Ik? Ik ben natuurlijk de rust en de redelijkheid zelve. Of ik weleens uit mijn slof schiet? Nee, eigenlijk niet, nee. Nou ja, misschien heel soms? Als er echt reden toe is. Ik ben tenslotte ook maar een mens. Maar weet je, ik kan me de laatste keer eigenlijk al niet meer herinneren. Ja, mits we afgelopen zondag buiten beschouwing laten, ja. Wat er precies gebeurde? Gewoon, iemand zei iets op Twitter en mijn bloed ging – hatsikidee – van een keurige 36,5 naar honderd. Het werd een beetje zwart voor mijn ogen, ja.

Ik was bij het Woonprotest in Rotterdam geweest, met mijn vriendin, mijn ouders en mijn kinderen. Ik had een foto van mijn dochter met haar protestbordje gemaakt en die, na heel even te hebben getwijfeld, op Twitter gezet. Ze is vier dus ik had het beeld natuurlijk netjes geanonimiseerd. Haar roze pyjamabroek en poezenlaarzen stonden er niet eens op: gewoon een pluk rode krullen en dat opgewekt boze stukje karton: ‘GEEN DUUR HUIS HEUUUUUU’. Dat was alles. De aangekondigde regen was nergens te bekennen geweest en er had een fijn herfstzonnetje geschenen, de mensen waren eensgezind in hun afkeer van de verstikkende neoliberale deken die over dit land ligt en de likes stroomden binnen – ik zal niet liegen: het was heerlijk. Maar later op de dag stuurde iemand opeens diezelfde foto met wat vinnig commentaar door naar haar zesduizend volgers: ‘Zullen we ophouden met kinderen inzetten tijdens demonstraties. Ik krijg er de kriebels van.’

Laat duidelijk zijn: ik heb dus niets tegen mensen die deugen. Helemaal niets. Ik juich het in principe enorm toe. Maar mon dieu… dat niet eens half-doordachte, volautomatische tentoonspreiden van je eigen morele verhevenheid, waarbij je dan ook nog eens – o ironie – de foto in kwestie, een foto van andermans kind, gebruikt om je miezerige puntje te maken? Daar heb ik dus een afgrondelijke hekel aan.

Dat zei ik natuurlijk allemaal niet. Terwijl mijn vriendin me vanachter haar bord een blik toewierp die weinig aan de verbeelding overliet – we waren nota bene voor het eerst in twee jaar uit eten – typte ik met trillende lippen en verkrampte vingers: ‘Rot alsjeblieft een teringeind op.’

Wat maakte dat ik zo gestoken reageerde? En wat was de reden dat ik mijn reactie vrijwel meteen weer verwijderde? Wat het eerste betreft: woede die als een steekvlam omhoog komt wortelt vaker wel dan niet in een latent aanwezige vertwijfeling. Ik kon zeggen dat dat ‘inzetten van kinderen’ me in het verkeerde keelgat schoot, maar woester werd ik waarschijnlijk van het verwijt dat niet per se werd gemaakt maar dat ik er wel in teruglas: dat het delen van foto’s van kinderen op sociale media, afgeschermd of niet, altijd zonder hun instemming gebeurt – en voor alles de behoeftebevrediging van de ouder dient.

Wat het tweede betreft: ieder beschaafd mens weet hoe gênant het is om en plein public je zelfbeheersing te verliezen. Daarom verpakken we op internet onze meest diepgevoelde woede liever in een ironisch jasje – en als we dat een keer vergeten, hebben we direct spijt.

En wat is het toch gemakkelijk om boos te worden op internet. Niemand hoeft je er slecht ouderschap voor te verwijten: je bent nooit meer dan een paar muisklikken verwijderd van een kolkende rivier van morele verontwaardiging en de uitnodiging er met je eigen rubberband van maximaal 280 tekens in te springen.

Niet om te koketteren met mijn eigen fijnbesnaarde gevoelens – of niet alleen daarom – maar toen een paar weken geleden Alleen tegen de staat werd uitgezonden, een documentaire die een fractie van het onuitsprekelijke leed dat schuilgaat achter dat naargeestige Haagse eufemisme ‘de toeslagenaffaire’ nog maar eens heel concreet maakte, kon ik mezelf er niet direct toe zetten te gaan zitten en te kijken.

