Wie vervangt straks God op aarde?

Rooms roulette

Het aftellen is begonnen. Afgelopen zondag vierde de paus zijn 25-jarige pontificaat. Dinsdag werden 31 nieuwe kardinalen geïnstalleerd in het Vaticaan. Het conclaaf is gereed. Maar hoe kiezen ze straks een nieuwe paus?

ROME — In de onschuld van het afgelopen fin de siècle gingen leraren nog met de trein op Rome-reis. De rituele inscheping van het onderwijspersoneel had zo zijn ongemakken. Die werden niet door de leerlingen veroorzaakt. Die braken op eigen gelegenheid het treinstel wel af. De ware beproeving was de confrontatie met de collega’s. Opeengepakt in een compartiment van twijfelachtige hygiëne, besprak het keurkorps van de lokale intelligentsia de nieuwe lichting. Het roddelde, het schermde met nieuw opgedane kennis, dronk de goedkope wijn en at de bifi’s die door de schoolleiding ter beschikking waren gesteld voor de overtocht. Hier werd het kaf van het koren gescheiden. De zwakkeren, die al vóór de Nederlandse grens onwel werden, vielen direct af. De sterkeren hadden dan nog een klein etmaal het pleit te beslechten. Uiteindelijk bleef er, uitgeput, één over: de leider van de reis.

Deze rite de passage heeft meer overeenkomsten met een conclaaf dan men op het eerste gezicht zou denken. Kardinaal Silvio Oddi (inmiddels overleden), die zich de twee laatste conclaven in 1978 herinnerde, wees ook in dit geval op een gebrek aan respect in het opsluiten van meer dan honderd mannen op leeftijd onder erbarmelijke omstandigheden.

Om de voor een conclaaf (cum clavi = met sleutel) gewenste isolatie te bereiken, stelde men eerst tenten en later houten barakken op rond de Sixtijnse kapel om de pauskiezers bij elkaar en uit de publiciteit te houden. Ook de gaarkeuken liet vaak te wensen over. In 1903 veroorzaakte de ondeugdelijke vertinning van een koperen pan een vergiftiging die de ganse katholieke elite velde, behoudens de grote kanshebber Rampolla die een eigen kok had (en het niet werd), de aartsbisschop van Wenen die gezellig met de Zwitserse garde mee at en de primaat van Hongarije, die een zuster had laten meereizen voor de bereiding van de goulash.

Het tekent de baanbrekende moderniteit van Karol Woytila (paus Johannes Paulus II), dat hij het hospitium van de heilige Anna — waar de pauskiezers binnenkort, de sterfelijkheid van de pontifex in acht nemende, gevestigd zullen worden — heeft laten ombouwen tot een waardig viersterrenhotel, voorzien van een voortreffelijke keuken, met op iedere kamer een televisie (die helaas geen beeld geeft tijdens het conclaaf zelf) en ander modern comfort.

Deze pastorale zorg is niet alleen ingegeven door humanitaire overwegingen. Woytila, die behalve mysticus ook respectabel intellectueel is, en behalve acteur en dichter ook hoogleraar filosofie was en in die hoedanigheid een aanzienlijk en kwalitatief hoogstaand corpus teksten heeft geproduceerd, herinnerde zich misschien de vermaningen van een van zijn illustere voorgangers.

Pius II Piccolomini schreef in het midden van de vijftiende eeuw al over het structurele belang van de openbare latrines voor een conclaaf in zijn memorabele Commentarii: «Reeds was de nacht voor het grootste deel vervloden, toen plotseling de kardinaal van Bologna binnentrad en Aeneas (Enea Silvio Piccolomini schrijft, als Caesar, over zichzelf in de derde persoon enkelvoud — dr) wekte uit zijn slaap met de woorden: ‹Wat vind jij, Aeneas? Weet je nog niet dat we een nieuwe paus hebben? Een aantal kardinalen is bijeengekomen in de latrines en heeft besloten Wilhelmus te kiezen. We wachten alleen nog maar op het aanbreken van de dag. Als je het mij vraagt, moet je opstaan, en hem je steun aanbieden vóór hij gekozen wordt, om te voorkomen dat hij, als hij paus wordt met jouw tegenstem, een hekel aan je krijgt.›»

Piccolomini hield zijn poot stijf, sprak over de onwaardigheid van de plaats van samenkomst alsmede van die van de geselecteerde kandidaat die, indien gekozen, van de bruid van Christus een slet zou maken, wat Christus toch moest en zou verhoeden: wie op de wc samenzweert zal sterven als Arius, de beroemdste ketter uit de geschiedenis, zo meende hij, dat wil zeggen in de diarree. Na het afwijzen van enkele lucratieve aanbiedingen, weer op de toiletten bekokstoofd, werd Piccolomini tot zijn verbazing zelf paus (1458-1464).

