Links-populisme

Rooksignalen zien, en dan?

Groene-columnist Ewald Engelen en de Belgische filosofe Chantal Mouffe stellen een verdediging van het ‘volk’ tegen de ‘elite’ voor, maar dan vanuit een links perspectief. Een glibberig concept.

‘Links populisme – dat is wat we nodig hebben.’ Het was een opzichtige kop boven een even opzichtig artikel. Financieel geograaf Ewald Engelen liet er in een gesprek met De Telegraaf geen gras over groeien. Er moet een links-populisme komen voor de mannen en vrouwen die ‘in tijden van flexibilisering en los-vaste contracten moeten vrezen voor hun sociaal-economische situatie’ en dus ‘geen tijd hebben voor discussies over “identiteit” en “diversiteit”’. In plaats van het over ‘genderneutrale rompertjes’ of Zwarte Piet te hebben, moest links terug naar de bron. ‘De steeds dieper wordende kloof tussen de haves en de have nots’, dáár moet het volgens Engelen over gaan. Of zoals hij het met de titel van zijn onlangs verschenen boek stelt: het is klasse, suffie, niet identiteit!

Engelen is lang niet de enige pleitbezorger van een links-populisme. In het najaar verschijnt bij uitgeverij Leesmagazijn een vertaling van For a Left Populism van de Belgische filosofe Chantal Mouffe. Mouffe is geen onbekende in het populismedebat. In de vroege jaren tachtig maakte ze met haar echtgenoot Ernesto Laclau naam als voorstander van een ‘postmarxistisch’ links. Socialisten moesten voorbij de klassendeling gaan en andere tegenstellingen (gender, ras, nationaliteiten) inzetten, om op die manier het consensusmodel van de late jaren negentig te ontregelen. Want de verkiezingen in Europa waren verworden tot een keuze ‘tussen Pepsi en Coca-Cola’, stelde Mouffe. Van ideologisch conflict was nauwelijks meer sprake en het gevolg was een tijdperk van ‘post-politiek’, waardoor het gevaar van een populistische tegenreactie op de loer lag. En die hoefde niet noodzakelijk van de linkerzijde te komen.

Ook vandaag verbergt Mouffe haar voorkeuren niet: een links-populisme is ‘urgent’, anders volgt voor links ‘de prullenbak van de geschiedenis’. Ewald Engelen roemde haar voorstel voor een links-populisme op Twitter: ‘Hartstikke nodig’, vond hij. Opmerkelijk, want haar opvattingen lijken soms haaks te staan op zijn pleidooi voor een economische klassenstrijd. Ergens tegen het einde van haar boek schrijft Mouffe dat ‘het te verwachten is dat mijn links-populistische strategie afgekeurd zal worden door die sectoren van links die politiek blijven herleiden tot de tegenstelling tussen kapitaal en arbeid’, en die ‘een privilege toekennen aan de arbeidersklasse’. Dergelijke tegenwerpingen, zo stelt Mouffe, ‘vertrekken vanuit politieke opvattingen waartegen ik in dit boek tracht te argumenteren’.

In tegenstelling tot Engelen lijkt het links-populisme van Mouffe geen ‘terugkeer naar de klasse’ te impliceren. Veeleer wil ze het hebben over ‘volksconstructie’ en anti-elitisme, het dagelijks brood van de populist. Dat moet het liefst gebeuren aan de hand van een leidersfiguur, die voor het verloren volk een collectieve identiteit kan belichamen. Mouffe’s boezemvriend Jean-Luc Mélenchon lijkt die belofte nog het best waar te maken. In zijn thuisland Frankrijk praat hij nu onbeschaamd over het ‘volk’ in plaats van de ‘arbeiders’, en hij schrikt er niet voor terug om zichzelf als een ‘progressieve nationalist’ te bestempelen. Zijn beweging herdoopte hij van Front de Gauche (‘links front’) naar La France Insoumise (‘het ongetemde Frankrijk’), waarmee hij zijn populistische profiel extra in de verf zette.

