Groen

Rosy

Onlangs was ik bij mensen thuis die een cavia in de keuken hadden staan. We zaten de hele avond in de keuken. Geruime tijd heb ik het beest, waar ik goed zicht op had, genegeerd. Dat was niet moeilijk, want het bewoog nauwelijks. Op een gegeven moment zei ik: ‘Cavia’s, dat vind ik toch wel rare beesten. Je kunt ze niet aaien en als je dat wel doet, bijten ze.’ Nou, zo werd me verzekerd, deze niet. Ze heette Rosy en was zeven jaar oud, wat zeer oud is voor een cavia. En al drie jaar weduwe. Tussen de spijlen van de kooi, aan de bovenkant, zat een pluchen exemplaar gepropt, misschien moest dat het verdriet om het caviamannetje verzachten.
Weer een tijdje later zei ik: ‘Eigenlijk wil ik die cavia wel eens aaien. En wisten jullie dat ze in het Duits Wildmeerschweinchen heten?’ Dat wisten ze niet, maar ik mocht Rosy wel vasthouden. Eerst kreeg ik een opgevouwen handdoek en theedoek op mijn schoot en daar moest ook nog een plastic zak onder. Die plastic zak hoefde ik niet. Rosy werd uit het kooitje getild en aan mij overhandigd. Ze beet me niet direct, trilde wel een beetje. Het diertje gaf door de opgevouwen doeken heen warmte af. Kijkt ze je aan? werd me gevraagd. Verdomd, Rosy zat me strak aan te staren. Ja, dat doet ze altijd, ze wil weten wat voor vlees ze in de kuip heeft. Uit de koelkast werd een stronk bleekselderij gehaald. Ik brak er een stuk af en hield het voor het caviabekje. Rosy hapte niet toe. Nee, zo was de verklaring, ze wil eerst nog even kijken. Na een tijdje werd ik blijkbaar goedgekeurd, en begon ze van de bleekselderij te knabbelen. Als ik haar achter de oortjes krabbelde maakte ze knorrende geluidjes. Na drie stukjes groente was het genoeg en begon Rosy me weer strak aan te kijken. Zo meteen gaat ze wiebelen en daarna plassen, kreeg ik te horen. ‘Nu mag ze wel weer terug in de kooi’, zei ik.
Ik voeg onverwijld de cavia aan mijn lijst Echte Dieren toe.