Oksana Zaboezjko’s werk is krachtig, zelfs hoopvol © Pavlo Botanov

‘Woorden zijn belangrijk’, zei Oksana Zaboezjko in een interview met de Volkskrant. ‘Grote leugens beginnen met ogenschijnlijk onschuldige woorden en termen. En op een dag worden grote leugens bommen, raketten en tanks.’

Zaboezjko, een van Oekraïne’s meest vooraanstaande dichters en schrijvers, wist waar ze het over had. Op de ochtend van 23 februari 2022 pakte ze haar koffer in voor een reisje naar Polen; het was haar eerste boeklancering in het buitenland sinds de pandemie. Het was een klein koffertje; ze besloot zelfs om haar laptop thuis te laten. Voor schrijven zou ze toch geen tijd hebben. Toen haar vliegtuig die middag opsteeg, trokken de eerste eenheden van het Russische leger de Oekraïense grens al over, maar dat wist ze toen nog niet. De volgende ochtend, in haar hotelkamer in Warschau, was de invasie een feit. Sinds die dag wordt haar land bestookt met bommen, raketten en tanks, en is het voor Zaboezjko niet veilig meer om terug te keren.

Zaboezjko’s essay, Mijn langste boektournee, is een vlammend antwoord op de vraag hoe deze oorlog heeft kunnen gebeuren; een vraag die vooral wordt gesteld door westerse journalisten, mensen die (te) weinig afweten van Oekraïne en zijn geschiedenis. Het is een vraag die in Zaboezjko vooral woede en machteloosheid opwekt – want hoe kan het dat na zoveel jaar de wereld nog steeds in onwetendheid verkeerd over het lot van haar land? Zaboezjko schreef dit essay op aanraden van haar literair agent, die aanvoelde dat dit de enige tekst was die zij op dat moment zou kunnen schrijven. Ze schreef het zonder toegang tot haar bibliotheek in Kyiv, zonder de boeken en de ‘geheime kennis’ over Oekraïne die voor haar een voorwaarde zijn ‘om te scheppen’; een culturele traditie die door de sovjets jarenlang werd onderdrukt en uitgewist. Mijn langste boektournee – dat korte reisje naar Polen dat door de oorlog oneindig lang is uitgerekt – is daarom vooral een monoloog, een doorleefde analyse van wat er schuilgaat achter een oorlog die nog steeds woedt.

De oorlog, zegt Zaboezjko, ‘is ontsproten aan een leugen die zo oud is dat haast niemand er nog acht op sloeg’: het idee, namelijk, vastgeroest in de hersenen van Russische leiders, dat Oekraïners geen eigen identiteit hebben maar deel zijn van het Russische volk. Als op de ochtend van 24 februari 2022 een journalist aan haar vraagt: ‘Wat wil Poetin?’, wordt Zaboezjko gegrepen door een gevoel van ‘existentiële machteloosheid’: ‘maak je me belachelijk?!’ roept ze door de telefoon. ‘Hij heeft jullie al tig keer recht in het gezicht gezegd wat hij wil – dat er geen Oekraïners meer zijn, dat wij verdwijnen, ophouden te bestaan, zoals de joden bij Hitler, hij gebruikt zelfs exact dezelfde bewoording, “een definitieve oplossing voor het Oekraïense vraagstuk”, hoelang gaan jullie nog doen alsof je dat niet gehoord hebt?’

Het gaat hier over bestaansrecht. Over een land dat al meer dan een eeuw, volgens Zaboezjko zelfs al driehonderd jaar, vecht om het behoud van zijn eigen cultuur en politiek; om niets minder dan overleven. Zaboezjko weet dat woorden ‘het enige [zijn] waarover ik kan meepraten – en waarmee ik van nut kan zijn’. In Mijn langste boektournee stort ze een levenslange strijd in één lange adem uit op papier, háár poging om de wereld het historisch besef bij te brengen waardoor we eindelijk zullen begrijpen wat er al die tijd aan ‘de oostgrens van Europa’ plaatsvond. Waarom we geloven wat we geloven, en vooral, hoe het anders kan.

De grootste ‘denkfout’ die het Westen maakt, volgens Zaboezjko, gaat over de Koude Oorlog. Het idee dat het Westen die oorlog won, is onjuist – het was slechts een pauze. Rusland heeft zijn imperiale droom nooit opgegeven. Dit was zo in 1991, toen de ussr uit elkaar viel en veel van haar ‘satellietstaten’ verloor; dit was zo in 2004, tijdens de Oranjerevolutie, toen miljoenen mensen in Oekraïne in opstand kwamen tegen het feit dat de pro-Russische Viktor Janoekovitsj op omstreden wijze de presidentsverkiezingen had gewonnen; en dit was zo in 2014, toen diezelfde politicus met geweld de protesten op het Onafhankelijkheidplein in Kyiv, de Maidan, neersloeg. Zaboezjko spreekt van een ‘ophoping van systeemfouten’ die al honderden jaren oud is en waar nog steeds geen einde aan is gekomen. Geen ‘ontknoping’. De invasie van 2022 was slechts de volgende stap in een ‘onafgebroken en alomvattende oorlog’. Of, als je het vanuit Oekraïens perspectief beziet, de volgende stap in een eeuwenlange strijd om een zichtbare, erkende, en veiliggestelde identiteit.

