouwsubsidiestelsel: «Een volkomen scheefgegroeide situatie.»

Vorige week maakte de Europese Commissie bekend dat de landbouwsector in de tien kandidaat-lidstaten — waaronder Polen, Tsjechië en Hongarije — bij toetreding tot de Europese Unie in 2004 niet hoeft te rekenen op een inkomenssteun zoals die agrariërs in de huidige EU-landen ten deel valt. De Commissie gunt de agrariërs in de toetredende landen in 2004 slechts een kwart ervan. De jaren daarop zal er telkens iets bijkomen, maar pas in 2013 geniet een Poolse boer evenveel steun als een Franse of een Nederlandse.

Professor Jan Douwe van der Ploeg, hoogleraar rurale sociologie aan de universiteit van Wageningen, tevens lid van de Raad voor het Landelijk Gebied, heeft bedenkingen. «We zijn een Europa van standsverschillen aan het creëren», zegt hij. «De Polen en de Hongaren en al die andere bestuurders in kandidaat-lidstaten die afgelopen week hun stem verhieven, hebben natuurlijk groot gelijk. Ze voelen zich tweederangsburgers, ze worden afgescheept met vijfentwintig procent. En dat terwijl het rijkste deel van Europa, dat al gedurende vier, vijf decennia bakken steungeld ontvangt, de volle honderd procent behoudt.»

Behalve standsverschillen, meent Van der Ploeg, ontnemen we de plattelandsbevolking in het Oostblok elk emancipatieperspectief. «Als Oost-Europa niet integreert in de EU ontstaat er een gevaarlijke situatie, een kruitvat aan onze grenzen. Dit voorstel van de Commissie is hét bewijs dat Europa z’n politieke en sociale verantwoordelijkheid ten aanzien van Oost-Europa niet serieus neemt. Toch krijgen we het straks op ons bord: het platteland daar kan zich minder ontwikkelen dan zou moeten, met verregaande verpaupering als gevolg. In toenemende mate zullen ontheemden naar het Westen trekken.»

U vindt dat de boeren in de toetredende landen net als hun collega’s in het westen van Europa ook voor de volle honderd procent gesubsidieerd moeten worden?

Van der Ploeg: «Nee, dat kan niet zonder meer. Het zou te veel budgetlasten geven, de hele EU zou ontwricht raken. De Oost-Europese landen kennen een omvangrijke plattelandsbevolking. Alleen in Polen al tweeënhalf à drie miljoen kleine boeren. Daar komt bij dat sinds de val van het communisme er in grote delen van Oost-Europa een trek van de steden naar het platteland is opgetreden. De vraag naar honderd procent of minder verwijst naar een vals dilemma. De kwestie is niet of we het bestaande beleid toepassen of niet. Wat nodig is, is een volstrekt ander beleid. Overigens klinkt de roep om een ander beleid ook al lang binnen West-Europa zelf. Goedbeschouwd kennen we ook binnen West-Europa een Oost-Europese constellatie, dat zijn de zogeheten less favoured areas (LFA). Een rechttoe rechtaan toepassing van het landbouwbeleid is daar niet mogelijk. In die LFA, bij elkaar goed voor 54 procent van West-Europa, gelden allerlei mechanismen die er juist op zijn gericht zoveel mogelijk boeren op het platteland te houden.»

Moet het huidige Europese landbouwsubsidiestelsel dan niet hoognodig op de helling?