***

Zo bestaat er dus toch een verbindend element tussen het populisme van Engelen en Mouffe: een verdediging van het ‘volk’ tegen de ‘elite’ en een bijbehorende afkeer van consensuspolitiek. Die diagnose bezit een dieper filosofisch reliëf. Mouffe begint haar For a Left Populism met de vaststelling dat een banvloek tegen ‘emoties’ in de politiek op den duur onhoudbaar is. Politiek is intrinsiek ‘affectief’. Ze handelt over passies en gevoelens, prikkelt de onderbuik. Politiek gaat bovenal over grenzen arceren tussen voorstanders en tegenstanders, zo leerde Mouffe bij Carl Schmitt. Deze Duitse rechtsgeleerde heeft een nogal besmette reputatie, omdat hij een intellectuele legitimatie gaf aan het vijanddenken van de nazi’s (vandaar zijn bijnaam ‘kroonjurist van het Derde Rijk’), maar Mouffe probeert zijn politieke denkbeelden van de totalitaire kantjes te ontdoen. In plaats van ‘vijanden’ spreekt zij over ‘tegenstanders’. Die tegenstanders mogen bovendien nooit in absolute termen worden gezien – de regels van het liberale spel dienen te allen tijde te worden gerespecteerd. Maar het blijven wel tegenstanders; personen die verslagen moeten worden. Wie politiek zonder passie wil, stelt Mouffe, wil botweg politiek zonder politiek.

Het is een these die veel kritiek oproept. Het populisme van Mouffe en Laclau moraliseert zijn vijanden en werkt een vruchteloze polarisering in de hand, stelde de Sloveense filosoof Slavoj Zizek tien jaar geleden al. ‘Het populisme’, zo vatte hij het samen, is ‘geen specifieke politieke beweging, maar een uiting van politiek op zijn puurst’ – een uitdrukking van de behoefte aan vijanden. Bij Mouffe en Laclau gaat politiek zo over het scheppen van collectieve identiteiten, en niet over de verwezenlijking van beleid.

Maar daar school voor Zizek ook het probleem met het populisme. Doordat het zo nauw met identiteitsconstructies was verbonden, was het op hachelijke wijze afhankelijk van een vijandbeeld. Zo was de mogelijkheid van een systeemanalyse op voorhand uitgesloten. Niet het systeem zelf was het probleem, maar enkel de kwaadwillige indringer die het had gedestabiliseerd. Dat ‘links’ zogenaamd meer ‘populistisch’ zou moeten worden, vond Zizek een gevaarlijke hersenschim: het zou een politiek creëren waarin communicatiestijl en pose (of het creëren van een vijandbeeld) belangrijker zijn dan concreet beleid. Bovendien, stelde hij, zou Mouffe’s populisme op de lange termijn compleet verenigbaar blijken met rechtse tendensen. Conservatieven en neoliberalen zouden de kracht van het vijanddenken inzien en het in hun eigen voordeel gebruiken.

Een soortgelijke kritiek uitte de Franse filosoof Éric Fassin. Hij wees Mouffe’s idee van de hand dat links iets kan leren van rechts als het over vijandvorming gaat. Volgens hem zijn extreem-rechtse kiezers geen ‘slachtoffers wier zorgen we ter harte moeten nemen’, maar eerder politieke subjecten die door ‘droeve driften worden gedreven’, die meer ‘bevochten dan beweend moeten worden’. ‘Velen ter linkerzijde’, stelt Fassin, ‘lijken nu het “populisme” te willen terugvorderen van de rechterzijde, zonder zich af te vragen of het wel werkt.’

