Roomse terreur

Man Booker Prize-winnaar John Banville speelt een doortrapt literair spel met het detectivegenre © Paulo Nunes dos Santos/The New York Times / ANP

In 2018 schreef de Ierse meesterverteller John Banville (1945) met Mevrouw Osmond een verrassend vervolg op Henry James’ klassieker A Portrait of a Lady (1881). Het zou me niet verbazen als hij met nog zo’n brutaal plan rondliep, bijvoorbeeld een tweede deel van James Joyce’s Ulysses (1922), dat hij dan Achilles zou kunnen dopen. Joyce speelt wel mee op de achtergrond van Banville’s speelse detectiveroman Sneeuw, dat wil zeggen diens beroemde uitspraak ‘We are a priest-ridden race.’ De Ieren die Banville in Sneeuw verzamelt zuchten inderdaad onder de dominantie van de rooms-katholieke kerk en haar zogenaamd celibataire priesters. Noem die overheersing wat het is: terreur.

De achilleshiel van politie-inspecteur St. John Strafford in Sneeuw – die als jongen een rol speelde in The Secret Guests van thrillerauteur Benjamin Black (Banville’s pseudoniem) – is zijn jongensachtige uiterlijk én zijn onbeholpen, weinig doortastende houding tegenover vrouwen. De 35-jarige protestantse St. John Strafford wordt vlak voor Kerstmis 1957 vanuit Dublin naar de zuidelijk gelegen County Wexford gezonden, waar in het landhuis Ballyglass House van de Osbornes, verarmde en verloederde protestantse landadel, een moord is gepleegd. Niet alleen is priester Tom Lawless (what’s in a name?) gedood, hij blijkt ook gecastreerd, een daad die buiten de doorsnee detective valt maar die van Sneeuw onmiddellijk een actuele aanklacht maakt. Er valt nog veel meer buiten de doorsnee.

Allereerst wijkt inspecteur Strafford af van zijn collega’s Poirot, Holmes en anderen doordat hij buitengewoon aarzelend, bijna tastenderwijs, optreedt rond de plaats van het delict. Hij uit niet zijn boosheid als blijkt dat al het bloed al is opgeruimd en dat er met het lijk is gerommeld. Wel heeft hij, als buitenstaander, een scherpe blik. Tegelijkertijd beseft Strafford, die weet dat hij de nodige zelfkennis ontbeert, dat hem steeds iets ontgaat. Maar wat? Niemand betreurt de dood van de priester, die kind aan huis was, en niemand van de Osbornes heeft een sluitend alibi: stiefmoeder Sylvia, morfineverslaafde, niet; kolonelsdochter Lettie niet; zoonlief Dominic niet; stalknecht Fonsey niet. En wat was het motief om de priester ook nog te castreren?

Tergend traag wordt de plot ontvouwd, de verhaalontwikkeling is uitgekookt

John Banville benadrukt dat zijn detective een permanente maskerade is bevolkt door slechte acteurs. Hij speelt ook met het genre als hij tergend traag de plot ontvouwt, maar de verhaalontwikkeling is tegelijkertijd uitgekookt en uitgewogen. Vier keer wijkt hij willens en wetens af van de geijkte detective. De roman opent in cursief met de laatste momenten van de priester. De beginzinnen verwijzen meteen naar de aparte status – boven de wet – van de rooms-katholieke gezagdragers in de jaren vijftig van de vorige eeuw: ‘In jezusnaam, ik ben een priester – hoe kan dit me overkomen!’ Priesters meenden zich toen alles te kunnen permitteren en waren verbaasd als er tegenwerking kwam. De aartsbisschop, die de kernzwakheid van priester Lawless al lang kent, probeert vruchteloos de beproefde doofpotpolitiek toe te passen op ‘detective’ Strafford.

De tweede verrassende Banville-ingreep in het genre is een abrupte verschuiving, na honderd pagina’s, van het vertelperspectief. In dat hoofdstuk bezoekt de seksueel provocatieve adolescente Lettie niet alleen stalknecht Fonsey in zijn caravan in het bos – Lady Chatterley’s Lover verbleekt erbij – maar houdt ze ook vanuit de bosjes de gangen van Strafford in de gaten. In hem ziet ze een verwaande kwast die haar charmes negeert. Ze wenst hem dood. ‘Wat als ze als een dier op hem af zou springen, een en al tanden en klauwen?’

De derde, en onthullendste, narratieve verrassing is een flashback naar de zomer van 1947. Opeens is daar een ik-figuur: kapelaan Tom Lawless in de Carricklea-kostschool voor ‘kansarme kinderen’ aan de westkust van Ierland. Dat internaat blijkt een terreurinstituut te zijn voor de verweesde jongens die daar proberen te overleven. De oplettende lezer heeft al snel door dat er een verband bestaat tussen de manier waarop Lawless wordt vermoord en de praktijken op Carricklea. Maar de vierde verteltechnische ingreep van Banville zet het lezersinzicht weer op losse schroeven: een flashforward naar 1967 waarin Strafford en Lettie, die nu Laura heet, elkaar in Dublin ontmoeten. Het is de vooravond van Letties verstandshuwelijk. Tijdens hun gesprek blijkt de toenmalige provocerende puber niet echt open kaart te hebben gespeeld.

Natuurlijk is het not done om hier uit te leggen wie precies op welke wijze betrokken was bij de moord. Wel wil ik weer benadrukken dat Banville niet alleen een doortrapt literair spel speelt met het detectivegenre maar ook niet schroomt allerlei allusies op beroemde verhalen in te bouwen. Ik noem slechts een paar negentiende-eeuwse voorbeelden: The Fall of the House of Usher van de oervader van de detective Edgar Allan Poe, Jane Eyre van Charlotte Brontë en Wuthering Heights van haar zus Emily Brontë. En dat de koloniale en gewelddadige geschiedenis van Moeder Ierland – de wrijving tussen protestanten en katholieken – dankzij Banville subtiel verweven raakt met de moordzaak behoeft geen commentaar.

Man Booker Prize-winnaar John Banville heeft zijn schrijvende alter ego Benjamin Black, die alleen wilde ‘entertainen’, in Sneeuw als het ware geïncorporeerd en daardoor overbodig gemaakt.