Ik weet dat, voor wie niet bij machte is andermans leed te verzachten, getuige zijn als een morele daad kan voelen. Of dat misschien zelfs kan zijn. Maar het was juist die gedachte die me dwarszat. Want een getuige legt getuigenis af en dat was wat ik, terwijl de film nog niet was afgelopen, zag gebeuren: mensen buitelden over elkaar heen om in de meest invoelende bewoordingen hun afgrijzen kenbaar te maken. Ik bedoel niet dat de tweets voor mijn ogen in een wedstrijd empathie voor de slachtoffers en woede aan het adres van de verantwoordelijken veranderde… of nu ja, misschien bedoel ik dat juist wel?

Niet dat ik het iemand kwalijk nam. Wat ondraaglijk was, was vooral het besef dat wanneer ik de film zou aanzetten, en ik opnieuw zou worden gegrepen door de schofterige behandeling die mensen in nood ten deel was gevallen, ikzelf evengoed zou worden bevangen door de wens mijn woede en mijn afgrijzen in zo puntig en vilein mogelijke bewoordingen te vangen. Dat ik niets anders zou doen dan mijn welbespraaktheid aanwenden om een vurige j’accuse te schrijven – ironisch en grappig natuurlijk, en vol righteous anger – en dat ik hem vervolgens zou delen met al die mensen die er toch min of meer hetzelfde over dachten.

Niet met het expliciete verlangen mezelf beter te voelen, niet omdat zo’n kleine waardengemeenschap van machteloze toekijkers zijn eigen geborgenheid kan bieden, maar omdat ik niet zou weten wat ik in vredesnaam anders aan zou moeten met de in mij razende woede. Wat ondraaglijk was, was de gedachte dat ik niets anders zou doen dan me volstrekt gratis solidair verklaren. Wat ik ook zou zeggen, zolang ik niet van die tweets ging versturen die je je baan kunnen kosten zou het allemaal zonder enig noemenswaardig gevolg blijven. Misschien zou ik me in al mijn machteloosheid nog vaag een slachtoffer voelen ook. En hoe misplaatst, hoe belachelijk zou dat zijn?

Iemand die ik niet goed ken maar graag mag had ergens in de afgelopen anderhalf jaar een andere afslag genomen. Het gesprek ging over alledaagse zaken, maar toen het langs de actualiteit scheerde, zei hij opeens: ‘Ik ben gewoon bang dat we onze democratie aan het verliezen zijn.’

Ik schrok niet, ik wist wel ongeveer hoe hij ertegenaan kijkt. Ik ken nog wel een paar mensen die er zo over denken. Mensen die de lockdown, avondklok, vaccinatiecampagne en invoering van de coronapas niet anders kunnen zien dan als het moedwillig afbreken van onze vrije maatschappij. Een van hen is zelfs fulltime activist geworden. Ze had haar baan opgezegd en via een crowdfundingcampagne binnen korte tijd tienduizenden euro’s opgehaald. Andermans gevoelens – woede, angst, onzekerheid – laten zich, zeker in tijden van nood, zo gemakkelijk kapitaliseren.

Ik vroeg me plots af of ik misschien wel iemand ken die dagelijks vanuit veilige anonimiteit mensen de huid vol scheldt. Hij in ieder geval niet, veel te serieus en veel te zachtaardig. Maar iedere dag opnieuw zijn er toch tienduizenden anderen die dat, op basis van dezelfde vage angsten of onvrede met het gevoerde beleid, wel doen. Mensen die onvermoeibaar op hun toetsenbord klimmen en beginnen te stampen dat het een lieve lust is. Mensen die uit hun werk komen, op de bank neerploffen en zeggen dat Jaap van Dissel aan de hoogste boom moet worden opgeknoopt. Mensen die ’s ochtends hun kinderen een aai over hun bol geven, de krant openslaan en voordat ze halverwege de column van Rob Hoogland zijn Sigrid Kaag een verkrachting hebben toegewenst. Mensen die voor Hugo de Jonge een tribunaal à la Neurenberg eigenlijk nog te veel eer vinden.

