Europese Literatuurprijs

Rot op met de modernisering

Bij Francesco Pecoraro gaat het om de maakbaarheid versus het noodlot © Uitgeverij Wereldbibliotheek

Tot de betere schrijfadviezen behoort de methode van Emmanuel Carrère, die de Europese Literatuurprijs won in 2013. Hij sluit zich dagelijks een paar uur op, zo vertelde hij eens in een Paris Review-interview, en schrijft dan over alles wat in hem opkomt, ‘over mijn leven, mijn vrouw, de verkiezingen, terwijl ik probeer mezelf niet te censureren’.

Iets dergelijks moet Francesco Pecoraro gedaan hebben in zijn grote, eerste roman Het leven in tijden van vrede. Een debutant van het bouwjaar 1945, dat is verfrissend in een markt waar de jonkies elkaar verdringen. Zo iemand heeft wat levensmateriaal opgebouwd om uit te putten, heeft verschillende politieke en culturele tijdperken zien passeren, en dat zien we dan ook royaal terug in dit boek, het levensverhaal van de 69-jarige ingenieur Ivo Brandani.

Terwijl hij gestrand is op een vliegveld in Egypte, waar hij terug naar Rome wil vliegen, overdenkt hij zijn leven, zijn liefdes, zijn projecten in de oude Romeinse binnenstad, zijn ervaringen met de Italiaanse bureaucratie en corruptie, zijn studententijd, zijn eerste strandvakantie in de jaren vijftig. Koortsachtig, woorddronken, zwenkt hij van de jaren zestig (woelig) naar de jaren negentig (hypocriet), naar het begin van het millennium (decadent)… En als die duikvluchten door de decennia even geen nieuwe stof opleveren, gaat hij maar pagina’s lang de mensen op het vliegveld bestuderen – de vlucht is natuurlijk steeds vertraagd – met ellenlange klaagzangen tot gevolg, over hun merkkleding, hun huid, hun voeten, of hun tatoeages. (‘Ivo beseft dat hij deel uitmaakt van een vorige, twintigste-eeuwse cultuur, toen een tatoeage nog werd beschouwd als een soort zelfverminking.’)

Carrère’s methode in actie, zou je dus kunnen zeggen. Maar bij deze Pecoraro bekroop me vaak het gevoel dat hij die eerste schrijffase, al associërend je materiaal opdelven, te snel voor de definitieve heeft aangezien. Dat zie je vaker bij schrijvers van dikke boeken: ze zijn de omvang van hun brainstormsessies en hun eigen enthousiasme daarover gaan verwarren met kwaliteit.

De drie puntjes verraden bij wie Pecoraro de kunst van zijn scheldmonologen afkeek: Céline

Niet dat dit boek geen enkele structuur heeft – met een ingenieur als hoofdpersoon moet je natuurlijk wel iets van een constructie hebben – maar die vorm van afwisselend wachten op het vliegveld en flashbacks naar het verleden is te weinig solide om de totale oeverloosheid van de verteller en zijn personage in toom te houden.

Goed, er is een thematisch cement: overal gaat het om de maakbaarheid versus het noodlot, meteen vanaf zin één al ingezet als ‘een gevoel van naderend onheil’ bij de hoofdpersoon, die als ingenieur strijdt tegen rampen en menselijke beperkingen. Alles wat hij in zijn leven deed, gebeurde uiteindelijk in dat spanningsveld, tussen iets kunnen construeren, en het verval, al dan niet door mensen zelf veroorzaakt. En dat is natuurlijk slikken voor iemand die, ook dat horen we op de eerste bladzijden, zich niet bij de val van Byzantium heeft kunnen neerleggen.

Uiteindelijk heeft hij, in het vertelheden, net in Egypte het afstervende koraalrif in de Rode Zee vervangen door synthetisch materiaal. Maar ja, wat heeft hij nu eigenlijk bereikt, vraagt hij zich vol zelfbeklag af: ‘Je was alleen maar de organisator van andermans bouwprojecten, iemand die een conditio sine qua non construeerde, mogelijkheden onderzocht… Je bent een technische ritselaar, Brandani, en dat is niet wat je wilde…’

Vooral de drie puntjes verraden bij wie hij de kunst van zijn scheldmonologen moet hebben afgekeken: Céline. Dat is op zichzelf niet erg. Ik hou erg van zeikerds, maar het moet wel goed gebeuren. Céline’s befaamde driepuntjesstijl ziet er ogenschijnlijk zo eenvoudig en natuurlijk uit dat je denkt: een makkie, dat kan ik ook. Maar als je het dan probeert, blijkt het het vaak nét niet te zijn.

‘Rot op met die modernisering… Als ze nergens met hun poten af kunnen blijven, als alles wat bestaat wordt vernield, of gereduceerd tot een enscenering van zichzelf, of gedegradeerd tot afval en viezigheid, kunnen we beter terugkeren naar de prehistorie… Als de wereld mensen op leeftijd belet wijs te worden, als dit een wereld is waar je naarmate je ouder wordt steeds minder van snapt, nou, dan mag ze in de stront zakken, zichzelf naar de kloten helpen.’

Hier wreekt zich de imitatie. Bij zulke passages zal het bovengemiddeld belezen publiek dat Pecoraro als doelgroep voor ogen lijkt te staan onmiddellijk denken: dat deed Céline beter.

Het is jammer, want hier staan tal van momenten tegenover waarop het proza wel degelijk begint te vliegen, zoals er ook, binnen die eindeloze stroom, af en toe subverhalen oplichten die juwelen hadden kunnen zijn als ze iets meer geïsoleerd waren, iets rustiger opgebouwd, met iets meer aandacht geconstrueerd.

Wat nu overblijft is vijfhonderd pagina’s geoudehoer waarvan we maar moeten hopen dat Gods zegen erop rust, want de mijne doet dat helaas niet.