Links zou zich vergissen in het idee dat het hedendaagse rechts-populisme rebelleert tegen de neoliberale orde. Fassin ziet een verborgen continuïteit met een ‘populisme’ dat meer in de golfclub dan op straat is uitgedacht. Viktor Orban ging ooit nog met Soros-fondsen in Oxford studeren, Nigel Farage behaalde zijn diploma aan een Londense eliteschool. Dat geldt ook voor populistische partijen. Het Duitse Alternative für Deutschland begon in 2010 niet als spontane volksopstand tegen de ‘omvolking’ van Duitsland, maar eerder als conservatief blok tegen de regering-Merkel (die Zuid-Europa redde met een zoveelste reddingspakket). Hun alternatief was een sterke ‘orde-economie’, een idee uit de koker van AfD-hoofdadviseur Peter Boehringer, die een lidkaart van het Duitse Hayek-instituut op zak heeft. De nieuwe Braziliaanse president Bolsonaro spiegelt zichzelf aan Pinochet en wil massaal gaan privatiseren. Wat valt hier voor links van te leren?

‘Velen ter linkerzijde lijken nu het “populisme” te willen terugvorderen van rechts, zonder zich af te vragen of het wel werkt’
***

In het Thatcher-tijdperk van de jaren tachtig was de Britse theoreticus Stuart Hall een van de eersten die voorstelde dat links bij rechts te rade moest gaan voor strategische inzichten. Hall hoopte zelfs dat zijn ‘democratisch populisme’ tegenwicht kon bieden aan Thatchers ‘autoritaire populisme’, door het ‘volk’ op een inclusieve manier te definiëren.

Enkele jaren later, in de vroege jaren negentig, leek Hall in Tony Blair eindelijk zijn gedroomde populist te hebben gevonden. Blairs beslissing om te praten over het ‘volk’ in plaats van de ‘arbeiders’, zijn ‘anti-elitaire elitisme’, vond Hall een welkome afwisseling voor het sektarisme dat Labour zo had verlamd in de jaren tachtig. Tegelijkertijd combineerde Blair dit populisme met een voorliefde voor technocratische beleidsvoering. In plaats van ideologische sturing hadden Britse bestuurders behoefte aan ‘expertise’ en ‘efficiëntie’. Uiteindelijk bleef Hall met een kater van jewelste achter toen bleek dat Blair toch niet zo’n breuk met Thatchers neoliberalisme voorstond.

Mouffe beroept zich in haar boek uitvoerig op Hall, met name in het hoofdstuk ‘Lessen van het thatcherisme’. Maar over deze erfenis hult ze zich in stilzwijgen. De stilte is exemplarisch voor een gapend gat in het hart van haar populismepleidooi – namelijk een gebrek aan historische plaatsing. Waarom zou het populisme bij uitstek vandaag werken, en welke voorwaarden zijn daarvoor nodig? En welke verhouding heeft haar populisme tot al die andere ontwikkelingen van deze tijd – crisis van de partijdemocratie, mediatisering, technocratie, cultuurstrijd?

Mouffe plaatst veel nadruk op beeldvorming – in de media wordt het uiteindelijke gevecht beslecht. Maar in dat opzicht blijft het links-populisme ook een fataal kind van zijn tijd. In een tijdperk van dalende ledenaantallen en krimpende opkomstcijfers verliezen klassieke labels hun betekenis en wordt de ‘politiek van de vergaarbak’ een structurele verplichting (denk aan de notie ‘paars’: rood noch blauw, een levenloos mengsel). Bij gebrek aan ware bemiddelende organen, zoals wijkclubs, kerken of vakbonden, grijpen politici naar andere communicatiemiddelen om te achterhalen wat er onder hun volk speelt. Het is een beetje zoals kijken naar rooksignalen vanaf een ver continent, zonder ooit de vraag te stellen wat er zich nu werkelijk op dat continent afspeelt.