«Op dit moment bestaat het landbouw beleid uit twee poten: de klassieke prijsondersteuning, ook wel inkomensondersteuning genoemd, en het plattelandsbeleid. De ouderwetse inkomensondersteuning slokt negentig procent van de begroting op. Het plattelandsbeleid beoogt meer regionale, kleinschalige vormen van landbouw te stimuleren waarbij versterking van de regionale economie voorop staat. Binnen dat kader passen ook activiteiten als agrotoerisme, natuurbeheer en het produceren van streekproducten. Bij de ouderwetse inkomensondersteuning wordt niet gekeken naar het feitelijke inkomen van de desbetreffende boer. Er wordt alleen gekeken naar hoeveel hectare die boer heeft. Voor dat aantal krijgt hij een bepaald bedrag. Deze vorm van subsidiëring heeft geleid tot absurde situaties. De kleinkinderen van de hertog van Alva, een oligarchenfamilie met veel grootgrondbezit in Andalusië, zijn een van de grootste ontvangers. Ook de koningin van Engeland, die in Schotland veel grond bezit, is een grote ontvanger. Net als de voormalige rode baronnen in Oost-Duitsland die staatscoöperaties hebben omgezet in privé-ondernemingen. Al heel lang wordt binnen Europa getracht een limiet te stellen aan die regeling. Tot nu toe is dat niet gelukt.»

Ondertussen doet zich een sluipende ontwikkeling voor die buiten het huidige debat blijft. Van der Ploeg: «Op grote schaal kopen West-Europese ondernemers, anticiperend op de ontwikkelingen in Oost-Europa, boerenbedrijven in met name Polen en Tsjechië op. Men is niet geïnteresseerd in levensvatbaarheid, het gaat ze puur om een zo groot mogelijke oppervlakte en de aanstaande toetreding tot de EU. Nu al bestaat het probleem dat in West-Europa tachtig procent van de landbouwsubsidies naar twintig procent van de rijkste boeren gaat. Dat gaat zich straks herhalen in Oost-Europa. Dan gaat tachtig procent van de steun naar de rijkste ondernemers die van elders komen.»

Onder die ondernemers bevinden zich agrariërs, ook Nederlanders, die een nevenvestiging willen beginnen in het buitenland. Van der Ploeg: «Maar er zitten ook niet-agrariërs tussen, onder wie bijvoorbeeld een ex-directeur van het ministerie van Landbouw en veel niet al te kosjere Italiaanse ondernemers. Het wekt ongelooflijk veel wrevel in Oost-Europa. Straks bestaat de Poolse landbouw uit een handjevol ondernemers van elders! Deze freemarketeers zijn degenen die met het huidige stelsel van inkomensondersteuning van de subsidies gaan profiteren, niet de kleine boerenbedrijven die de afgelopen tien jaar na de val van het communisme zijn gevormd. Terwijl juist deze peasant-economie het zeer wel in zich draagt om zich door te ontwikkelen naar een robuuste, stevige sector.»

Ze moeten die inkomensondersteuning gewoon afschaffen.

«De belanghebbenden verzetten zich met hand en tand tegen die afschaffing. De meest gemoderniseerde landbouw in Europa, de sterk gespecialiseerde en geïntensiveerde landbouwbedrijven, dat zijn halve industrieën geworden die ironisch genoeg het meest afhankelijk zijn van die prijs- en inkomensondersteuning vanuit Brussel. Op het moment dat de inkomensondersteuning wordt afgeschaft gaan deze bedrijven onderuit. Vaak zijn ze gefinancierd met leningen, tussen op brengstprijs en kosten zit slechts een smalle marge. Als de opbrengstprijs daalt, staan juist die bedrijven te schudden op hun benen.»

Deze bedrijven zijn helemaal toegesneden op het beleid, om het onderste uit de kan te kunnen halen. Van der Ploeg: «Dat verklaart ook die paradox dat twintig procent van de grootste, rijkste boerenbedrijven in Europa tachtig procent van het landbouwbeleid opsouperen. Het is een volkomen scheef gegroeide situatie. Dergelijke bedrijven doen er, samen met de grote agribusiness, alles aan om die situatie in stand te houden. De lang zame verschuiving van inkomensonder steuning naar plattelandsbeleid, waar ook in Europa steeds meer stemmen voor opgaan, wordt door deze belangenconstellatie tegengegaan.»

Zijn de landbouwers in de nieuw toetredende landen erbij gebaat dat die inkomensondersteuning wordt afgeschaft?

