Roomboter geloven met en zonder bewijzen

Cicero, De goden. Vertaald en van aantekeningen voorzien door Vincent Hunink, met een inleiding van J. den Boeft. Uitgeverij Athenaeum-Polak & Van Gennep, 176 blz., f37,50 (pap.) f52,50 (geb.)
Voor een atheist is niets zo ergerlijk als het feit dat het helaas onmogelijk is te bewijzen dat god niet bestaat. Gelukkig staat daar tegenover dat men het er de laatste twee eeuwen in filosofische kring over eens is dat evenmin het bestaan van een opperwezen langs logische weg valt aan te tonen: het is een kwestie van geloof, hoe zeer de godloochenaars en gelovigen ook van hun eigen gelijk overtuigd zijn.

Dat devotie en intellect gescheiden werelden zijn, kan een probleem worden wanneer beide in een persoon zijn verenigd. ‘Is it possible to take religion seriously in an age of science?’ Aldus de openingswoorden van de in 1989 verschenen theologische dissertatie van Wim Drees: Beyond the Big Bang: Quantum Cosmologies and God. Drees, van huis uit fysicus, is ongetwijfeld de enige theoloog die werkelijk begrijpt wat Einstein heeft bedoeld met zijn uitspraak dat god niet dobbelt. Op een glasheldere manier zet hij de voornaamste kosmologische theorieen van de afgelopen decennia - waaronder die van Hawking - op een rijtje, en vraagt zich af of er binnen die systemen voor een god nog iets te doen valt. Conclusie is dat je god voor geen van die kosmologieen nodig hebt, maar dat zijn aanwezigheid ook nergens roet in het eten gooit - als je je godsbeeld maar aanpast. Vervolgens tracht Drees inderdaad een nieuwe rol voor god te bedenken, wat mij met een mengeling van verbazing en irritatie vervult. Eerst aantonen dat god kosmologisch gezien overbodig is, en dan toch gelovig blijven, dat is in mijn ogen een schoolvoorbeeld van wishful thinking. Maar vanuit zijn gezichtspunt heeft hij gelijk. Enigszins boosaardig zou men kunnen zeggen dat god zich nu eenmaal als een karakterloze burger aan ieder systeem aanpast.
Dat we wat betreft de kosmologische rol van goden nog niet veel verder zijn dan tweeduizend jaar geleden, blijkt uit de onlangs voortreffelijk vertaalde dialoog De goden van Marcus Tullius Cicero (106-43 v.Chr.), een boekje dat door Drees nergens wordt genoemd maar dat hetzelfde onderwerp behandelt. Cicero, die zichzelf in de Romeinse politiek een Messias-rol had toebedacht, bleek uiteindelijk niet op te kunnen tegen een gluiperd als Clodius, de gehaaide Caesar en - na diens dood - Antonius, volgens kwade tongen een dandy met een drankprobleem. Politiek uitgerangeerd en gekweld door een onfortuinlijk gezinsleven, stortte Cicero zich op de filosofie.
Had hij in de senaat gepoogd uitersten met elkaar te verzoenen, ook filosofisch was hij een typische eclecticus. Met enorme eruditie en een nuchter gezond verstand woog hij de vigerende Griekse stelsels tegen elkaar af, waarbij het maatschappelijk belang voor hem steeds op de eerste plaats stond.
Zo ook in De Natura Deorum. Dit enigszins gehavend overgeleverde werk beschrijft in drie boeken een fictieve discussie tussen drie vooraanstaande Romeinse intellectuelen, waarvan hijzelf als jonge man getuige zou zijn geweest. In de gesprekspartners zijn de drie belangrijkste wijsgerige stromingen van die dagen vertegenwoordigd. Gaius Velleius is een aanhanger van de materialistische theorieen van Epicurus, Quintus Lucilius Balbus verdedigt de ideeen van de Stoa, terwijl Gaius Cotta, de gastheer, het sceptische standpunt inneemt. Hoewel Cicero het aan het slot doet voorkomen of de strijd onbeslist is, denk ik dat Cotta, als laatste spreker, de sterkste positie heeft. Het boek geeft een prachtig beeld van het filosofische discours zoals dat in de eerste eeuw voor Christus onder Romeinse aristocraten werd gevoerd.
Eerst komt Velleius aan het woord. Als epicureer meent hij dat de kosmos geheel uit atomen bestaat en volstrekt toevallig zijn huidige vorm heeft gekregen. Het stelsel is vol vuur bezongen door Cicero’s tijdgenoot Lucretius. Wars van abstract geouwehoer en ongevoelig voor welk mysterie dan ook, gaat Velleius alle voorgaande godsbeelden te lijf op een manier waarvoor Batavus Droogstoppel zich niet zou schamen. Terecht heeft Velleius bezwaar tegen vaagheden en inconsistenties, maar hij heeft niet in de gaten dat hij zelf het meest tegenstrijdig is door aan te nemen dat er min of meer antropomorfe goden bestaan die in een zonovergoten vakantieparadijs noodgedwongen genieten van een eeuwig dolce far niente. Want wat hebben goden nog te doen in een door toeval bepaald universum?
