Rotterdam schaamt zich voor Fortuyn

Rotterdämmerung (II)

Rotterdam schaamt zich voor de massale stem op Pim Fortuyn. Maar de regenten in het stadhuis «moesten het voelen». Hoe lang nog voordat de geest van het fortuynisme terug in de fles gaat?

De presentatie van de kandidatenlijst van de Lijst Fortuyn, deelnemer aan de Tweede-Kamerverkiezingen van 15 mei, vond plaats in een verlaten kantoorgebouw op een afgelegen industrieterrein in de Rotterdamse Spaanse Polder, door een niet nader genoemde bevriende zakenman gratis ter beschikking gesteld.

Het was een korte, ietwat schichtige ceremonie. Er was niet eens tijd voor een feestelijke nazit. «Bestudeer de kandidaten goed», sprak de lijsttrekker met vaderlijke trots, en weg was hij weer, met zijn equipe in het kielzog. Het verzamelde journaille bleef eenzaam achter, terwijl de ploeg schoonmakers al stofzuigend binnen kwam zetten. Was er werkelijk zo’n verschrikkelijke haast in het spel of wilde Fortuyn vooral voorkomen dat de pers nader kon kennismaken met zijn volgelingen? Ofwel: schaamde de reus van Rotterdam zich niet een beetje voor het parlementaire A-team dat zijn «krachtige herstelprogramma voor de collectieve sector» na 15 mei moet gaan uitvoeren?

Natuurlijk, met de benoeming van de Rotterdamse Kaapverdiër João Virela als zijn nummer 2 had Fortuyn nog een gelukkige hand. Degenen die Fortuyn aanvallen als de «Hollandse Haider» krijgen het op die manier nog moeilijk. Maar meteen daarna wordt het afzien met de Lijst Fortuyn. Tot nummer 3 is de Rotterdamse advocaat Jim Janssen van Raay uitverkoren, en met deze benoeming maakt Fortuyn onmiskenbaar duidelijk dat zijn natuurlijke politieke biotoop nog altijd die van de ultraconservatieve houwdegens is.

Janssen van Raay scheidde zich in 1996 af van de christen-democratische gelederen in Brussel en Straatsburg en liep over naar de Unie voor Europa, waarin onder meer Forza Italia van Berlusconi en de Franse Gaullisten zijn gebundeld. Reden voor de overstap was vooral pragmatisch: Janssen van Raay verliet het CDA nadat hij was beschuldigd van belangenverstrengeling. Hij had briefpapier van het Europees Parlement gebruikt om op te komen voor een zakenvriend, waarna de toenmalige CDA-voorzitter Helgers een royementsprocedure in gang zette en de verdrukte europarlementariër eieren voor zijn geld koos. Al eerder was Janssen van Raay in opspraak gekomen omdat hij geld uit een pensioenfonds van voetballers zou hebben doorgesluisd naar dezelfde zakenvriend. Kortom: niet de meest voor de hand liggende kandidaat voor Fortuyns grote offensief tegen nepotisme en corruptie.

Ook de nummer 5 op de Lijst Fortuyn blonk in het verleden niet uit als een lichtend baken van bestuurlijke transparantie. Integendeel, dr. F.A. Hoogendijk, ex-hoofdredacteur van wat toen nog Elseviers Magazine heette, heeft een nationaal record uitstaan als het gaat om journalistieke schandalen. Ferry Hoogendijk was in de wilde jaren van het kabinet-Den Uyl aanvoerder van de rechtse guerrilla in de pers. Van het leerstuk van de journalistieke onafhankelijkheid — waarvoor Fortuyn en zijn voormalige bondgenoot Jan Nagel onlangs nog zulke ontroerende pleidooien hielden — maakte Hoogendijk al in de jaren zeventig een liederlijke karikatuur.

Hoogendijk, alias «Mister Schnabbel», schreef als hoofdredacteur van Elsevier in opdracht van Freddy Heineken advertentieteksten voor de eerste verkiezingscampagne van Hans Wiegel en ook scheepsbouwer Verolme en olieconcern Gulf maakten enthousiast gebruik van de zorgvuldig verzwegen adviezen van de hoofdredacteur. In het geval van Gulf leidde dat toen al tot een schandaal: Hoogendijk stond op de betaallijst van het concern, samen met zijn vriend Norbert Schmelzer en het ARP-kamerlid Roolvink.

