Rooftochten in ruïnes

ANNE MICHAELS
HET WINTERGEWELF
Vertaald door Molly van Gelder
De Bezige Bij, 367 blz., € 19,90

De invloed van de doden op de wereld is groot. Het geheugen zit in luchtstromen en rivierslib, in verlaten plekken en in ondergelopen gebieden. Alles wat verdwenen of achtergelaten is blijft van belang. Wie iets verplaatst, laat iets verloren gaan. De geschiedenis, die van de grond en die van het water, is amoreel en heeft een verbond met het geheugen gesloten.
Deze zinnen weerspiegelen de denkwereld waarin de Canadese Anne Michaels (1958) schrijft. Dat ik die, herschreven en herschikt, uit twee romans tegelijk heb geplukt – Fugitive Pieces (1996) en The Winter Vault (2009) – maakt niet zo veel uit. Beide romans putten uit dezelfde existentialistische filosofie. In Fugitive Pieces (Nederlandse vertaling Verborgen verleden) vertelt oorlogsoverlevende en dichter Jacob Beer over zijn wonderbaarlijke redding uit het Poolse Biskoepin (eeuwenlang, tot in de jaren dertig van de twintigste eeuw, door aarde bedekt) door de Griekse archeoloog Athos, deskundige in begraven en verlaten plekken. Al schrijvend lukt het Beer wat Athos hem heeft voorgehouden: nooit de vernietigingsmachine van de nazi’s vergeten. Zijn levensverhaal, dat via een Grieks eiland naar Toronto leidt, maakt indruk op de lezer omdat Jacob Beer de holocaust herleidt en herschrijft tot een klein maar aangrijpend verhaal over het verlies van zijn ouders en zijn zus Bella.
The Winter Vault (Het wintergewelf) heeft twee verdwenen en heropgebouwde plekken als decor: Aboe Simbel en Warschau. Ramses II liet rond 1250 voor Christus twee tempels in rotsen uithouwen. Maar in 1964 dreigde de nieuwe Aswan-dam die tempels onder te laten lopen. Dankzij West-Duitse plannen en Unesco-geld verplaatste en herbouwde men Aboe Simbel vlakbij, maar wel 65 meter hoger. In Het wintergewelf is ingenieur Avery Escher (de naam van beeldend kunstenaar Escher duikt al op in Fugitive Pieces) betrokken bij die verplaatsing, die gepaard gaat met een gedwongen volksverhuizing van de Nubiërs. Maar kun je wat heilig is wel verplaatsen zonder iets essentieels kwijt te raken? Het is een illusie dat Aboe Simbel intact blijft. Dat is het koesteren van valse hoop, volgens de piekerende Avery. Het monument valt in stukken en brokken uiteen, ondanks de accuratesse van de verhuizers. In Het wintergewelf gaat er van alles verloren: de habitat van de Nubiërs, het authentieke Aboe Simbel en het huwelijk van Avery Escher, nadat zijn vrouw, de botaniste Jean, een dood kind heeft gebaard.
Het tweede deel van Michaels’ roman wordt beheerst door het levensverhaal van de zogenaamde Cave Man, de Poolse oorlogsoverlevende en afvalkunstenaar Lucjan, die Jean ontmoet op een van haar nachtelijke zwerftochten door Toronto, overal stekjes plantend als levenstekens. In het vernietigde Warschau van 1945 leefde hij in holen. Hij ondernam rooftochten in de ruïnes om aan eten te komen: alles wat architectonisch en artistiek van waarde was bracht hij in veiligheid: ‘de paneeldeuren van de kapel, brokken van fresco’s en marmeren haarden, raamkozijnen – duizenden stukjes en beetjes’. Zo nam hij deel aan de wederopbouw van Warschau. Met de herrijzenis konden ook de doden naar de stad terugkeren. Maar was het nieuwe Warschau niet een replica van het oude, zoals het verplaatste Aboe Simbel ook was beroofd van authenticiteit? Afvalkunstenaar Lucjan legt een verband tussen steden en menselijke betrekkingen in een half uitgesproken zin: ‘Je kunt steden herbouwen, maar de brokstukken tussen man en vrouw…’
Die brokstukken zijn een vormtechnisch probleem in Het wintergewelf. Werd Verborgen verleden nog bijeengehouden door de autobiografie van dichter Jacob Beer, Michaels’ tweede roman gaat mank aan richtingloos fragmentarisme. Er is niets tegen fragmentarisch proza, maar een heel brokkelige verhaallijn vol directe rede dient stevig verankerd te zijn in een groter verhaal. Het wintergewelf is veel minder dwingend dan Michaels’ debuut omdat de personages te weinig een eigen gezicht hebben. Te ingetogen en te vluchtig zijn ze. Bovendien blijven ze hangen in een binnenwereld vol broedende gedachten, wat de voortgang van het verhaal geen goed doet. Ze stappen het verhaal in en uit zonder dat er drama ontstaat. En dan is er ook nog hun praatzucht. Bijna nergens in de roman drijft een dialoog de personages tot grote wanhopige hoogte. Te vaak zoekt Michaels haar toevlucht in ellenlange monologen, die de roman statisch maken en de personages houterig. Afvalkunstenaar Lucjan zegt dan wel dat praten ‘alleen respijt’ geeft omdat de geschiedenis ons niet kan horen, al dat gepraat zonder directe reacties maakt van Het wintergewelf een weinig dynamische, zeer kunstmatige vertelling. Michaels, ook dichteres, is goed in poëtische beschrijvingen en effectieve metaforen rond personages die wachten tot hun wonden zijn geheeld, maar het vasthouden en afwikkelen van verhaallijnen – hoe springerig en speels ook – is niet haar fort.
Anne Michaels’ thematiek is boeiend, fascinerend zelfs. Haar research is grondig. Maar de kracht van haar debuut bereikt ze niet. Altijd dreigt het uiteenvallen van de wereld in de grote verhalen die generaties lang meegaan, in Het wintergewelf is het verhaal uiteengevallen, hoe boeiend de flarden over Aboe Simbel en de fragmenten over Warschau in 1945 ook zijn.