KUNST

Roomse poppenkast

Rubens c.s.

De kern van de Vlaamse en Nederlandse collecties van de Hermitage kwam in tien jaar tot stand, tussen 1769 en 1779, met de aankoop van de collecties Von Brühl, Crozat en Walpole. Catharina de Grote kocht in bulk, honderden schilderijen en tekeningen tegelijk, en hoewel ze onmiskenbaar een zekere smaak had en ook goed advies ontving, gingen haar acquisities evenzeer om kwantiteit als om kwaliteit. Waardoor - het is eerder opgemerkt - de collectie van de Hermitage zeer groot is, zeer gevarieerd en vol topstukken, maar ook behept met een groot percentage B-garnituur dat dáár, in de kolossale paleizen, zaal na zaal vult zonder op te vallen. Hier, in de compacte setting aan de Amstel, luistert dat kwaliteitsbegrip veel nauwer, zeker in een overzicht van Vlaamse schilderkunst uit de zeventiende eeuw. Die hebben wij hier ook. Amsterdam heeft misschien niet bijster veel Rubensen, maar die andere mannen zijn goed vertegenwoordigd, en Antwerpen is niet ver.
Er is nog iets wat in een dergelijke presentatie in Amsterdam een rol speelt: Rubens ligt ons niet zo. Het is moeilijk de vinger te leggen op het waarom. Misschien toch dat rare witte lillende vlees, misschien die overenthousiaste religieuze spektakels, die roomse poppenkast. Misschien is het kinnesinne: die Gouden Eeuw van ons, dat was natuurlijk heel wat, maar de noorderling voelt zich onwillekeurig een provinciaal bij het zien van de jeu van het rijke Vlaamse leven, dat niet alleen in zichzelf kleuriger en geuriger was, maar waarin de gloed zichtbaar was van Italië en Spanje, de écht grote beschavingen van die tijd. Rubens en Van Dyck hadden daar jaren rondgereisd en hadden iedereen ontmoet en alles gezien. Rembrandt niet, die is misschien een keertje op en neer naar Engeland geweest.
Is het een goede tentoonstelling? Ja, als je de eenvoudigste beschrijving hanteert, de ondertitel: ‘Vlaamse schilders uit de Hermitage.’ Dan zie je 75 stukken, waaronder zeventien van Rubens (of diens studio), zeer goede portretten van Van Dyck, grote dierenstillevens van Snyders en een serie genrestukken van Teniers. Allemaal behoorlijk goede schilderijen waarvoor je anders naar Sint Petersburg zou moeten. De werken worden enigszins gegroepeerd in genres en er is degelijke achtergrondinformatie over de schilders, de types schilderijen, et cetera. Netjes. De ambiance is als altijd zeer verzorgd. Maar verder?
Ach, verder zou er nog zo veel beters te bedenken zijn, ook met het beschikbare Petersburgse materiaal. Een échte confrontatie tussen Rubens, van Dyck en Jordaens met als centraal stuk een goede Titiaan, én een Rembrandt daarbij: een kijkwedstrijd over hoe Titiaan die anderen allemaal biologeerde en tegen elkaar opzette. Of: een reconstructie van hoe Van Dyck in Engeland het hofportret 'titianiseerde’ en de basis legde voor anderhalve eeuw hofschilderkunst. Sowieso verdient Van Dyck beter dan die oude rol van bijwagen, 'Rubens’ beste leerling’. Zijn portret van Sir Thomas Wharton (1639) is meesterlijk, de ideale aristocraat in sterke kleuren, pluimen en kuras, een beeltenis die de hoveling vleit en tegelijk de koude gespannen arrogantie toont die bij dat Britse hof hoorde. En daarnaast dan dat portret uit 1635 van de koning zelf, Charles I, niet óp zijn paard, maar ernaast, losjes, relaxed, waarmee Van Dyck Titiaans fameuze ruiterportret van Karel V naar de kroon stak. Maar ja, díe Van Dyck hangt in het Louvre, omdat Lodewijk XVI het in 1775 kocht van mevrouw DuBarry. Hij was Catharina de Grote waarschijnlijk net voor.

Rubens, Van Dyck & Jordaens: Vlaamse schilders uit de Hermitage. Hermitage Amsterdam, t/m 16 maart. www.hermitage.nl