Een ander dieptepunt was de campagne van Hoogendijk tegen PSP-kamerlid Fred van der Spek, die werd beschuldigd van een geheim agentschap ten bate van de Sovjet-Unie. Hoogendijk beriep zich op een geheime lijst, waarvan pas jaren later bleek dat deze berustte op een oprisping uit de schemerwereld van de CIA en andere buitenlandse geheime diensten. In dat circuit bleek Hoogendijk ook al goed thuis te zijn toen hij hoogstpersoonlijk voor de opvang van Eschel Rhoodie zorgde, de gewezen persofficier van de Zuid-Afrikaanse ambassade in Den Haag. Rhoodie was de internationale pr-chef van het Zuid-Afrikaanse apartheidsregime en beschikte over een grote kas zwart geld om de wereld te overtuigen van de rechtmatigheid van de blanke suprematie in zijn land. Toen hij door allerlei onthullingen over geheime operaties van de Zuid-Afrikaanse inlichtingendienst danig in het nauw was gebracht, vond Rhoodie een gewillig oor bij Ferry Hoogendijk, die hem maar liefst driehonderdduizend gulden betaalde voor wat een «exclusief interview» heette te zijn. De buitensporige vergoeding misstond in de journalistieke cultuur van de Lage Landen, vooral omdat Rhoodie helemaal geen echte onthullingen deed over zijn activiteiten. Velen zagen in het vraaggesprek een regelrechte sponsoring van de chef agitprop van de Apartheid.

De prominente plekken voor Janssen van Raay en Hoogendijk positioneren de Lijst Fortuyn niet alleen onmiddellijk in het vak-S van de landspolitiek; met hen importeert men ook een decennialange traditie van ultraconservatieve dubbele agenda’s en ordinaire laaienlichterij in de rijen van de nog zo jonge en broze partij. Voor een beweging die het vooral moet hebben van een soort ethische kruistocht tegen politieke verloedering, is de keuze voor bovengenoemd garnituur politici een onvervalst staaltje van Trojaanse zelfvernietiging. Immers: hoe geloofwaardig zijn Fortuyns ijselijke aanvallen op zijn favoriete scapegoats als Bram Peper en Neelie Kroes nog als hij zelf secondanten binnenhaalt die van bedenkelijke manoeuvres onder de borreltafel hun tweede natuur hebben gemaakt? Zie daar de achilleshiel van het fortuynisme in al zijn kwetsbare naaktheid.

Voor Ad Melkert en de zijnen is dit alles een geschenk uit de hemel. Voor Fortuyn is het een strategische misrekening die ervoor kan zorgen dat zijn glanzende entree in de Tweede Kamer al voor 15 mei als een fata morgana uiteenspat. De discrepantie tussen zijn missie en de mannen die die missie voor hem moeten uitvoeren, is nu eenmaal te manifest. Vanuit tactisch oogpunt was het veel verstandiger geweest de Lijst Fortuyn net als die van For tuyns Leefbaar Rotterdam louter te vullen met anonieme, onbeschreven debutanten, wier stralende onschuld als vanzelf zou contrasteren met de door Fortuyn zo verafschuwde «paarse regenten». Nu zit Fortuyn opgescheept met twee dinosaurussen uit de oertijd van Rechts, die samen goed zijn voor een reeks schandalen waarbij het gescharrel met bonne tjes door Bram Peper nog bleekjes afsteekt. Zulks werkt — dat staat vast — contraproductief. Het werpt ook vragen op over de loyaliteiten van «prins Pim», die toch veel minder onafhankelijk blijkt van «het establishment» dan hij doet voorkomen.