Cotta veegt de vloer aan met Velleius’ opvattingen. Het lijkt erop, zegt Cotta, dat Epicurus eigenlijk atheist was, maar om geen gedonder te krijgen de goden toch maar niet schrapte. Een aardig staaltje van Cotta’s kritiek is het volgende. Volgens Velleius bestonden de goden al; daarna ontstonden door toeval de mensen en door hetzelfde toeval bleken die precies op de goden te lijken! Maar waarom hebben de goden benen als ze nooit behoeven te lopen en een spijsverteringsorgaan als ze geen voedsel nodig hebben? Kortom, Epicurus af door een zijdeur.
In het tweede boek is het de beurt aan Balbus, die achtereenvolgens wil aantonen dat goden bestaan, wat hun aard is, dat zij de wereld besturen, en dat zij zich om de mens bekommeren. Met stijgende ontzetting heb ik deze opeenstapeling van enormiteiten over me heen laten komen. Wie voorbeelden zoekt van ondeugdelijke redenaties kan hier zijn hart ophalen, want zulke volslagen kolder krijgt men zelden onder ogen. De Stoa gaat ervan uit dat de kosmos geheel is doordesemd van een goddelijke orde en regelmaat. In alles wat kennelijk aan onwrikbare natuurwetten beantwoordt, ziet de stoicus het plan van een verheven voorzienigheid. Aan te nemen dat alles door toevallige botsingen van atomen zou zijn voortgekomen, is volgens Balbus net zo onzinnig als te veronderstellen dat, als men een oneindig aantal gouden exemplaren van alle letters van het alfabet op de grond zou gooien, daaruit vanzelf de Annalen van Ennius zouden ontstaan. Van Zeno, de stichter van de Stoa, is het volgende syllogisme: 'Wat over rede beschikt is hoger (ik vertaal liever: 'beter’ - pg) dan wat niet over rede beschikt. Niets is hoger dan de wereld (liever: 'heelal’ of 'kosmos’ - pg). Dus beschikt de wereld over rede.’ En van een cirkelredenering als de volgende krijg ik het bijna warm: eerst wordt uit de perfecte regelmaat van de kosmos afgeleid dat er wel goden moeten bestaan; vervolgens wordt de vraag gesteld waar die goden zich mee bezighouden, want ze moeten toch iets voortreffelijks te doen hebben. Antwoord: zij besturen het heelal. Conclusie: de kosmos wordt door goden bestuurd. Dat een filosofisch geschoold man als Cicero deze baarlijke nonsens op papier heeft kunnen zetten!
Tot mijn grote opluchting wordt het betoog van Balbus in het derde boek door Cotta vakkundig aan flarden gescheurd. Het hierboven geciteerde syllogisme van Zeno ontkracht hij als volgt: 'Als je dit aanneemt, zul je ook tot de conclusie komen dat de wereld uitstekend een boek kan lezen! Want in de voetsporen van Zeno kun je ook het volgende syllogisme formuleren: “Wat geletterd is, is hoger dan wat niet geletterd is. Niets is hoger dan de wereld. Dus is de wereld geletterd.” Op die manier is de wereld ook welsprekend, wiskundig begaafd, muzikaal, geleerd op alle gebieden, en uiteindelijk zelfs een filosoof!’
Nadat Cotta zowel de epicureische als de stoische visie vernietigend heeft weerlegd, bevinden de gesprekspartners zich in een socratische aporie: als geen van beide stelsels houdbaar is, wat kunnen we dan nog over de goden zeggen? Iedere grond om in het bestaan van goden te geloven lijkt te ontbreken. Toch blijft Cotta, net als Drees, religieus: 'Die traditionele opvattingen van onze voorouders over de onsterfelijke goden zal ik nooit opgeven door een betoog van wie ook, geleerd of niet geleerd (…) Onze staat had nooit zo groot kunnen worden als wij de onsterfelijke goden niet in alle opzichten gunstig hadden gestemd (…) Onze voorouders mag ik geloven zelfs zonder dat ze bewijzen leveren.’
Nee, ik denk niet dat we Cicero als een groot en consequent denker kunnen beschouwen. Ook zijn redevoeringen en brieven bevatten weinig originele gedachten. Bovendien moet hij een onuitstaanbare ijdeltuit zijn geweest, hetgeen in De goden onder meer blijkt uit het feit dat hij pagina’s lang citeert uit zijn eigen, vrij stroeve vertaling van een onwaarschijnlijk vervelend Grieks leerdicht over astronomie, zonder dat daar werkelijk aanleiding toe is.
Cicero’s verdienste schuilt eerder in zijn theoretische werken over retorica en in zijn onovertroffen stijl. Voor Quintilianus (eerste eeuw na Chr.) was Cicero het voorbeeld, zoals hij dat ook voor Petrarca zou worden. Een van mijn leermeesters betitelde Cicero’s hechte constructies soms watertandend als roomboter. Zonder deze puntgave, muzikaal uitgebalanceerd voortrollende volzinnen, die me in het Latijn niet lang genoeg kunnen duren, zou Cicero niets meer zijn geweest dan een middelmatig politicus, een spitsvondig advocaat en een derderangs denker.