Rotsvast geloof

Het is mogelijk om het internet binnen het domein van de democratische rechtsstaat te brengen. En als dat érgens kan, dan in Europa.

‘We kunnen het ons niet permitteren pessimistisch te zijn. We moeten optimistisch zijn’, zegt Marleen Stikker. De oprichter en directeur van het Amsterdamse instituut Waag zit op het podium van de Rode Hoed naast het twee dagen eerder afgezwaaide Europees Parlementslid Marietje Schaake. Twee zwaargewichten in het publieke debat over de rol die technologie in onze democratische samenleving speelt, zeker, maar de hoofdgast van de avond is David Kaye, namens de Verenigde Naties ‘Special Rapporteur on the promotion and protection of the right to freedom of opinion and expression’.

De Amerikaan heeft op deze 4th of July, niet bepaald subtiel, een rood-wit-blauw geruit overhemd aangetrokken. Zijn inleidende betoog had hij aangevangen met een even grappige als wrange anekdote over een kleine Texaanse krant die vorig jaar, in aanloop naar dezelfde feestdag, vergeefs had geprobeerd een passage uit de Onafhankelijkheidsverklaring op Facebook te plaatsen. Het taalgebruik uit 1776 voldeed volgens een algoritme, daar waar het de beschrijving van de oorspronkelijke bewoners van het continent aanging, niet aan hedendaagse morele standaarden. Het is ook een van de vele voorbeelden die de revue passeren in zijn boek Speech Police, waarin hij zich buigt over de manieren waarop grote techbedrijven en overheden de vrije meningsuiting op internet faciliteren, reguleren en inperken; waar dat goed gaat en hoe het misloopt. Kaye betoogt dat mensenrechten en een ideaal van transparantie samen een goed uitgangspunt vormen voor dat wat we van bedrijven moeten eisen om de vrije meningsuiting op internet te waarborgen.

Er is iets paradoxaals aan het gesprek in de Rode Hoed. Stikker, Schaake en Kaye zijn zich alle drie zo verschrikkelijk bewust van de omvang van de problemen waarvoor we ons gesteld zien. Ze hebben zo helder voor ogen hoe groot de gevestigde belangen zijn, hoezeer de problemen zijn vermengd met verdienmodellen en hoe klein de successen soms zijn waaruit men hoop moet putten. En toch… toch klinken ze alle drie op hun eigen manier opgetogen. Ze lijken er oprecht van overtuigd dat verandering niet alleen mogelijk is maar dat, zo ze ergens mogelijk is, ze hier mogelijk is. De Europese democratieën, zo denken ze, zijn als enige in staat én bereid om tegengas te bieden aan big tech.

De volgende middag zit Kaye in de lobby van The Student Hotel. (‘Better than it sounds!’ had hij geappt.) Hij is met zijn gezin al een week in Nederland. Ze woonden hier ooit al een paar jaar. De hoopvolle toon van het gesprek van de vorige avond was hun ook opgevallen, ze hadden het er na afloop nog over gehad, vertelt hij. ‘Maar het lag natuurlijk ook aan de samenstelling van het panel. Ik denk dat Marleen, Marietje en ik alle drie op onze eigen manier activistisch zijn. En activisme is lastig te verenigen met pessimisme of cynisme. Marleen is een technologist en ze houdt er een helder idee op na: hoe de mens beter en belangrijker is dan de techniek. Marietje is als wetgever ook in de eerste plaats gericht op dat wat we wel kunnen doen.’

‘Activisme is lastig te verenigen met pessimisme of cynisme’

Zijn eigen boek en de rapporten die hij aflevert, draaien ook om een hoopvol idee: dat het mogelijk is om de ruimte voor vrije meningsuiting op het door private partijen gedomineerde internet binnen het controlerende domein van de democratische rechtsstaat te brengen. ‘Er zat nog een lijn in het gesprek, namelijk dat we alle drie enorm sceptisch zijn over de grote techbedrijven, maar dat we er ook van overtuigd zijn dat we, als we ons politieke verhaal op orde krijgen, tegen hen opgewassen zijn.’

Hij geeft toe dat optimisme over de vraag of iets mogelijk is, iets anders is dan optimistisch zijn over de vraag of iets zal gebeuren. ‘Maar het is lastig om over deze onderwerpen na te denken als je niet diep vanbinnen gelooft dat bepaalde problemen op te lossen zijn.’

We verkeren in een situatie waarin een paar bedrijven alles van ons weten, en wij niets van hen. Pas als je helderheid hebt over de wijze waarop Facebook, daar waar het de vrijheid van meningsuiting aangaat, beslissingen neemt, kun je gaan nadenken over hoe je daarop vanuit een democratische gedachte wil reageren. ‘Er zitten nogal wat lagen in. Maar om te beginnen zouden zulke bedrijven totale openheid moeten geven over de regels die ze hanteren. Wie ze maken. Hoe ze worden doorgevoerd. Of ze de regels toetsen aan mensenrechten, of ze zich afvragen in hoeverre de regels democratische waarden beschermen. En vervolgens zouden we ook inzicht moeten hebben in de wijze waarop die regels worden toegepast. Pas dan kunnen we dat wat deze bedrijven doen aan democratische controle en regulering onderwerpen.’

De kern van de zaak is dat een onvoorstelbaar groot deel van onze publieke conversaties tegenwoordig wordt gevoerd binnen een geprivatiseerde context. Wanneer er sprake is van een gezonde markt hoeft dat niet per se een probleem te zijn, maar de realiteit is dat een handvol bedrijven dominant is.

Het tech-optimisme dat mensen uit Californië vaker wel dan niet kenmerkt, draait om een geloof in de verlossende kracht van technologie. Maar er bestaat, in de gedaante van mensen als Kaye, ook een andere variant. Een bescheidener optimisme dat drijft op het rotsvaste geloof dat veel van de wezenlijke problemen waarmee nieuwe technologie ons confronteert niet onoverkomelijk zijn. Kaye zelf wekt geen moment de indruk dat het gemakkelijk zal zijn, maar het begint bij iets kleins: een democratisch besef. De gedachte dat wij de regels kunnen maken.