Nog altijd is het, op straffe van excommunicatie, verboden voor het kiescollege van kardinalen om te onderhandelen, zowel vóóraf als tijdens het conclaaf. Continuïteit én verandering: ziedaar het magische recept voor conclaaf én katholicisme.

Zoals de katholieke kerk de enige internationale organisatie is die nog op niveau haar invloed kan doen gelden, zo is het conclaaf het enige westerse ritueel dat vanaf de klassieke oudheid ongebroken functioneert als instrument van een electorale monarchie. Een conclaaf, het hoogtepunt van de vacatio sedis, is niet alleen het uur van de waarheid voor de kerk, maar ook haar finest hour. Tijdens het conclaaf werkt haar ondoorzichtige maar onverbiddelijke systeem op zijn best, dan draait de machine op volle toeren. De duizelingwekkende hiërarchische fijnregeling die het systeem zo bijzonder maakt, valt alleen dan op zijn plaats. Bij een conclaaf koppelt de samenkomst van kardinalen (van cardo: scharnier) het ene pausdom aan het andere, en scharniert zo op haar beurt de geschiedenis van de kerk aaneen.

Dat dit een proces van vallen en opstaan is, lijkt misschien merkwaardig gezien de geur van onfeilbaarheid die sinds Pius IX in de negentiende eeuw van het pauselijk banier walmt. Maar het is even logisch als onloochenbaar. Kardinalen zijn namelijk menselijk en maken fouten. Zelfs de paus is menselijk en kan fouten maken. Alleen sprekend ex cathedra is hij, geïnspireerd door en sprekend voor zijn heilig systeem, onfeilbaar.

De eerste menselijke fout van de clerus dateert al vanaf het vroegste begin. Onhandig was, zacht gezegd, het toestaan van inspraak door het (kerk)volk bij een pausverkiezing bij acclamatie. Deze inspraak bleek al te kwetsbaar voor ongewenste manipulatie en werd spoedig ongedaan gemaakt. Daarmee werd een tendens van geslotenheid, geheimhouding en conservatisme geïnitieerd die van wezenlijk belang voor de katholieke traditie is geworden. De manipulatie bleef, maar nu zonder het volk. En terecht: de kerk was na haar promotie tot staatskerk vanaf Constantijn de Grote te belangrijk geworden om door de luimen van de massa te worden gestuurd.

De Middeleeuwen leverden — behalve kostelijke anekdotes (zoals de charmante mythe van de verkiezing van pauzin Johanna in 855, betrapt toen zij tijdens de Staatsie-processie een kind baarde, waaruit het lang gebezigde habet-ritueel ontstond, het discreet betasten van de testikels van een verkozen paus) — via trial and error uiteindelijk een vast omschreven ritueel op voor het conclaaf.

In grote lijnen functioneert dat nog steeds. Het behelst de besloten opsluiting van de kardinalen, zonder inmenging van buiten. Een tweederde meerderheid (eventueel te verkrijgen door overname van een voorstel door een beperkter kiescollege of, glorieus moment, door directe interferentie van de heilige geest, vaardig geworden over één der deelnemers en unaniem gevolgd). En ten slotte de opeenvolgende stemrondes en het verbranden van de stembriefjes tot rook. Eerst zwart, door de toevoeging van nat stro of chemicaliën. Uiteindelijk wit: waarna het habemus papam.

De laatste twee pausen hebben aan de operatie, en de structuur van het kiescollege, een aantal kleine maar fijne preciseringen toegevoegd, waarvan de belangrijkste is dat een kardinaal bij het behalen van de leeftijd van tachtig jaar zijn stemrecht verliest (hoewel hij wel verkiesbaar blijft).

Het garanderen van veilig en ordentelijk verloop was geen overbodige luxe. Niet alleen buiten Rome (het laatste conclaaf buiten Rome vond plaats op San Giorgio in Venetië in 1799-1800) is het vaak vorstelijk uit de hand gelopen. Zoals in Viterbo (1268-1271) toen de kardinalen er twee jaar en negen maanden voor namen om tot de verplichte meerderheid te kunnen komen, weliswaar opgesloten, maar goed gevoederd. Verwijdering van het dak van de vergaderzaal bleek onvoldoende als pressiemiddel. Pas een rantsoen van water en brood gaf uiteindelijk de doorslag.

