Richard Rorty (4 oktober 1931 – 8 juni 2007)

Rorty en ‘De Groene’

Richard Rorty (4 oktober 1931 – 8 juni 2007) – filosoof van journalisten en geëngageerde schrijvers – bracht het publieke debat naar de filosofie en de filosofie terug naar de samenleving.

AMSTERDAM – Op 22 maart schreef de 75-jarige Richard Rorty in een e-mail aan De Groene Amsterdammer dat ‘er helaas een ernstige ziekte bij me is geconstateerd, waardoor ik niet meer zal kunnen reizen’. Dat speet ons zeer. Wij hadden hem uitgenodigd voor een debat in de schouwburg over publieke meningsvorming, een onderwerp dat hem op het lijf geschreven was. Rorty, de publieke intellectueel bij uitstek, was immers voor alles een filosoof van journalisten en geëngageerde schrijvers.

Afgelopen week viel in allerhande necrologieën te lezen hoe dat zo gekomen was: dat zijn boek Philosophy and the Mirror of Nature (1979) gelezen kon worden als een afrekening met de filosofische fixatie op de kentheorieën, zoals die sinds Descartes waren geponeerd. Dat hij in De voltooiing van Amerika zijn schatplichtigheid betuigde aan de Amerikaanse ‘pragmatisten’ Dewey en James en dat hij als overall prestatie overtuigend had weten uit te leggen dat de traditionele vragen van de filosofie (naar het fundament van kennis, het bestaan van een eeuwige onveranderlijke Waarheid, de relatie tussen woorden en werkelijkheid) de mensheid uiteindelijk weinig hadden gebracht. Of zouden brengen.

En het is waar: in een heldere redeneertrant heeft Rorty verslag gedaan van zijn groeiende besef dat filosofen niet te veel naar boven of beneden moesten wijzen, maar vooruit, omdat de werkelijkheid door ons wordt gemaakt, niet ontdekt. In een interview dat hij in 1997 aan De Groene gaf, zei hij: ‘Met woorden en theorieën over de mens alleen zijn we niet in staat om onszelf in andere mensen te verplaatsen. Ik denk dat het nog steeds belangrijk is om leed levend te maken, te visualiseren. De media confronteren ons met afschuwelijke beelden van menselijk leed, en dat is politiek zeer nuttig.’

In zijn verlangen naar een vreedzamere wereld was een fijn boek of goed krantenartikel volgens Rorty meer waard dan een diepe denker met een stompe pen. De roman De Negerhut van oom Tom, zo memoreerde journalist-filosoof Ger Groot in NRC Handelsblad, was voor de bevrijding van de Amerikaanse slaven minstens zo belangrijk geweest als alle theoretische vertogen over gelijkheid en menselijke waardigheid bij elkaar. Voor iedereen die op de universiteit wel eens is verdwaald in een college over Heidegger (en paniekerig de uitgang heeft gezocht), was dat een hart onder de riem. En terwijl Rorty de geïnteresseerde leek bij de lurven had, wist hij die zelfs te verlossen van een paar remsporen van de traditionele filosofie, die als Grote Waarheden post hadden gevat in het collectieve geheugen en zelfs geweten van het Westen.

Zoals het zogenaamde ‘universele’ karakter van mensenrechten. Basale grondrechten waren in Rorty’s ogen natuurlijk menselijke constructen; geen natuurrecht dat ergens in onze genen vastligt, of onder een steen is te vinden. Maar die subjectiviteit maakt die rechten niet waardeloos. Integendeel, we dienen naar onze overtuigingen te handelen alsof het absolute waarheden betreft. En juist door te erkennen dat mensenrechten in de discussie en menselijke geschiedenis geformuleerde afspraken zijn, benadruk je in de toewijding eraan hun belang.

Dat is een gedachte waarmee iedereen uit de voeten kan, of je het er nu mee eens bent of niet. In zijn onder Nederlanders zeer populaire Contingency, Irony and Solidarity (1989) liet hij effectief zien hoe kan worden voorkomen dat filosofie een zijstraatje inloopt om daar in het donker in eenzaamheid aan haar eind te komen. De werkelijkheid komt tot stand in ons midden – en daar moet de filosofie zich begeven. Bijvoorbeeld op een avond in de schouwburg waar lezers en schrijvers hun gedachten formuleren over publieke meningsvorming.

Meer artikelen over Richard Rorty (en een enkel interview) die eerder verschenen zijn in De Groene Amsterdammer:

Interview Richard Rorty
[‘ik doe mijn werk’ ‘ik voel me niet prettig als ik als autoriteit behandeld word, die rol past me niet’](../../../1997/27/ik_doe_mijn_werkik_voel_me_niet_prettig_als_ik_als_autoriteit_behandeld_word_die_rol_past_me_niet/29)
door Heleen van Doremalen(02-07-1997)

[Minder wreed worden](../../../2007/23/Literatuur_en_werkelijkheid/3)
Literatuur en werkelijkheid door Kees ‘t Hart(08-06-2007)

[Pragmatische oogkleppen](../../../1999/41/Pragmatische_oogkleppen/22)
door Graa Boomsma(13-10-1999)

[Wachten op ironie](../../../2002/37/Ger_Groot/15)
door Ger Groot(14-09-2002)

[Provincialisme zonder romantiek](../../../2005/37/essay_provincialisme_zonder_romantiek_De_multiculturele_samenleving_vreemd_gaan_om_vreemd_te_kunnen_blijven/6)
Essay: provincialisme zonder romantiek. De multiculturele samenleving: vreemd gaan om vreemd te kunnen blijven
door Theo W.A. de Wit (16-09-2005)