De Jonge vertelde een paar maanden geleden aan de Volkskrant dat hij gemiddeld zo’n vijf- tot zesduizend berichten per dag krijgt, veelal hatelijk van toon. Soms kwam het aantal dik boven de tienduizend. Wat hij daarvan dacht? Hij dacht dat het erop neer kwam je dat nare virus niet kon zien en hem wel; en dat mensen daarom hun ‘machteloosheid en frustratie’ op hem projecteerden.

Ken ik iemand die dagelijks vanuit veilige anonimiteit mensen de huid vol scheldt? Het zijn er toch tienduizenden

Voor een simpele burger – tenzij je naam toevallig rijmt op Briewert van Brienden – is het lastig om je een voorstelling te maken van zo’n tsunami aan woede die iedere dag op je afkomt; laat staan om je in te leven in wat zoiets met je doet. Maar De Jonge’s woorden verraden toch iets over zijn perspectief. Hij generaliseert en hij rationaliseert: de woede is wel begrijpelijk, maar eigenlijk niet voor hem bestemd. Gefrustreerd en machteloos, zo ziet hij zijn belagers. Klinkt daar empathie in door? Juist niet? Ik durf het niet te zeggen. Wat wel duidelijk is, is dat hij zijn belagers niet als een gevaarlijke meute ziet, niet als een eenheid maar eerder als een niet-aflatende stroom eenlingen die hun persoonlijke frustraties op hem botvieren. Het feit dat hij beveiligd moet worden heeft in die zin niet te maken met iets als een collectieve woede aan zijn adres, maar met de ongetwijfeld reële vrees dat er op een dag één iemand wat bozer of gekker blijkt dan de rest.

‘Aan een stuk moord en brand roepen is geen engagement, toch doen we het: het is te lekker’, schreef Bas Heijne een paar weken geleden in de NRC. Ook hij riep het interview met Hugo de Jonge in herinnering en concludeerde dat het ‘juist door de overkill, de gierende digitale verontwaardiging, voor hen tegen wie de kritiek is gericht steeds gemakkelijker [wordt] om er de schouders over op te halen – wat de frustratie alleen maar weer groter maakt.’

Zou online woede een ander effect sorteren als er minder van was? Maar waarschijnlijk maakt de hoeveelheid het schouderophalen wel onvermijdelijk, ja. Toch vroeg ik me ook af of het de hoeveelheid berichten is die de woede diffuus maakt; die het beeld doet ontstaan dat er sprake is van een overkill aan verontwaardiging – terwijl je in werkelijkheid de krantenpagina’s maar naast de verkiezingsuitslagen hoeft te leggen om te concluderen dat er eerder sprake is van veel te veel gezapigheid en veel te weinig woede. Is dat diffuse niet inherent aan het medium?

De media waarop al die woede leeft en wordt gevoed zijn ook de media die de werkelijkheid in een onophoudelijke stroom brokjes opdissen zonder ons ooit de kans te geven uit te zoomen en een overzicht te krijgen. Het zijn fragmenterende en decentraliserende media die de gedeelde werkelijkheid opbreken in zoveel perspectieven als er mensen zijn en die daarmee, anders dan de massamedia van weleer, zelfs van de grootste verzameling gelijkgestemden nooit een collectief zullen maken. Hannah Arendt schrijft het ergens, dat actie nooit mogelijk is in isolatie: ‘to be isolated is to be deprived of the capacity to act’.

‘Heel verbaasd dat mijn systeemkritiek (die ik alleen kan verwoorden als onbestemde persoonlijke verontwaardiging) wordt opgevat als onbestemde persoonlijke verontwaardiging’, schreef iemand die ik alleen ken als @nuchelaar. Ik las het en moest lachen, maar voelde me ook half betrapt. Zoveel van mijn eigen woede blijft hangen in onbestemde verontwaardiging.

Af en toe zie je hoe mensen zich vertwijfeld afvragen hoelang de woede die ze om zich heen zien nog kan blijven gisten voordat het tot een uitbarsting komt. Je ziet hoe ze voorzichtig hoop putten uit al die onbestemde verontwaardiging, dat ze er voortekenen in ontwaren van een revolutie die nakende is. Maar is dat iets anders dan het internet als spiegelpaleis voor onze eigen emoties en verlangens?