In Rome zelf werden de kardinalen zelfs openlijk geplaagd door de lokale adel. De opsluiting in het antieke en intussen kaduke Septizonium (nu nog te zien op een fresco van Botticelli in de Sixtijnse kapel en zo een blijvende waarschuwing aan de pauskiezers) voor het conclaaf van 1241 bijvoorbeeld: «Hoe kan men vergeten», zo schreef een deelnemer, «hoe één van onze broeders aan zijn eerbiedwaardige witte haren werd gegrepen en als een struikrover op weg naar de galg naar de grond getrokken, terwijl de wachters op het dak hun behoeften deden die door kieren en gaten op één van onze broeders neer druppelden als gier en met regen vermengd op het bed van een andere dropen? Hoe een andere broeder, bespot en bespuugd, naar de dodenkamer werd gesleurd? De kardinalen werden zo geïntimideerd, dat één van hen stierf en alle anderen ernstig ziek werden.»

Deze scènes uit het rijke Roomse leven zijn niet alleen ter vermaak, maar vooral ter lering geciteerd. De geschiedenis van de kerk als verzameling hoogwaardigheidsbekleders is absurd, ook na de Middeleeuwen. De bijdrage van de kerk tot de Europese cultuur daarentegen — in zijn verstrengeling van lichaam en geest, tijdelijk en eeuwig, heden en verleden, misdaad en weldaad — is uniek. Het is levende geschiedenis. Het is de incorporatie van de tijd, niet van de eeuwigheid, zoals men in het Vaticaan zelf vaak denkt.

Ook het aanstaande conclaaf zal daar om draaien: om de macht van traditie en ritueel, het vermogen tot veerkracht en aanpassing en de integratie van schijn en werkelijkheid. Want door de paradox tussen modernisering (in curiale kringen spreekt men vaak misprijzend van aggiornamento) en rigoureuze orthodoxie van het huidige pontificaat staat de kerk in een spagaat.

Het vermogen tot aanpassing aan veranderde omstandigheden is nooit triomfantelijker gedemonstreerd dan na de crisis van de hoge Middeleeuwen. Niet alleen Italië, maar ook het pausdom beleefde een wedergeboorte. In de confrontatie met zowel territoriale als filosofische claims op andere macht en wijsheid dan die van Rome — claims die voor Rome levensbedreigend waren — ontwierpen de pausen en hun curie een (humanistische) theologie van integratie. Ze erkenden de openbarende kracht van andere tradities (de joodse, de antieke, de Egyptische). Maar de reformatie, ongevoelig voor metaforen en harmonisering, ontzegde vervolgens Rome toch het monopolie op christendom en filosofie, wees op de kloof tussen schijn en werkelijkheid in de roomse praktijk en bracht zo dit experiment ten einde. Hoewel het katholicisme ook deze laatste aanval, de zwaarste tot dan toe, te boven kwam, ging herstel ten koste van souplesse.

Vanaf de late zestiende tot de late twintigste eeuw is dan ook sprake van een toenemende rigiditeit in de ontwikkeling van het pausdom. Na de onfeilbaarheid van de negentiende eeuw is die geculmineerd in de huidige houding jegens de ontwikkelingen in de moderne wereld die iedereen voor vanzelfsprekend houdt: in het bijzonder de positie van de vrouw en de seksuele moraal. De kerk heeft onder Johannes Paulus II in toenemende mate dogmatisch vastgehouden aan de ontoegankelijkheid van het priesterschap voor vrouwen, en houdt hen daarmee klein. Dogmatisch houdt de kerk vast aan de verwerpelijkheid van homoseksualiteit in de praktijk, en ontzegt daarmee een respectabel deel van de bevolking een aandeel aan de genade die ze iedereen belooft. Dogmatisch houdt de kerk vast aan het priestercelibaat en stimuleert zo niet (impliciet) de pedofiele excessen die de Amerikaanse kerk onlangs zo in beroering hebben gebracht, dan toch een verregaande cultuur van hypocrisie omdat het priesterschap mensenwerk blijft. En dogmatisch houdt de kerk vast aan het verbod op contraceptie, met de stelling dat (ook) condooms hiv verspreiden. Dat is, gezien de situatie in Afrika en Azië, onverdedigbaar en inhumaan.

