Roofridders

Holland is voor Heinrich Heine niet alleen het land van de breedgeheupte waardin van logement De Rode Koe en de thuishaven van de ‘typisch Hollandse’ filosofiestudent Van Meulen, die de flegmatieke woorden ‘Jan, e nüe piep’ sprak, toen hem in de gelagkamer de gouwenaar uit de mond werd geschoten.

Holland was voor Heine eveneens het land van de slavenhandelaar Mynheer van Koek en de gebroeders Binger, uitgevers te Amsterdam, publicitaire roofridders die in de schaduw van ’s schrijvers sterfbed een illegale uitgave van het Verzameld Werk op de markt hebben gebracht. In keurige, grasgroene bandjes, voorzien van zowel een voorwoord als een voor-voorwoord, waarvoor de inleider vast wel een paar harde daalders heeft gekregen. De dichter kreeg in elk geval niks.
Diezelfde gebroeders Binger uit Amsterdam publiceerden in 1861, vijf jaar na Heines dood, een vuistdikke bundel met onbekende romances, balladen, sonnetten, burlesken en parodieën, allemaal uit Heines nalatenschap. Onze landgenoot Daniël Kiehl, oud-assistent-resident te Indië, spreekt in zijn boek Natuurlijke historie van den Filistijn - Prolegomena tot de studie van Arthur Schopenhauer (1895) over ‘een hoogstbelangrijk duitsch werk’, boordevol 'voor het eerst bekend gemaakte Juweelen’, die hij graag wilde ruilen 'voor eene geheele boekenplank van modern-hollandsch “intens gevoeld” wanhoopsgehuil en weemoedsgesnik, rouwviolen enz.’
Een boek vol onbekende, nooit eerder gepubliceerde gedichten van Heinrich Heine, op dat moment de beroemdste dichter uit het Duitse taalgebied, dat is inderdaad een schat van onbecijferbare waarde. Waaronder nota bene zeven gedichten die Heine in zijn matrassengraf, Rue d'Amsterdam te Parijs, had geschreven. 'Einsam auf meine Matrazze lieg’ / ich entrückt lebendigem Leben; / In Gedanken defilirt mir vorbei / was ich lebte - ein Wiederleben.’ Hoe bedoelt u, lezer? Vindt u dit helaas een tamelijk slecht gedicht? Hulde voor uw letterkundige smaak. Deze versregels zijn dan ook niet van Heinrich Heine, maar van de bezorger van de bundel, Friedrich Steinmann, advocaat van professie, zij het ongetwijfeld van kwade zaken. Hij heeft Heine honderden pagina’s nagerijmeld en het resultaat onder ’s dichters naam in handen van de gebroeders Binger, uitgevers te Amsterdam, gegeven, voorzien van een deftig Ten Geleide, waarin over 'originele Heinegedichten’ wordt gesproken, 'meest en brouillon aan mij en andere vrienden geschonken’. Was getekend Friedrich Steinmann, letterdief en zonder concurrentie de grootste literaire zwendelaar van de negentiende eeuw.
De beide mannen, Heine en Steinmann, hebben elkaar wel degelijk gekend. Zij waren jeugdvrienden, in de vroege jaren twintig, studenten aan dezelfde universiteit. Daarna heeft de dichter de imitator-dichter nooit meer gezien. Zijn rol in Heines leven is in drie kattebelletjes gedocumenteerd. In het eerste looft Heine zijn eigen drama Almansor als 'een prachtwerk’, sprankelend als 'een snoer betoverde diamanten’. In het tweede bericht Heine dat hij wegens overtreding van het duelleerverbod de universiteit is afgegooid. In het derde geeft Heine dichtles: 'Betracht de strengste zelfkritiek. Het is het alpha en omega van de kunstenaar.’ Friedrich Steinmann honoreerde deze wijze raad door zijn vriend en leermeester een kwart eeuw lang te bestelen, te parafraseren en te plagiëren.