Hoe dan ook: is het redelijk van mensen te verwachten dat ze dat kunnen: hun grieven formuleren als systeemkritiek? Begrijp me niet verkeerd: het is natuurlijk te verkiezen boven onmachtig geschreeuw, maar valt het mensen kwalijk te nemen als ze het niet kunnen? Of is het echte probleem iets anders? Namelijk dat we ons publieke debat dag in dag uit voeren op podia waarop de onbestemde persoonlijke verontwaardiging van de een oneindig veel groter bereik is gegund dan de coherente systeemkritiek van een ander. En dat we daar genoegen mee nemen.

Waar komt de woede vandaan? Je kunt wijzen naar de schaamteloze politici die je in de pen doen klimmen. Naar de staat van de wereld. Naar de evidente onwil schrijnende ongelijkheid aan te pakken of de verwoesting van de planeet een halt toe te roepen. Je kunt wijzen naar de bedrijven die onze aandacht verkopen aan de hoogste bieder en die ontdekt hebben dat woede nu eenmaal erg veel engagement oplevert – wat dus iets anders is dan engagement. Je kunt zeggen dat je deze week las hoe Facebook na de invoering van van woede rood aangelopen reactie-emoji’s op het lumineuze idee kwam in het algoritme aan die boosheid een vijfmaal hoger gewicht toe te kennen. Dat wat ons niet aanstond mocht naar beneden racen terwijl dat wat de rest van ons emotionele repertoire aansprak heuvel op moest zwoegen. We zitten op internet omdat we boos zijn en we zijn boos omdat we op internet zitten.

De tragedie is dat we meer mogelijkheden hebben dan ooit om ons uit te spreken en om, dan toch op z’n minst in theorie, gehoord te worden, maar dat de machine die ons die mogelijkheid biedt daar een verdienmodel aan heeft gehangen dat het vooral belangrijk vindt dat we ons tot in de eeuwigheid over alles blijven uitspreken. Dat hij ons geen uitweg biedt uit een oneindige loop van morele positiebepaling. We krijgen nooit de gelegenheid onze moreel rechtgeaarde woede te ontwikkelen tot wat Martha Nussbaum ‘transition anger’ noemt. Woede die constructief is omdat ze onrechtvaardigheden in het heden of verleden niet aangrijpt om wraak te nemen maar om gelijksoortige misstanden in de toekomst te voorkomen. Er ontbreekt ergens een noodzakelijke connectie. Maar waar precies? Tussen daar waar wij boos zijn en daar waar zij het wel prima vinden?

Ik bleef hangen bij een passage waarin Heijne de op Twitter vaak nogal luidruchtige conservatief Tom Nichols citeerde, die in een nieuw boek schrijft dat we ‘een performatieve cultuur zijn geworden, waarin we onze politieke overtuigingen en zelfs onze smaak en voorkeuren ieder moment van de dag etaleren’.

Het was dat woord, ‘performatief’. Ik wil het zelf ook de hele tijd gebruiken om soortgelijke dingen te beschrijven, maar ik word er steeds weer van weerhouden door de gedachte dat het ooit iets heel anders betekende. Performativiteit sloeg nu juist op de gedachte dat onze woorden er wel toe deden. Op de kracht die inherent is aan taal om de wereld te transformeren. Dat woorden een verandering kunnen belichamen, dat de woorden die we bedenken om de wereld mee te beschrijven een vorm van sociale actie zijn.

Dat betekent inderdaad dat wie zich daarvan bewust is woorden gebruikt met een publiek in het achterhoofd, een publiek dat rijp is of moet worden gemaakt voor de betere wereld die we voor ogen hebben. Maar sinds de opkomst van sociale media als podia zijn we sceptischer geworden over de motieven van anderen. Of misschien wel wijzer. Want is het publiek in ons achterhoofd niet gewoon vooral ons publiek geworden? Performatief is van de weeromstuit gaan verwijzen naar de vermeende oppervlakkigheid van onze woorden. Het is een verwijt geworden dat we iets opvoeren en wijst niet langer op betrokkenheid bij of de mogelijkheid van een andere wereld, maar juist op iets als haar tegendeel: een door narcisme gevoede inertie.

