Rottigheid en ellende

De organisatie heet VINK, de afkorting van de Vereniging Kinderen van Verzetsdeelnemers 1940-1945. Deze kinderen zijn inmiddels van middelbare leeftijd tot ouder. Zij komen eens per jaar bij elkaar, meestal om zich onder het gehoor van een spreker te scharen die zich enigszins in hun problemen heeft verdiept en om elkaar in de pauzes hun verhalen te vertellen.

De problemen zijn voor allemaal hetzelfde: het feit dat de verzetskinderen in ontregelde gezinnen zijn opgegroeid heeft tot contactuele stoornissen geleid, die eenieders leven hebben getekend. Een vader die ervoor heeft gekozen voluit het verzet in te gaan heeft andere dingen aan zijn hoofd dan het kind dat het liefst op zijn knie zou paardjerijden.
Als zo'n ouder, vader of moeder, de oorlog al overleefde, werd er na de oorlog in gezinsverband voornamelijk gezwegen, behalve op de momenten dat het bordje niet werd leeggegeten en het kind werd gechanteerd met het argument dat wij in de oorlog voor zo'n prak boerenkool een moord hadden gepleegd.
Er wordt in de kringen der verzetskinderen, tot mijn aanvankelijke verbazing, over drie generaties gesproken: zij die voor, in en na de oorlog zijn geboren. Maakt dat iets uit? Welzeker, legde verzetskind L. (62) uit. Hij is van 1934 en heeft een normale peuter- en kleutertijd gehad. Dat betekent een wereld van verschil, anders dan de basis van de kinderen van - zeg - 1944 of 1954, een basis die in vrijwel alle gevallen is ontwricht.
Dominant is, behalve het grote zwijgen, het schuldgevoel, bij ouders en kind, totdat er, vele jaren na dato, eindelijk wordt gepraat, op een moment dat ouder en kind overigens allang op de couch van de psychiater zijn beland.
Het was daar, op die bijeenkomst, een sluimerende vulkaan van emoties, waarbij de communistenkinderen, was mijn indruk, een extra emotionele factor vormden. Zij hebben immers niet alleen de oorlog, maar ook de Koude Oorlog meegemaakt en kregen - ouders en kind - het gevoel voor de tweede maal in de illegaliteit te zijn beland. Gevoegd bij het feit dat inmiddels is gebleken dat zij, in al hun idealisme, helaas de verkeerde heren hebben gediend… Het is een tragedie op zichzelf en het argument dat ook Jozef Stalin niet heeft gedeugd is irrelevant.
Je zit daar zo'n beetje bij, als betrekkelijke buitenstaander, en je hoort al die verhalen en hartekreten en denkt: Het is toch allemaal hetzelfde, de kinderen van verzetsmensen, de kinderen van joodse oorlogsslachtoffers en de kinderen van Anton Mussert. Allemaal schlemielen, met uitwisselbare beschadigingen. Zou ik het aandurven een opmerking in deze richting te maken? Dat moest dus maar. ‘Als ik jullie vraag of jullie veel in de problemen van de joodse oorlogskinderen herkennen, kan ik wel raden wat jullie zeggen. Maar geldt dit, wat jullie betreft, ook voor de kinderen uit een NSB-milieu?’
Eigenlijk verwonderde mij het antwoord niets. Dat was een ondubbelzinnig ja. 'Want Henk kan er toch niets aan doen dat zijn vader NSB'er was?’ zei m'n moeder: 'Dus ga jij maar gerust met die jongen spelen.’
Allemaal rottigheid, allemaal ellende, hele volksstammen zijn tot het derde geslacht door die oorlog ontwricht, maar in sommige opzichten is een enkeling er - in de letterlijke betekenis van het woord - wijzer van geworden.