Die innerlijke uitholling van de politieke partijen in Europa werd door de Ierse politicoloog Peter Mair ooit treffend omschreven als ‘regeren over de leegte’. In plaats van aandachtig naar een achterban te luisteren, of aan de dictaten van een partijmachine te gehoorzamen, worden politici steeds nauwer in de invloedssfeer van spindoctors getrokken. Die geven hun rapporten over de staat van de publieke opinie, de specialiteit van de bloeiende peilingindustrie. Het biedt een constante gissing naar de volkswil, zonder ooit te beginnen met het moeizame werk van organisatie en belangenbundeling. Tegelijkertijd zien we een loskoppeling van ‘beleid’ en ‘politiek’. Het eerste wordt een zaak voor onverkozen organen, zoals de Europese Commissie, de eurogroep en centrale banken. De tweede wordt overgelaten aan het mediacircuit en het ‘mondige’ internet, waar steeds hevigere ‘cultuuroorlogen’ woeden. Maar hoe hitsiger het mediadebat, hoe minder inspraak op het beleid – en hoe groter de voedingsbodem voor een populistische tegenreactie.

Een goed voorbeeld van een partij die zich naadloos heeft aangepast aan deze ‘mediatisering’ van de politiek is de Vlaamse N-VA. De partij is vooral bekend van figuren als Theo Francken (Belgisch staatssecretaris voor Immigratie) en leider Bart De Wever (burgemeester van Antwerpen). Zij gelden in eigen land als onvervalste populisten omdat ze fel tekeergaan over thema’s als migratie, welvaart en buitenlands beleid. Het medewerkersbestand van de N-VA toont hoe gemediatiseerd de partij is: het wetenschappelijk bureau telt dertien permanent aangestelde medewerkers, het communicatiebureau maar liefst 22.

Die schreeuwerige aanwezigheid in het publieke debat steekt schril af tegen de magere resultaten die de N-VA op het vlak van beleid kan voorleggen. Haar bekendste vertegenwoordigers – figuren als Francken en De Wever – staan bekend als meesterlijke ‘framers’, maar hebben op beleidsniveau bitter weinig te bieden. Het gevolg is een permanente loopgravenoorlog in de media. Aan Mouffe’s populistische criteria voldoet de N-VA foutloos: ze polariseren en verdelen dat het een lieve lust is. Maar tot consistente resultaten leidt het zelden. In de regering strompelt de N-VA van de ene blunder naar de andere, van dure F-35’s tot lekken bij de politie. Van een onafhankelijk Vlaanderen, de existentiële missie van de partij, is België lichtjaren verwijderd.

Toch slaagt de partij er steeds maar in om zich via de media als spreekbuis van de ‘vergeten’ Vlaming voor te stellen. De kranten staan hen daarin gewillig bij. De column van Bart De Wever in De Standaard liep ook in verkiezingstijd gewoon door. Op den duur valt zo voor de Vlaming mediavertoog en werkelijkheid niet meer te onderscheiden.

***

In de late jaren negentig merkte de socioloog Dick Pels dit zogenaamde ‘orakeleffect’ al op in de voordrachten van Pim Fortuyn. Mensen zouden op hem stemmen omdat ‘hij zegt wat wij denken’, klonk het vaak. Wanneer aan zijn aanhangers vervolgens gevraagd werd wat zij dan wel dachten, volgde er een onthutsend antwoord: ‘Nou, wat hij zegt natuurlijk.’

Zoals de volkswil van de populist de hele bevolking beslaat, geldt de waarheid van de technocraat voor iedereen

De analyse van Pels bewijst bovenal één ding: ‘natuurlijke’ politieke verlangens bestaan niet, verlangens worden evenzeer ‘geconstrueerd’ als ‘ontdekt’. De Franse socioloog Didier Eribon, een vriend van Mouffe, verwijst hier naar het voorbeeld van zijn ouders, die tot de jaren tachtig aanhangers waren van de Franse communistische partij, de pcf. In zijn kindertijd merkte hij een mondain racisme op in zijn thuismilieu. Zijn ouders maakten nijdige opmerkingen over Algerijnse gastarbeiders en hadden niet veel op met immigranten. Maar, schrijft Eribon, ‘die racistische ideeën deden er niet toe wanneer mijn ouders gingen stemmen’. Op verkiezingsdag lieten zij zich immers leiden door hun ‘politieke belangen’. Met het kader ‘arm versus rijk’ stonden ze ‘tegenover het patronaat, de bourgeoisie, de uitbuiters’. Hun ‘“wij” was dat van de arbeidersklasse’. ‘Dát “wij”’, zo concludeert Eribon, ‘is uit het politieke discours verdwenen.’