Van der Ploeg: «Er zou veel meer geld vrijkomen voor het plattelandsbeleid. Dat beleid sluit uitstekend aan op het peasant-type onderneming dat nu in het Oostblok zo massaal en spontaan is ontstaan. Tegelijkertijd zal dan een eind komen aan de opkoperij door die freemarketeers.»

Daarmee zijn we er nog niet. Toch is er volgens Van der Ploeg wel degelijk een uitweg denkbaar, hoe gecompliceerd ook. «Nu verloopt negentig procent van de ondersteuning via prijs- en inkomensondersteuning en slechts tien procent via plattelandsbeleid. Dat moet worden omgedraaid. Daarnaast zijn er aanzienlijke structuurfondsen. Die structuurfondsen zijn er om nieuwkomers en gebieden met een onderontwikkelde structuur in staat te stellen hun economie te rationaliseren. Het grootste gedeelte van dat geld wordt aangewend in Spanje, Portugal, Griekenland en in het zuiden van Italië.»

Voor deze gebieden beginnen deze structuurfondsen een permanente levensader te worden, terwijl altijd gezegd is dat het tijdelijk zou zijn. Van der Ploeg: «Een voor de hand liggende gedachte is dus om die structuurfondsen te heroriënteren op Oost-Europa. Samen met die versnelde versterking van het plattelandsbeleid en een versnelde afbouw van de inkomensondersteuning kan dat dé manier zijn om in Oost-Europa een gelijk speelveld te creëren.»

Nederland wil ook af van die omstreden inkomenssteun. Dat lijkt me een progressief standpunt.

«Benschop en Brinkhorst roepen dat alle subsidie maar afgeschaft moet worden. Tegelijkertijd moeten ze ook van die nieuwe lijn, het plattelandsbeleid, niets hebben. Omdat dat Nederland alleen maar geld kost. Het is een soort doorgetrokken Zalm-doctrine. Het mag niks kosten want wij willen geen geld meer kwijt aan de EU. Merkwaardig, want Nederland heeft tot nu toe heel veel Europees geld laten liggen, daarom zijn we ook in die positie van nettobetaler terechtgekomen. Er lagen vroeger gelden klaar die een fikse ondersteuning voor kleine boeren betekenden. Maar Nederland vond dat kleine boeren moesten verdwijnen. Uit een totaal verkeerd begrepen eigenbelang hebben we zo heel wat miljarden laten liggen. Nu dreigt zich dat voor te doen met de budgetten voor het plattelandsbeleid. Hier te lande leeft sterk het idee dat de landbouw doorgaand moet moderniseren en schaalvergroten. Parallel daaraan wordt fors gesaneerd en verdwijnen steeds meer bedrijven, zodat alles geconcentreerd raakt op een paar grote ondernemingen. Dat idee wordt door het ministerie van Landbouw sterk omarmd. Daar denken ze zo de modernste landbouw van Europa te ontwikkelen, in de hoop dat de rest van Europa er wel wordt uitgeconcurreerd. Terwijl die grootschalige bedrijven waar Nederland op gokt als eerste onderuit zullen gaan als de inkomenssteun wordt opgeheven.»

Benschop en Brinkhorst pleiten dus in feite voor het om zeep helpen van onze eigen landbouw?

Van der Ploeg: «Nee, zij denken dat wanneer de wereldhandel maar geliberaliseerd is — volgens het principe van de onzichtbare hand, het neoklassieke denken — het dan wel goed komt. Het globale idee is dat we naar een soort vrijhandel gaan, ook voor landbouwproducten. Dat betekent in principe een vrije toegang, ook voor ontwikkelingslanden, tot de Europese markt. Tijdelijk krijgen die Oost- en West-Europese boeren nog wel de inkomensondersteuning, tot 2013, maar daarna wordt het naar nul afgebouwd. Dan zou je in principe open handel hebben met wereldwijd gelijke prijzen. Een Thaise boer krijgt exact dezelfde prijs als een Poolse of een Nederlandse boer. Dat zal nooit functioneren! Het is een illusie te denken dat dat rechtvaardigheid zou creëren. Het idee dat er door een economische boost ook sociale en ecologische vooruitgang wordt geboekt, is absurd. Als gevolg van die vrije handel zullen omvangrijke sociale ontwrichtingen op wereldschaal optreden. Je krijgt een ecologische roofbouw die er niet om liegt. Dat blijkt nu al in die landbouwsectoren waar vrijhandel geldt. Strawberry imperialism wordt het genoemd; grote Amerikaanse ondernemingen die tijdelijk grote lappen grond in Latijns-Amerika pachten en gebruikmaken van goedkope arbeidskrachten. Ze putten de grond uit en laten de boel vervuild achter.»