Paus en kardinalaat verdedigen zich natuurlijk toch. Ze wijzen op hun rigoureuze bescherming van het leven en de familie, en op de verering van de vrouw op haar eigen terrein (en dus niet dat van de priester die man moet zijn, als de discipelen van Christus). Daarmee hebben ze de oudere en onbruikbaar geworden verdedigingslijn, die de vrouw op gezag van de bijbel en de leer van de apostel Paulus inferieur verklaart, vervangen. Anders gezegd: de kerk is vaak in het nauw gebracht, maar zij heeft koers gehouden. Want de openbaring van Christus is sowieso niet voor discussie vatbaar. Met die waarheid zijn geen compromissen mogelijk. Niettemin ondervinden deze posities ook in de eigen gelederen oppositie. Dat is de ene poot van de spagaat.

De andere poot is ontstaan door het charismatische maar solistische optreden van de paus zelf. Johannes Paulus II wordt alom geroemd voor zijn rol bij het ten val brengen van de communistische dictatuur, zijn inzet voor de vrede, zijn tomeloze energie en zijn eindeloos lijden. Hij wordt geprezen voor de moed om de joden vergiffenis te vragen voor wat de kerk door nalatigheid heeft misdaan. En hij heeft, zij het niet als eerste, een brug willen slaan naar andere religies. Kortom, hij heeft de noodzakelijke aggiornamento, de up-date, tot stand gebracht door zijn creatief en indrukwekkend gebruik van charisma, media en technologie.

Maar Johannes Paulus II heeft zich zo, door zijn succes te koppelen aan zijn persoon, niet alleen moeilijk vervangbaar gemaakt. Hij heeft ook de curie in een lastig parket gebracht. Want met name de interreligieuze dialoog staat op gespannen voet met orthodoxie en de exclusieve waarheid van het eigen geloof. Terwijl Johannes Paulus bruggen trachtte te slaan naar andere geloofsgemeenschappen, excommuniceerde zijn rechterhand kardinaal Joseph Ratzinger — papabilis, zij het niet hoog bij de bookmakers, en verantwoordelijk voor de bewaking van de rechte leer — de Sri Lankese pater Balasuriya voor het relativeren van katholieke leerstellingen ten faveure van een dialoog in het multireligieuze Sri Lanka. Waar de linker gaf, nam de rechterhand. Zo ook in het opzicht van politieke interferentie: na de actieve steun aan de Poolse vakbond Solidariteit volgde de tuchtiging van de bevrijdingstheologie in Midden-Amerika.

Men zou in deze wederwaardigheden een indicatie van spanning kunnen zien tussen een Woytila als eenzame christenstrijder en een curie die hem tracht in te tomen met praktische bezwaren. In de kringen rond Ratzinger is wel eens sprake van een lichte irritatie over de meeslepende avonturen van de heilige vader, zo lijkt het. Maar, naar goed katholiek gebruik, is open kritiek uit den boze. Niettemin is het precaire evenwicht tussen geven en nemen, tuchtigen en beminnen, tegemoetkomen en afstand nemen, kenmerkend voor het karakter van Karol Woytila zelf, acteur, dichter, sportman, filosoof, priester, wereldster.

Die gespletenheid van Johannes Paulus II verbaast niet. Beide rollen — die van de verzoener én die van de orthodoxe dogmaticus — passen hem. Zijn obsessies zijn terug te voeren op zijn jeugdervaringen (nabij Auschwitz, met een vroeg gestorven en diep vereerde moeder) en zijn wilskracht. Dezelfde wilskracht die hem nu, bijna tegennatuurlijk, in leven houdt en op zekere koers heeft gebracht naar canonisatie. De aandachtige bezoeker kan in de Sint Pieter voor zijn tombe al een vrijgemaakte plaats bespeuren aan gene zijde van Johannes XXIII. Die wilskracht verklaart zijn macht om onverenigbare tegenstellingen bijeen te houden. De kerk, de bruid van Christus, is zijn ene pet: onfeilbaar, rücksichtslos. De liefde, zoals hij die ziet, is de andere: barmhartig, toenadering zoekend, feilbaar, band tussen mens en mens zowel als mens en God.

Deze verscheurdheid van de paus Johannes Paulus II, die nagenoeg iedereen in het Vaticaan bewondert maar haast niemand aardig of lief vindt, krijgt in zijn fysieke martelgang een extra dimensie, die in de perceptie van gelovigen nu al mystieke vormen aanneemt. Hiermee draait het katholieke theater op volle toeren, tragisch omdat het een lijdende oude man betreft, goddelijk omdat deze man paus is. Zo laat Johannes Paulus II door hoogst persoonlijk exempel de bipolariteit tussen de virtuele wereld van de kerk en de werkelijke wereld van de ellende zien. En de titanische macht nodig om in zo’n spanningsveld te leven.