Eribons verhaal is vooral van toepassing op Mouffe’s tactiek. Het idee dat links zijn huik nu eenmaal naar de rechtse wind moet hangen gaat voorbij aan het feit dat het racisme van de kiezer alleen maar politiek significant is omdat er woordvoerders bestaan voor dat racisme. Dat betekent niet dat er geen structurele hang tot vreemdelingenhaat bestaat bij delen van de bevolking. Het betekent wel dat een xenofobe houding niet ‘genetisch’ of ‘biologisch’ voorbestemd is – zoals minister Stef Blok leek te suggereren in zijn gewraakte uitspraken op een besloten bijeenkomst. Niets is in feite sterker onderhevig aan sociale invloeden dan de eisen van de onderbuik: geen mens wordt als racist geboren. Er was een tijd, schrijft Eribon, dat zijn ouders niets moesten weten van het Front National en Jean-Marie Le Pen zagen als een fascistische malloot. Waarom zouden linkse populisten hem dan na-apen?

Wat daarentegen wel veranderd is, is de houding van linkse partijen tegenover de organen in de samenleving die ooit aan ‘belangenaggregatie’ deden. Twintigste-eeuwse linkse partijen werden niet alleen gestut door imposante ledenlijsten. Ze werden ook ondersteund door vakbonden en waren gebouwd op een rijke ecologie van organisaties, gaande van vrouwenraden tot zangkoren. De Duitse spd bijvoorbeeld had fietsclubs, voetbalverenigingen en kunstateliers. In tijden van tegenslag bieden dergelijke instituten een houvast die voorbij de campagnekoorts gaat.

***

‘Traditionele partijen’, zo schrijft de Britse politicoloog Chris Bickerton, ‘komen van oorsprong voort uit een bepaalde laag van de bevolking: linkse partijen vertegenwoordigden de arbeiders, liberale partijen de werkgevers of de elite.’ In een dergelijk klimaat is ‘een sterke leider niet zo belangrijk, want het draait om de achterban. Voor populistische partijen ligt dat anders. Zij komen uit het niets en moeten zich invechten. Een aansprekende figuur is dan van levensbelang, zeker in de moderne mediacratie.’

Vandaar dat Mouffe zozeer hamert op retoriek en het aanwijzen van tegenstanders, terwijl ze jammerlijk weinig te zeggen heeft over de bedrading van linkse partijen. Ten slotte lijkt Mouffe daarmee in hetzelfde soort media-absolutisme te vervallen als Hall: het enige wat links-populisme nodig heeft is een goede spin en een handvol journalisten die gunstig over je schrijven. Maar uiteindelijk is hegemonie in het cultuurveld een zwakke compensatie voor een gebrek aan economische macht. De publieke omroep beroert geesten met televisie. Een vakbond legt diezelfde omroep met een massastaking gewoon plat.

De nadruk op mediavorming verklaart in zekere zin ook het curieuze huwelijk dat het populisme vandaag aangaat met zijn vijand, de technocratie. ‘Populisme’ en ‘technocratie’ lijken vandaag zelfs een bevreemdende complementariteit te bezitten. Nadat de huidige Italiaanse regering beloofd had de staat weer aan het volk te geven, stelde ze een technocraat als economisch minister voor. Thierry Baudet liet weten dat hij het ‘partijkartel’ graag zou vervangen door een zakenkabinet. De leider van de Italiaanse Vijfsterrenbeweging Beppe Grillo bepleit de ene dag de oprichting van online-referenda, terwijl hij de andere dag ‘waardenvrij’ beleid wil, door specialisten uitgeschreven.