Ook imagotechnisch was dit verre van een handige zet. Fortuyn heeft al zijn sentimentele trekjes naar een «vitalistische regeerstijl» à la Hendricus Colijn ten spijt wel degelijk ook een libertaire, jaren zestig-achtige dimensie. In zekere zin deed zijn campagne voor de Rotterdamse raad denken aan de «Freak Power»-beweging van de Amerikaanse schrijver/journalist Hunter S. Thompson tijdens de sheriff-verkiezingen in het wintersportparadijs Aspen, Colorado, in 1970.

Thompson, de legendarische pionier van het participerende New Journalism, verloor die historische verkiezingsslag maar op een haar na, en dat met een rudimentair verkiezingsprogramma dat onder meer voorzag in de legalisering van alle vormen van drugsconsumptie en het opbreken van alle geasfalteerde verkeerswegen in de binnenstad van zijn woonplaats. Al dertig jaar voor Henk Westbroek zag Thompson in dat de tegencultuur inmiddels zo groot was geworden dat er politieke macht mee kon worden verworven.

De Leefbaarheidsbeweging waaraan For tuyn zijn glanzende start te danken heeft, had aanvankelijk een hoog Freak Power-gehalte. Niet voor niets kwamen de founding fathers Westbroek en Willem van Kooten uit de dynamische wereld van de platenindustrie. Het zijn mensen die weten hoe de imago-industrie functioneert, en hoe deze met technieken uit de iconenfabriek van de popmuziek kan worden gemanipuleerd. De Utrechtse Leefbaren profileerden zich dan ook nadrukkelijk als antipolitici. Hun ambitie was te breken met de gehele politieke cultuur, waarbij er in hun ogen geen principieel verschil bestond tussen het CDA of GroenLinks.

Fortuyn beoogde met zijn campagne voor de Rotterdamse raad hetzelfde. Niet voor niets trok hij de oprichter van de Utrechtse Leefbaren, Henk Westbroeks hippe zakenvriend Broos Schnetz, aan als de campagnestrateeg van Leefbaar Rotterdam. Schnetz hield het met Leefbaar Rotterdam voor gezien toen de wegen van Fortuyn en Leefbaar Nederland zich scheidden, maar de Rotterdamse equipe werd niettemin naar Utrechts model opgesteld. Dat wil zeggen, bevolkt door Rotterdamse burgers die niets met elkaar uitstaande hadden behalve dat ze allemaal een hekel hadden aan «de politiek».

Leefbaar Rotterdam werd zoals bekend in één klap de grootste partij van de stad. Over de motieven van het Rotterdamse Fortuyn-electoraat wordt nog altijd druk gespeculeerd, maar in elk geval kan worden vastgesteld dat er — vertaald naar sociologisch jargon — aanmerkelijk meer «push»- dan «pull»-factoren in het spel zijn geweest. Met andere woorden: men stemde niet zozeer op Fortuyn, als wel tegen de heersende politieke cultuur. Met als resultaat dat niet alleen de collegepartijen PvdA en VVD pijnlijke nederlagen moesten incasseren, maar ook de kleine oppositiepartijen als de SP en zelfs de Rotterdamse Stadspartij van Manuel Kneepkens, die altijd voorop hadden gelopen in het verzet tegen de praktijken van Zonnekoning Bram Peper.

Kenmerkend was het kiesgedrag van de Rotterdamse deelgemeente Groot-IJsselmonde op de zuidelijke Maasoever. Fortuyns Leefbaar Rotterdam haalde daar meer dan vijftig procent van de stemmen, terwijl bij de gelijktijdig gehouden deelraadsverkiezingen de plaatselijke huurdersvereniging vanuit het niets de op een na grootste partij werd. De laatste keuze hing ongetwijfeld samen met de onzalige plannen van de gemeente om een stalinistisch programma van gedwongen verhuizingen en grootschalige woningsloop los te laten op de wijk, teneinde «sociale differentiatie» te verwezenlijken.

