Koningin Juliana opent de Synthese Radio Telescoop in Westerbork, 1970 © Bert Verhoeff / Anefo

Begin 2020 stond Frank Westerman op het punt een zogenaamde zero gravity-vlucht te boeken. Dat wil zeggen dat je je in een vliegtuig laat lanceren tot een hoogte van negen kilometer. Het vliegtuig schiet dan naar boven langs een hellingbaan van 45 graden om je vervolgens, op het hoogste punt van de parabool, twintig seconden een ervaring van gewichtloosheid te geven. ‘Ik wilde mezelf als een muntje in de atmosfeer opwerpen’, schrijft Westerman. Het ging niet door. De coronapandemie maakte al het reizen onmogelijk, dus ook die pseudo-ruimtevaart.

Die reis die niet doorging, is een mooie anekdote die licht werpt op het probleem waar Frank Westerman zich voor gesteld zag toen hij een boek aan de kosmos wilde wijden. Hij is een literaire non-fictieschrijver die graag uit de eerste hand verslag doet, maar hoe doe je dat als je het over de hemel wil hebben? Door zo dicht mogelijk de ervaring van de astronaut, de meest letterlijke hemelbestormer van onze tijd, te naderen, zou je denken. Maar dat ging dus niet.

Toch is De kosmische komedie, het nieuwste boek van Frank Westerman, in zekere zin een reisboek. Hij reist van Franeker, waar hij het planetarium van Eise Eisinga bezoekt, naar Venetië en Florence in de voetsporen van Galileo, naar de radiosterrenwacht in Westerbork, naar Turijn, waar hij de ExoMars2, het Europese ruimteschip in aanbouw, gaat bekijken, en naar India, naar het lanceerstation in Thumba, waar twee mannen de eerste raket die in 1963 van daaruit de lucht in werd geschoten op de bagagedrager van een fiets vervoerden. Die reis langs concrete plekken behelst tegelijk een reis door de tijd: via de eerste astronomen en hun baanbrekende ontdekkingen tot de daadwerkelijke ruimtevaarders van onze tijd. En het is een reis door de menselijke geest, die steeds hoger wil reiken.

De reis langs concrete plekken is tegelijk een reis door de tijd

Het is ook nog eens een reis door Westermans eigen geschiedenis. Als jongetje was hij al gefascineerd door astronauten en kosmonauten. Tijdens zijn middelbare schooltijd volgde hij extra lessen sterrenkunde; er bevond zich een sterrenkoepel boven het schoolgebouw, waar hij ’s nachts het heelal ging bekijken met het meisje op wie hij stilletjes verliefd was. En van school was het maar tien kilometer fietsen naar de radiotelescopen van Westerbork.

Waar het hem uiteindelijk om te doen is, is om antwoord te krijgen op de vraag wat al die ontdekkingen door astronomen en ruimtevaarders op aarde teweegbrengen. Hij bedenkt: ‘Wie de sterrenhemel bestudeert of bereist, komt tot denkbeelden die niemand onberoerd laten.’ Het begon ermee dat astronomen de aarde uit het centrum van het universum knikkerden. De kerk kon de eersten van hen nog verbranden, zoals Giordano Bruno, of hun woorden laten inslikken, zoals in het geval van Galileo, maar allengs werd onontkoombaar dat het wereldbeeld dat Dante Alighieri in zijn Goddelijke komedie had vastgelegd, het beeld van de hemel en de hel, een fictie was. Inmiddels weten we dat het heelal geen middelpunt kent omdat het grenzeloos groot is en dat de mens niet de kroon is die God op zijn schepping heeft geplaatst. Naarmate onze kennis groeit, wordt de aarde steeds meer naar de randen van de Melkweg verbannen – en dat moet ons tot bescheidenheid nopen.

Bij die bescheidenheid hoort niet alleen dat we ons van ons idee van uitverkorenheid bevrijden, maar ook dat er een einde komt aan onze bijgelovigheid. Niets hemel en hel en een god die alles bestuurt. Maar het heelal, bedenkt Westerman, is nog steeds een canvas waar de mens van alles op kan schilderen. Of zoals de Milanese astronoom Giuseppe ‘Peppo’ Gavazzi het tegen hem zegt als hij hem bezoekt: ‘Sterrenstelsels zijn mentale representaties.’ We projecteren zelf patronen op de hemel; het zijn de mensen die betekenis geven aan het universum.

Ondanks dit inzicht in de menselijke zucht tot betekenisgeving, juist ook als het om verre sterren en planeten gaat, geeft Westerman zich er zelf ook volop aan over. Voor hem is de kern daarvan Westerbork. Daar staat niet alleen de sterrenwacht, waar de wereldberoemde astronoom Jan Hendrik Oort ontdekte dat het Melkwegstelsel draait en een spiraalstructuur heeft, in de oorlog was het ook de plaats waar doorgangskamp Westerbork zich bevond. Hier kwamen, beseft Westerman, de hel en de hemel op een unieke manier bij elkaar. Het kamp was het begin van de hellegang, terwijl de radiotelescoop de hemel afzoekt op tekens en betekenissen. ‘Radiosterrenwacht Westerbork scande het uitspansel op signalen uit de ruimte – maar deed dat staande op een afvoergoot naar de ondergang.’

Westerman geeft toe dat het toeval is dat hemel en hel in Westerbork samenkomen, maar dat weerhoudt hem er niet van die plek als een metafoor door zijn boek te weven. Dat heeft iets gezochts en soms wat al te hoogdravends, ook omdat hij even vaak benadrukt dat de kennis van het heelal de mens van allerlei ficties heeft verlost. Zonder een eigen fictie laat zo’n boek zich niet schrijven. Het neemt niet weg dat De kosmische komedie een verleidelijke leeservaring biedt als je je overgeeft aan Westermans reis. Hij heeft oog voor een veelheid aan kruidige details en voert je langs de ene na de andere excentrieke – vaak pacifistische – astronoom. Zoals een van hen tegen hem zegt: ‘Wij sterrenkundigen realiseren ons dat we wonen op dat hele kleine rotsblokje ergens in de buitenwijken van de Melkweg. Daarom kijken we anders naar conflicten.’ Het reiken naar de sterren laat de mens nu eenmaal niet onberoerd.