Het «diepe en langdurige gebed», dat mon seigneur Karel Kasteel van de Camera Apostolica (en als zodanig medeverantwoordelijk voor de organisatie van het aanstaande conclaaf) zijn «kracht en vertrouwen» noemt, zal ook de kardinalen bij hun aanstaande keuze voor een opvolger bar van node zijn. Want een sobere kijk op de politieke situatie (hoewel Kasteel ontkent dat een conclaaf er is «om politiek te bedrijven») leert dat de toekomst allemachtig gecompliceerd aan het worden is.

De paus heeft in zijn verzoenende rol een weg geopend die uiteindelijk kan leiden tot het opgeven van op zijn minst een aantal dogma’s. Want de postmoderne Johannes Paulus heeft niet alleen de media gebruikt, hij heeft ook, op geheel andere wijze dan de lieve Johannes XXVIII, met zijn interreligieuze dialoog een deur geopend naar theologisch pluralisme, al slaat de curie telkens de kier weer met grote kracht dicht. Maar de dogma’s zijn de kerk. En de kerk weet dat zonder de onwankelbaarheid van ritueel en traditie, en daarmee de dogma’s, de grond onder de voeten zal verdwijnen. Ook theologisch pluralisme betekent het einde van de kerk. Het oeroude ritueel, in exclusieve en autocratische handen van zeer oude mannen, lijkt als wezenskenmerk van een kerk in deze tijd ook al extreem kwetsbaar. Wordt het nu buigen of barsten, of volstaat het rechthouden van de rug? De meningen zijn verdeeld.

Daarom zal het conclaaf straks maar gaan laveren, een favoriete bezigheid van het Vaticaan, sterker nog, zijn historische succesformule. In een conclaaf wordt de traditie van de vorige paus (en traditie is qualitate qua heilig) voortgezet door er een wending aan te geven. Voortzetting en aanpassing lijken even problematisch. Wat het eerste betreft: hoe stil te blijven staan op het pad dat leidt naar pluralisme (om niet te ver te komen), recht in de leer te blijven, ritueel en traditioneel zonder aanstoot te geven, en niet zichzelf door onverkoopbaar conservatisme toch te marginaliseren? Anderzijds is elke wending gevaarlijk, nu het tij van de tijd, waar deze paus met onmiskenbare dapperheid — en waar het westerse consumentisme betreft, met begrijpelijke felheid — tegen ten strijde is getrokken, zo tegen zit. Maar een blik op de geschiedenis leert dat we het evenwichtskunstenaarschap van de kardinalen niet moeten onderschatten, zoals ook Kasteel benadrukt, daaraan met karakteristieke mildheid toevoegend dat er ook de heilige geest nog is.

Zo zou bijvoorbeeld een truc uitkomst kunnen bieden, als verrassingseffect om de spanning weg te nemen. Dat wil zeggen een Zuid-Amerikaanse kandidaat. Bijvoorbeeld Ortega y Alamino, aartsbisschop van Havana (4-1 bij de bookmakers). Of een Afrikaanse, zoals de Nigeriaan Arinze (regelmatig genoemd). Want kardinalen van buiten Italië of Europa zijn niet vooruitstrevender dan hun collega’s — misschien zelfs roomser dan de paus, zoals zo vaak bij hen die van buiten in een bewonderd systeem komen. Daarvan is Woytila zelf in zekere zin een voorbeeld.

Volgens mgr. Kasteel is het onderscheid tussen conservatief en progressief irrelevant in het Vaticaan. De buitenwacht denkt daar evenwel anders over. Als Ratzinger, een onbetwist intellectueel leider, het zou halen komt er een hardliner aan het roer. Anderzijds noemen velen in en rond het Vaticaan hem een bijzonder aardige man (Ratzinger heeft ook een actieve fanclub op internet). Bovendien heeft de promotie tot het pontificaat al menig kandidaat een ware metamorfose doen ondergaan. Bookmakers ondertussen houden het op aartsbisschop Tettamanzi van Milaan (2-1). Maar de traditie wil dat wie als paus een conclaaf betreedt, er als kardinaal uitkomt. Topkandidaten kunnen elkaar immers blokkeren, en zo de weg vrij maken voor een volkomen onverwachte derde.

Uiteindelijk is het een roulette, waarbij de heilige geest de rol van Rick in Casablanca vervult. Na de vorige twee, zou in ieder geval een geestige paus wel weer eens mogen. Iemand als Johannes XXVIII, die op de vraag hoeveel mensen er in Vaticaanstad werkten tot grote razernij van de curie antwoordde: «de helft».