Wie drie weken na Pim-Day zijn oor te luisteren legt bij de bewoners van Groot-IJsselmonde, merkt al snel dat zij helemaal niet zo idolaat zijn van Wilhelmus Fortuyn en de zijnen als wel wordt gedacht. Integendeel, vaak geven zij aan dat ze zich schamen dat ze voor Fortuyn hebben gekozen. Maar, zo zeggen ze er dan meteen bij, «we moesten wel, ze moesten het voelen». «Ze» zijn de heden scheidende bestuurders van de stad, zoals PvdA-wethouder Hans Kombrink, in wie zij een verlengstuk zien van de hier innig gehate Peper, die zij verantwoordelijk stellen voor de verpaupering van hun buurt.

Bittere realiteit van het Rotterdam van 2002 is dat alle economische dynamiek die onder Pepers bestuur onmiskenbaar is losgekomen, flagrant is voorbijgegaan aan de kwaliteit van de leefomgeving van de gemiddelde Rotterdammer. Achter de trotse façades van prestigeobjecten als de Kop van Zuid, liggen de in de jaren vijftig en zestig gebouwde wijken van de middenklasse er inderdaad al decennia gruwelijk verwaarloosd bij. Waar een bescheiden renovatieprogramma al had volstaan om de ergste nood de lenigen, ging de Rotterdamse PvdA bewust of onbewust over tot een politiek van Verelendung: men liet de boel jaar na jaar versloffen, om de stemming onder de IJsselmondenaren nog te verslechteren door uiteindelijk op de proppen te komen met grootschalige sloopplannen, waarmee de verbijsterde bewoners zich opeens als «sociaal ongewenst» zagen bestempeld. De traditionele PvdA-aanhang in Zuid bleef verweesd achter en werd uiteindelijk als electoraat aangeboord door Fortuyn.

Opvallend daarbij is dat men hier eigenlijk helemaal niets van Pim Fortuyn verwacht. «Natuur lijk gaat hij er een enorme puinhoop van maken», zo kreeg Ad Melkert op bezoek in Rotterdam-Zuid van autochtonen te horen over zijn kwelgeest. «Misschien nog wel een ergere puinhoop dan jullie. Maar jullie moesten het eens voelen.»

En voelen doen ze het, de ooit zo trotse baronnen van de Rotterdamse sociaal-democratie. Afgelopen maandag werden ze definitief tot de oppositiebankjes veroordeeld.

De door burgemeester Opstelten als informateur binnengehaalde politicoloog Rinus van Schendelen verklaarde deze week over collegevorming te gaan praten met Leefbaar Rotterdam, VVD en CDA. Fortuyn rangeerde de PvdA uit omdat de sociaal-democraten hem persoonlijk hadden «gedemoniseerd» met vergelijkingen richting Mussolini. Eerder had de PvdA bij monde van Hans Kombrink aangegeven de eerdere weerstanden tegen een college met de Rotterdamse Leefbaren te hebben overwonnen, maar dat gaf geen pas meer. Informateur Van Schendelen, die Fortuyn nog kent van de Erasmus Universiteit, werd binnengehaald nadat de onderhandelingen ten stadhuize dramatisch waren vastgelopen, met Fortuyns nu reeds historische «daar heb ik geen zin an», en het angstbeeld van een onregeerbaar Rotterdam opdoemde.

Hoe langer Fortuyn zijn kat-en-muisspelletje op het stadhuis blijft spelen, des te meer zijn kiezers op hun wenken worden bediend. Uiteindelijk heeft het er alle schijn van dat het overwegende motief van het Fortuyn-electoraat aan de Maas was om een politieke crisis teweeg te brengen. Via deze shocktherapie beoogde men de van zichzelf vervulde technocraten aan de Coolsingel wakker te schudden en zich te herinneren voor welk doel ze ook alweer waren gekozen.

De stem-Fortuyn was een massale proteststem. Het geloof dat prins Pim werkelijk iets kan veranderen is maar zeer mondjesmaat beluisterbaar. Zijn Rotterdamse victorie was een eenmalige zaak als de PvdA zich werkelijk begint te bezinnen en overgaat tot een rigoureuze interne koerswijziging, en wel richting haar eigen ideologische roots, toen sociale vernieuwing met subtielere middelen dan de slopershamer werd uitgevoerd. Tot dan zal Rotterdam het moeten doen met de Freak Power van Wilhelmus Fortuyn.