Rotterdam is voor de Amster dammer welbeschouwd net zo dicht bij als het Vondelpark. Een iets snellere treinverbinding zou de havenstad zelfs op tramritafstand brengen. Het hoofdstedelijke kunstenaars gilde gilde desalniettemin moord en brand toen ruim een jaar geleden plannen bekend werden om het Amsterdamse Filmmuseum samen te voegen met enkele foto- en media-instituten en die cluster te huisvesten op de Rotterdamse Kop van Zuid. Het even fraaie als geschikte havenpand Las Palmas van de licht-en-ruimtearchitecten Van den Broek en Bakema stond er klaar voor. Verontwaardigd maakte Het Parool, nooit te beroerd voor een culturele gotspe, paginabreed gewag van ‘Schokkend cultuurimpe rialisme Rotterdammers’ en voor spelde De Groene de ‘ondergang van het Filmmuseum’. Half wakkergeschud draaide Amsterdam een paar halve plannen in elkaar om het museum in te pas sen in een Insituut voor Beeldcultuur, te vestigen in een deprimerend, door de voorgaande gebruikers gillend verlaten pand nabij het Stedelijk Museum. Terecht spreekt staatssecretaris Van der Ploeg deze week dan ook vrijwel zeker zijn voorkeur uit voor het slagvaardige Rotterdam. ‘Er komt geen hond meer kijken’, luidde het krachtigste argument dat de zelfgenoegzame Amsterdamse elite tegen de vestiging in Rotterdam had in te brengen. Zou het? Die vijf andere bezoekers met wie ik afgelopen zondag in het Filmmuseum naar de Russische prachtfilm The Iron Heel of Oligarchy zat te kijken, terwijl buiten het terras vol zat met elkaar toewuivende kunstminnaars, komen heus ook wel in Rotterdam opduiken.