Dat zou betekenen dat de Derde Wereld met het huidige protectionistische systeem beter af is.

«Dat ook weer niet. Ons Europees landbouwstelsel is gebaseerd op grondstoffen die elders zijn geproduceerd. Naast onze eigen landbouwgrond van zo’n twee miljoen hectare, exploiteren we ongeveer zestien miljoen hectare elders ter wereld. Daarbij gaat het onder meer om de teelt van soja en cassave in ontwikkelingslanden. Die teelten zijn de basis voor het voeren van vee in Nederland. Kleine boeren hebben binnen dit mondiale stelsel evenwel geen enkele kans. Het zijn grote plantages die daar een diepgaande ecologische destructie aanrichten. Ons stelsel hier hangt nauw samen met de ontbossing in de Amazone.»

Terwijl vroeger de Nederlandse landbouw zelfvoorzienend was. Van der Ploeg: «Nu is dat volledig omgedraaid en doet de landbouw een sterk beroep op producten uit de Derde Wereld. Dat is zo gegroeid door het zogenoemde Gat van Rotterdam, bij de opbouw van de, toen nog, Europese Economische Gemeenschap, door Nederland uitonderhandeld. Dat ‘gat’ maakte het mogelijk om allerlei grondstoffen voor de intensieve veehouderij zonder heffingen Nederland binnen te krijgen. Datzelfde stelsel leidde er ook toe dat er massaal hier geproduceerde melk gedumpt werd in de Derde Wereld. Die bedrijven hier werden mede opgezet met subsidies van de Europese Commissie, vervolgens was er subsidie op de melk, daarna subsidie op de export om het de wereldmarkt op te krijgen en ten slotte was er nog subsidie in het kader van voedselhulp. Talloze melkveehouderijsectoren — in Peru heb ik het met eigen ogen gezien, maar ook in andere landen — zijn compleet geëlimineerd.»

Gelukkig is het lelijkste element van dat vroegere patroon, die exportsubsidies, in sterke mate afgebouwd. Van der Ploeg: «Tegenwoordig wordt het grootste gedeelte van de productie in Europa ook in Europa geconsumeerd. Langs die lijnen zouden we het verder moeten perfectioneren.» Hij vindt dat het gesleep met dieren, halffabrikaten en eindproducten over de wereld moet stoppen. «Ook met het oog op dierziekten. En natuurlijk blijven we bananen uit Colombia halen en nootmuskaat uit Indonesië. Maar om alles over te laten aan de markt, dat blinde mechanisme waar Nederland zo klakkeloos in gelooft, daarmee krijg je de hoognodige regionalisatie nooit voor elkaar.»

Werkelijk niets snapt Van der Ploeg van het Nederlandse standpunt. «Natuurlijk, iedereen weet dat dit stelsel niet deugt. Maar roepen: we schaffen het af en brengen er niets voor in de plaats, getuigt van een ongelooflijke naïviteit. Je creëert een chaos die zich verschrikkelijk zal wreken. Hoe kun je dan controleren of er groeihormonen in de melk zitten, wat in Amerika wel is toe gestaan en hier niet? Het is leuk om te praten over de vrije markt, maar je krijgt een wild west-kapitalisme waarbij de voedselproductie gecontroleerd wordt door een vuistvol zeer grote ondernemingen met daaromheen een aantal snelle vrije jongens. Dat is precies niet wat je met voedselproductie zou moeten willen.»