Rookpluimen

HET IS, als je kwaad wilt, niet zo moeilijk om uit de vele titels die er verschijnen een slecht boek te lichten, zelfs als je je tot vertalingen beperkt. In dit geval gaat het om een boek dat juist veel goeds belooft, al komt de wervende tekst op de voorkant niet direct voor rekening van de auteur: ‘Hongarije 1994: “wij literaire helden van de illegale avant-garde”, een benadering van het bot. Een liefdesverhaal, een literaire thriller en een filosofische roman over opkomst en ondergang van het communisme.’

De roman speelt zich inderdaad af in een Oost-Europees land, Hongarije, in de jaren zeventig en negentig, de politieke ommekeer inbegrepen. Dat het verhaal verteld wordt door een jonge schrijver die in India en de Verenigde Staten politicologie en filosofie studeerde, en in Praag, Milaan en Berlijn doceerde, wekt op z'n minst de nieuwsgierigheid. Juist zo'n buitenstaander kan een verrassende kijk ontwikkelen. Maar als het lezen van dit debuut mij verrast heeft, dan is dat door de combinatie van pretentie en naïviteit en de werkelijk pijnlijke demonstratie van literair onvermogen van deze Joydeep Roy-Bhattacharya. Laat ik het maar ronduit zeggen: in lange tijd heb ik niet zo'n belabberd boek gelezen. Is het tenminste een liefdesverhaal? Ja, maar wat voor een? Tussen een tweeling, jongen en meisje, is er van kindsaf aan een broeierige verhouding. Dat is een soort liefde, mag je afleiden uit alle zinnen waar dat woord in voorkomt; al is het voor de lezer eerder een op het woord geloven dan zien. Dat geldt ook voor de vrouw die het middelpunt van het verhaal vormt: zoals het cliché wil, wordt zij voor mannen, maar ook voor vrouwen, aantrekkelijker naarmate ze ongrijpbaarder is, en dat is ze zeker nu ze, anno 1994, sinds zeventien jaar spoorloos is verdwenen. DE ROMAN begint met zestig pagina’s uit haar dagboek uit 1976. Zij vertelt er over de door haar opgerichte Gabriëlclub, bestaande uit een viertal ‘literaire helden van de illegale avant-garde’, genoemd naar haar doodgeboren tweelingbroer, en ze geeft indirect zoiets als een zelfportret, dat door anderen later alleen maar wordt overgetrokken. Ik bedoel dat anderen al even lyrisch en pathetisch over haar praten als zij zelf lucht geeft aan haar eigen gemoed. Ik geloof dat een paar citaten dit beter laten zien dan een kenschets van mij. 'En nu schrijf ik alles op. Alles wordt opgeschreven in de poging te bedwingen, te redden, te verzachten.’ Als je zou weten wat dat 'alles’ inhoudt, zou je de rest van de zin misschien ook begrijpen; nu staat de wens in geen verhouding tot wat de geëxalteerde vrouw te lezen geeft. Als muziekstudente was deze Immanuele al een beroemde dirigente, maar toen ze een petitie ondertekende veranderde ze op slag 'in een paria’. 'Bastaards van ons tijdsgewricht’, noemt zij haar verzetsgroep: 'Wij waren vastbesloten om het systeem te ondermijnen van binnenuit (…) wij waren vastberaden om getuigenis af te leggen.’ Getuigenis van wat? Van hun kritiek? Hun verzet tegen wat? Alleen maar verbale rookpluimen, geheimzinnig gedoe; de lezer komt niets te weten. Het stelletje kunstenaars wilde vooral niet provoceren, was wars van geweld en hield de acties leuk. Niettemin raakten ze al gauw uitgeput, vooral door hun eigen hoogdravende kloekmoedigheid, ga je denken. En in dezelfde toonaard kan een oudstrijder, een vermoeide dichter, later verzuchten: 'Vrijheid… en wat heeft het uiteindelijk voor zin gehad? (…) En toch, wij hadden dit land kunnen besturen. Mensen zoals wij. De alchemisten, de dichters, de schilders, de toneelschrijvers. Wij hadden het recht om de tijden te herschikken. Een recht dat we hadden verworven met onze lange, harde strijd. Jammer dat het uiteindelijk op niets is uitgelopen.’ HONGARIJE heeft geluk gehad. Te oordelen naar het boek bestond die lange harde strijd vooral uit eigen grootspraak over de macht van het woord en gepunnik met de verwarde draden van de relaties in en om de praatgroep. En wat voor praat, lees het dagboek: 'En nu ben jij, zelfs in mijn diepste slaap, de zweer die onder mijn borst ettert, de open wond die ik lik van lip tot lip, versleten, dun, zonder de geringste notie van wat er is gebeurd met jou, met mij, met ons…’ Ik ga er niet bij vertellen wat hier zo koddig aan is; helaas is het serieus bedoeld. 'Om te ontsnappen aan de kluisters van mijn verleden ben ik vandaag naar de Donau gevlucht, met een hoofd dat verstopt zat van de stemmen en de herinneringen. Ik heb een tram genomen om mijn vlucht te bespoedigen, maar die kreeg halverwege pech.’ WIE ER OOK aan het woord is, de schrijver of zijn personages, het komt allemaal uit dezelfde mistmachine. De eindeloze dialogen zijn trouwens nog het ergste: 'Jij was in veel opzichten een product van mijn eigen verbeelding - ooit mijn beste vriend, nu een mengeling van feit en fictie.’ 'Een filosofische bespiegeling over de opkomst en ondergang van het communisme’, wordt de lezer beloofd. Dat is een valse belofte. Over het communisme heeft de schrijver niets te zeggen, politiek noch filosofisch, tenzij het volgende een diepzinnigheid is: 'In het verleden was ideologie de motor achter alles, tegenwoordig is het geld. Waar wij ons op concentreerden, was op verzieking. Nu is die verzieking vervangen door chaos. Om die chaos te overleven moet je er boven blijven helikopteren. Dus hoe je het ook bekijkt, we blijven tot levenslang enthousiasme veroordeeld. Het is onze roeping ons te verheugen…’ Veranderd blijkt er na 1989 niets: de helden zijn vermoeid, bovendien zijn ze overbodig geworden nu niets meer hun idealen in de weg staat. Alom heerst materialisme. En het tuig van weleer? De hufters zijn nog dezelfden, al krijgen we er nauwelijks meer dan één te zien: de inspecteur die, wanneer uit de rivier een wassen beeld wordt opgevist (sic!) dat een replica van de zeventien jaar eerder verdwenen vrouw lijkt te zijn, het onderzoek (naar een verdwenen dissidente sic!) weer opvat, met schaduwen, hardhandige verhoren en zelfs moorden. Jawel, een literaire thriller: de verliefde inspecteur heeft het gedaan. HET ERGSTE is dat over een club met als machtigste wapen het Woord - 'Waar zijn wij die beloofden nieuwe revoluties te doen ontvlammen met het kruitvat van wat wij schreven?’ - een roman geschreven wordt die de literatuur per zin geweld aandoet. De roman rammelt aan alle kanten en hangt aan elkaar van de scheve beelden en lamentabele zinnen, dubbelgebakken symboliek en dramatiek zonder drama, en vooral veel pathos. Het gaat de schrijver om 'leven op het scherp van de snede’, en ook nog eens om het schrijven over Dood, Begeerte, Leven, Liefde, niet minder dan dat: 'Dood en begeerte, Immanuel! Daar gaat het schrijven over! Het is alles wat ons nog rest! De benadering van het bot, niet enkel een tijdelijk lapmiddel voor de wond!’ En dat meer dan driehonderd pagina’s!