Baudet en Grillo gelden vooral als een type politicus die tegen het eind van de vorige eeuw zijn opwachting maakte: de ‘techno-populist’. De term, gemunt door Bickerton en collega Carlo Invernizzi, beschrijft een vreemde cocktail van volksheid en zakelijkheid die ook bij Fortuyn en Blair al zichtbaar was. Hoewel Fortuyn Wim Kok afdeed als een ‘zakelijke robot, saai en ongeïnspireerd’, streefde hij ook ‘bedrijfsmatig’ en ‘efficiënt’ beleid na. Hij liet zich ook nog graag ‘professor’ noemen, al was hij al lang weg uit de academische wereld. Populist en technocraat ontmoeten elkaar vooral in een eenduidige visie op waarheidsvorming: zoals de volkswil van de populist de hele bevolking beslaat, geldt de waarheid van de technocraat voor iedereen.

Dat betekent niet dat er in Mouffe’s populistische inhaalbeweging geen belangrijke vragen worden gesteld. Het succes van Mélenchon tijdens de laatste Franse presidentsverkiezingen blijft een bewijs van haar formule – twintig procent van de stemmen, met maar liefst 37 procent van de stemmende moslimbevolking. De vraag blijft alleen welke plek economie, beleid en klasse werkelijk innemen bij het nieuwe links-populisme. Zelfs een land als Nederland, dat van alle Europese landen altijd de zwakste arbeidersbeweging heeft gekend, lijkt nu radeloos naar een nieuw klassendiscours te grijpen om de misère op de arbeidsmarkt te verklaren. Daarbij is een economische analyse à la Ewald Engelen, met cijfers over arbeidsinkomensquota’s en belastingontduiking, altijd welkom.

Praten over het ‘volk’ daarentegen is intrinsiek speculatief. Het is resistent tegen wetenschappelijke diagnoses, onderhevig aan romanticisme en karikaturen. Geert Wilders geeft zelf toe dat de plek die hij nog het meest met zijn ‘traditioneel Nederland’ associeert een achtbaan in de Efteling is – een plek die niet bepaald een toonbeeld van authenticiteit is.

Het links-populisme van Mouffe stelt zich voor als redder van de ‘volkssoevereiniteit’ – het kroonjuweel van de moderne democratie. Maar het ‘volk’ in die volkssoevereiniteit is een glibberig concept, vooral wanneer het in de speculatiemachine van de media wordt ingeschreven. De politieke wereld moet uitvoeren wat het volk wil, maar tegelijkertijd vindt de politieke wereld altijd maar haar eigen nieuwe volkeren uit. Op een dag moet dat links-populisme voorbij die cirkel gaan, en zijn volk zonder gebruik van tegenhangers (elite) definiëren.

De vraag is of dat ooit lukt. In Spanje zit Podemos in een coalitie met de socialisten. Het Griekse Syriza is een schim van zichzelf. In Zuid-Amerika verkeert het links-populisme in een terminale crisis, van Venezuela tot Brazilië. Overal drijft er een vraagteken boven dat links-populisme, alsook over dat linkse volk. Over welk volk heeft Mouffe het precies? In 1933 stelde de Duitse dichter Bertolt Brecht die vraag al op pregnante wijze. Hij begon toen een gedicht met een citaat uit het eerste grondwetsartikel van de Duitse Weimarrepubliek: ‘Alle macht gaat van het volk uit.’ Maar, vroeg hij zich af: ‘Waar gaat die macht in godsnaam naartoe? En waarom ligt datzelfde volk nu dood in de schuur?’


Anton Jäger is afgestudeerd in de ideeëngeschiedenis aan de Universiteit van Cambridge. Hij werkt er momenteel aan een dissertatie over het Amerikaanse populisme