TONEEL

Roomse opvliegers

Gijsbrecht van Amstel

Nu heeft de Actie Tomaat het ook al op haar geweten dat de jaarlijkse nieuwjaarspremière van Vondels Gijsbrecht van Aemstel na 1 januari 1968 een roemloze dood stierf. Toen nog in de regie van Henk Rigters, met Jules Croiset als de stervende broeder Arend, Ellen Vogel voor het laatst als Badeloch en de huidige mevrouw Bolkestein, Femke Boersma die de Rei van Amsterdamse maagden sprak. De Actiegroep Tomaat bestond in die winter van 1968 nog niet, de toneelspelers wilden wat anders, in de artistieke leiding van het uitvoerende gezelschap zat de jonge Erik Vos, hem werd de nieuwjaarspremière van het rampjaar 1969 (de tomaten vielen toen in oktober) toevertrouwd, de keus viel op Bredero’s De Spaanse Brabander, een mooie breuk in de traditie overigens. Die daarna nog wel diverse malen herleefde (Hans Croiset, Carel Briels, Rieks Swarte, De Warme Winkel) maar die steeds weer doofde. Vondel heeft nu eenmaal niet de kwaliteiten van een Olympische vlam.
Het is die taal hè, hoor je altijd. Maar ja, literatuur zit drama vaak in de weg. Het is de stad als hoofdrolspeler hè, hoor je om je heen smoezen bij de nieuwe Gijsbrecht door Het Toneel Speelt (regie: Jaap Spijkers), waarin ontwerper Guus van Geffen het splijtend voordoek laat bestaan uit de beroemde kaart van Amsterdam van Cornelis Antonisz. En bij het weerklinken van regel acht van de openingsmonoloog ‘En vlughten haestig langs den Haerelemmer dyck’ stuiven de eerste Mokumse ressentimenten op. Mark Rietmans vertolking van die openingsmonoloog blijkt overigens een klein meesterstuk. Hij staat hoog en vertelt gewoon een goed verhaal, met de naïeve subtekst die zijn personage eigen is: moet je nou toch eens horen, hebben we het zware beleg van een jaar overleefd, loopt de vijand opeens van de stad weg, we zijn gered! Maar ja, ergens in die geknipte en geschoren Vondel-alleenspraak slaat de breedbespraakte Gijsbrecht een haakse hoek om en begint hij over de bisschop van Utrecht te zwatelen, meteen ben je als aandachtig toehorende toeschouwer het spoor weer compleet bijster.
Dat blijft toch een probleem van die mooie taal, er staat zo weinig op het spel, personages worden pas boeiend als de druk op de ketel wordt opgevoerd, niet als je ze maar langdurig laat loeien over het onheil van zoiets abstracts als het lot van een stad. Daarom blijven de scènes tussen Gijsbrecht en Badeloch in de vierde en met name de vijfde akte Vondel op zijn best, ook hier, met Carine Crutzen die als Badeloch lekker fel hoog spel speelt, een mooie Bart Klever die de hypocriete zwartrok Peter doet en Paul Hoes die pas overtuigt als het wijwaterzweet hem tot de kiel van zijn nachthemd komt. De verkrachte Klaeris van Velzen aan het slot laten opkomen als aartsengel Rafaël (Fockeline Ouwerkerk) is trouwens ook een vondst die er wezen mag. En dan de nieuwe Reien, drie van de vier koorzangen herschreven door Willem Jan Otten. Het zal mijn paapse jeugd zijn (want zegt U dat wel mevrouw, daar kom je nooit meer van af), maar ik kreeg bij die teksten toch wel erg last van roomse opvliegers en rode Huub Oosterhuis-vlekken in de halsstreek. 'O Kerstnacht, het is nu/ het uur van bevallen, uw mama, Maria,/ is vol van ontsluiting,/ haar weeën verwijden/ haar meer dan zij nog kan.’ Doe mij dan maar 'O Kersnacht, schooner dan de daegen/ Hoe kan Herodes ’t licht verdraagen/ Dat in uw duisternisse blinck / En wordt geviert en aengebeden?/ Zijn hoogmoed luistert na geen reden/ Hoe schel die in zijn ooren klinckt.’

Gijsbrecht van Amstel speelt nog t/m 18 februari door het hele land en het loopt aardig storm, dus wacht niet te lang. Laatste voorstelling is overigens in Gijsbrechts historische doodsvijand Haarlem. Inlichtingen en speellijst www.hettoneelspeelt.nl