Woede, het is een onvolmaakt maar onmisbaar streven naar een gedeelde moraal

Wie meer dan een middag op Twitter heeft doorgebracht kan niet anders dan tot de conclusie komen dat er een kern van waarheid in zit. Jia Tolentino beschreef het in Trick Mirror kernachtig, hoe het hedendaagse internet ons voortdurend aanmoedigt om bepaalde indrukken te creëren, in plaats van zulke indrukken bijproducten te laten zijn van dat wat we daadwerkelijk doen. ‘This is why, with the internet, it’s so easy to stop trying to be decent, or reasonable, or politically engaged – and start trying merely to seem so.’

Wat lastig blijft is de vraag of we niet in de val van het perspectief lopen – dat we dat wat we zien reduceren tot hoe we het zien – maar ook los daarvan twijfel ik soms hoe zinvol het is om te blijven hameren op dat individuele tekortschieten, op dat o zo menselijke onvermogen boven onszelf uit te stijgen.

‘Emoties zijn hoe we moraliteit doen’, zo vatte de Hongaars-Amerikaanse filosoof Agnes Callard vorig jaar in een essay in The Boston Review het standpunt van de ‘sentimentalisten’ onder haar collega’s samen. Onze woede is simpelweg hoe we elkaar moreel verantwoordelijk houden, hoe we een gemeenschappelijke moraal vormen. De denkers in een stoïcijnse traditie die ze daartegenover plaatst zien woede uiteindelijk als inherent slecht. Ze proberen hooguit dat wat ze als waardevol zien te isoleren door het bijvoorbeeld morele verontwaardiging te noemen of, zoals Nussbaum, transition anger.

Het leek Callard zinvol om woede te willen beteugelen, maar het is een fantasie dat je het zou kunnen zuiveren. We kunnen wel woorden verzinnen om een gevoel te beschrijven dat we rechtvaardig woedend zijn zonder dat er een vleugje wraakzucht in schuilt, maar dat is volgens haar uiteindelijk een filosofische fictie. De duistere kant van woede is onlosmakelijk met de constructieve verbonden. Wrok is ook hoe we moraliteit doen. Wraak is ook hoe we elkaar moreel verantwoordelijk houden.

Dit betekent niet dat woede slecht is en we niet kwaad zouden moeten worden: ‘Ik geloof dat we, wanneer we worden geconfronteerd met onrecht, soms enigszins boos moeten worden. Zulke woede is niet “puur” en betekent dat we ons overgeven aan (een bepaalde mate van) morele corruptie, maar het alternatief, berusting, is dikwijls erger.’ We kunnen, schreef Callard, niet ondubbelzinnig goed zijn in een slechte wereld. Een minder cynische interpretatie van de woede die we ook op internet zien: het is een onvolmaakt maar onmisbaar streven naar een gedeelde moraal.

Wat te denken van het idee dat het gewoon te lekker en te makkelijk is geworden om boos te zijn? Van het idee dat we niet zijn opgewassen tegen wat we hebben gebouwd? Dat onze apparaten ons de baas zijn en dat het eigenlijk amper onze schuld is dat we halverwege het invullen van een spreadsheet met het aantal beschikbare boedelbakken opeens ons gal spuwen onder een bericht op nu.nl? Dat slimmere mensen dan wijzelf hebben ontdekt dat onze woede uit een onuitputtelijke bron komt en te gelde kan worden gemaakt.

Of wat te denken van de gedachte dat al die morele discussies op internet uiteindelijk vooral neerkomen op een hoop virtue signalling? Probeer je tegen die beschuldiging maar eens te verdedigen: jij denkt wel dat het je om je overtuigingen te doen is, maar in werkelijkheid wil je jezelf gewoon goed voelen, nog liever gewoon superieur.