Zaboezjko’s woede is voelbaar. De invasie van 2022 was slechts de volgende stap in een ‘onafgebroken en alomvattende oorlog’

Zaboezjko’s woede is voelbaar. Ze haalt uit naar het ‘rottende imperium’ dat haar landgenoten vermoordt; tegen ‘een steeds machtigere leugenindustrie’ en de hapklare informatiemasse die het Westen nog steeds zoetjes slikt (wat trouwens ook in Hongarije aan de hand is; Viktor Orbán is niet voor niets zo close met Poetin); tegen de journalisten wier gebrek aan kennis de oorlog alleen maar doet verlengen. Maar er is ook begrip. Over Poetin zegt ze: ‘In zekere zin begrijp ik hem zelfs – een schrijver moet iedereen kunnen begrijpen, als potentiële personages – ik begrijp de woede van een psychopaat die zijn eigen fout niet doorziet, omdat je die alleen kan doorzien als je buiten het systeem staat, en dat is precies waartoe hij niet in staat is.’

In Een album voor Gustav, een van de verhalen in de bundel Zusters, die gelijktijdig met Mijn langste boektournee verscheen, zien we hoe Zaboezjko dezelfde thematiek op fictionele wijze behandelt. Twee demonstranten leggen een ‘Hollandse’ journalist uit wat hen bewoog tijdens de Oranjerevolutie. ‘Het is een wonder’, merkt die journalist op, dat een land dat ‘nooit democratie heeft gekend’ zo massaal in opstand komt tegen zijn onderdrukker. ‘Niks geen wonder’, antwoordt Zaboezjko’s verteller, ‘landen verdwijnen gewoon niet vanzelf, hoe vaak een kaart ook hertekend wordt. Net zoals een mens niet verdwijnt als zijn foto vernietigd wordt.’

Niet geheel onverwachts sijpelt de oorlog – de lange, vooralsnog onbesliste oorlog – door in de andere verhalen, die niet altijd gaan over oorlog, maar over liefde en dood, zusjes en jongemeisjeslevens. Darka, het meisje uit de verhalen Zusje, mijn zusje en Meisjes, moet bij het schoolhoofd verschijnen vanwege haar vriendschap met de getroebleerde Leentje: ‘Ze werd opgeroepen voor haar eerste verhoor, en daarmee eindigde haar kindertijd.’ De jonge levens zijn doordrenkt met politieke subtekst; de terreur van Russische surveillance en propaganda is bijna alledaags. Want – het wás alledaags. Oorlog is deel geworden van Zaboezjko’s taal, van haar beeldspraak en verbeelding, zoals bijvoorbeeld hier, over de ruzies tussen Olha en haar man, in het slotverhaal Na de derde bel geen toegang tot de zaal, ruzies ‘die het huis de laatste tijd doorlopend op zijn grondvesten deden schudden als echo’s van artilleriesalvo’s in de Donbas’.

Hoe kan het ook anders? Zaboezjko herinnert zich haar kinderjaren in de ussr, hoe haar ouders, leden van de Oekraïense intelligentsia, altijd in de verdedigingsstand stonden, ‘op zoek naar strategieën en tactieken om de kgb te slim af te zijn’. Ze begrijpt nu waarom zoveel mensen in haar ouders’ vriendenkring aan keelkanker hadden geleden: ‘Het besef dat je over kennis beschikt die van levensbelang is voor je gemeenschap, maar die je niet publiekelijk kan delen, verwoest een intellectueel op fysiek niveau, het “slaat neer” op het lichaam, het voelt alsof je keel met een klem wordt dichtgeknepen.’ Anders dan haar ouders destijds opent Zaboezjko haar mond zo wijd als ze kan en laat de woorden uit haar keel stromen – en als ze voor de zoveelste keer een ‘Cassandra’ wordt genoemd, een onheilsprofeet, zwijgt ze.

‘Het enige geschikte instrument’ om de existentiële veranderingen die op dit moment in Oekraïne plaatsvinden te duiden, zegt Zaboezjko, ‘is en blijft de literatuur.’ Een schrijver zou de waarheid van de leugen moeten kunnen onderscheiden. Dat is haar taak, haar enige plicht. IJsberend door haar hotelkamer in Warschau, ‘gewapend met een microfoon’, is Zaboezjko vastbesloten ‘het hele verhaal te vertellen’. Ze kent de macht van woorden, net zoals Olha, de zangeres in het slotverhaal, die na een ruzie met haar dochter denkt: ‘en wie kon beter weten dan zijzelf wat een verschrikkelijke kracht dat soms was, de menselijke stem?’

Door beide boeken schemeren de contouren van een Oekraïne dat níet hoeft te vechten tegen Russische overheersing of dreiging – vooral als Zaboezjko het door haar zo geliefde landschap beschrijft, de aarde en de vruchten, het graan en de stromende rivieren. In Oekraïense handen, zegt ze, bloeit die grond weer op. Het is, ook voor haar, een raadsel hoe de Oekraïners ondanks het jarenlange geweld vanuit Rusland zo’n sterke identiteit hebben weten te behouden. Het moet hun gedeelde solidariteit zijn, denkt ze, ‘een gemeenschap verenigd door liefde’ die zich telkens massaal op stadspleinen verzamelt, ‘voor menselijkheid, tegen ontmenselijking’. Haar nogal felle moederlandsliefde is, gezien de precaire situatie van dat moederland, te begrijpen – het is misschien zelfs nodig voor het land om te kunnen overleven. In dat opzicht is Zaboezjko’s werk krachtig, zelfs hoopvol. Maar het is vooral een schrijnende herinnering – en een waarschuwing – over de macht van aanhoudende politieke leugens, en hoe moeilijk het is om die leugens te ontkrachten. 