Het is verleidelijk het gedrag van de ander zo te zien. Mensen gaan zo overduidelijk op in hun verontwaardiging. Ze genieten ervan, dat kan niet anders. Zie ze nou! Kijk hoe gelukkig ze worden van hun boze gelijk. Als je het eenmaal hebt gezien is het onmogelijk om het niet meer te zien. De zelfgenoegzaamheid druipt ervan af. Ken je die aflevering van South Park waarin iedereen elektrisch is gaan rijden en ze de hele tijd intens genieten van hun eigen scheten? Dat idee.

Is er een mildere interpretatie denkbaar? Eind oktober publiceerde het European Journal of Social Psychology een paper over ‘meaningful outrage’. Dat woede over het grensoverschrijdende gedrag van anderen gevoelens van superioriteit kunnen verstevigen was al bekend – het spijt me, maar virtue signalling bestaat echt, al is de beschuldiging aan het adres van een ander dikwijls een goede indicatie dat iemand zich er zelf schuldig aan maakt. En dat zulke woede persoonlijke schuldgevoelens kan verzachten ook. Maar wat de onderzoekers hadden ontdekt was dat er nog een psychologische functie te onderscheiden viel. Bij mensen met wat werd omschreven als een hoog intrinsiek rechtvaardigheidsgevoel ontdekten ze dat morele verontwaardiging niet simpelweg iemands morele identiteit versterkte, maar zo functioneerde dat het hun leven van betekenis voorzag.

Nu is het verleidelijk te denken dat zo’n psychologische functie de maatschappelijke waarde van woede op de een of andere manier ondermijnt. De onderzoekers zijn het daar niet mee eens: ‘De existentiële functie van morele verontwaardiging op waarde schatten vraagt om een grotere tolerantie van morele verontwaardiging als een vehikel voor absolute zekerheden in een voor het overige chaotisch en onverschillig universum.’

Woede is niet alleen ‘hoe we moraliteit doen’, het is ook hoe een deel van ons probeert mentaal overeind te blijven in een betekenisloze en dikwijls onrechtvaardige wereld.

Iets over de helft van de brug komt de stoet tot stilstand. Duizenden mensen, vrolijk maar verenigd in hun verontwaardiging over het groeiende onrecht op de woningmarkt; waar speculanten miljoenen binnenharken en de een dankzij een klein zetje van papa of mama zich financieel nooit meer zorgen hoeft te maken terwijl een ander wanhoopt omdat ze een half maandsalaris kwijt is aan de huur van een appartement waar het gezin uitbarst.

Deze verontwaardiging wortelt in de geleefde werkelijkheid van mensen, maar zij heeft online liggen gisten om vervolgens te kunnen rijzen. Ik weet het opeens heel zeker: de weg van onze woede naar de harten van anderen verloopt altijd via de straat.

Er gebeurt niets totdat er opeens van alles gebeurt. Er worden charges uitgevoerd en er worden mensen met knuppels geslagen. Ik ben eerder verbijsterd dan boos. We vertrekken, ik zie de Rotterdamse politie er nog wel voor aan om, als dat even zo uitkomt, een kind uit een fietsstoeltje te slaan en achteraf te claimen dat ze een dreigend gebaar maakte of zoiets. De oudste, die even eerder nog vrolijk heen en weer rende langs de stoet, kijkt angstig naar de politie te paard.

Mijn verontwaardiging schrijf ik in de daaropvolgende dagen van me af voor een publiek van gelijkgestemden. Niet om mezelf beter dan een ander te wanen, denk ik, maar wel om de wrok die zich achter mijn hart heeft genesteld weer los te weken. En ja: de boosheid ebde weg en ik ging langzaam weer naar mijn emotionele baseline: een vrolijke, cynische machteloosheid die me als gegoten zit.

Een week later, terwijl ik haar in haar poezenlaarzen til, zegt ze uit het niets: ‘Papa, wanneer gaan we weer demonstreren?’

‘Ik hoop snel’, zeg ik, plotseling erg tevreden over het verloop van de opvoeding.

Ze is niet boos, natuurlijk niet. Maar dat komt nog wel, denk ik. Dat komt nog wel. Niemand ontkomt eraan. Maar wil die woede dan iets waard zijn, dan zal ze de deur uit moeten. De straat op. Het goede nieuws is dat dat kan. Het is eigenlijk alleen een kwestie van een plaats en een tijd afspreken – en van komen opdagen.