Rottrap

Marcel Möring houdt er niet van om sociaal te doen met andere schrijvers. Hij loopt liever een paar uur in de regen over het Balloërveld.

Heiho, heiho, je krijgt het niet cadeau, zingen de zeven dwergen en nu ik al vijf dagen op de trap zit en duizenden nieten uit het hout heb gewipt met een priem, kilo’s tapijt- en lijmrest losgekrabd en geschuurd tot het zaagsel in mijn endeldarm zit, dringt de portee van hun liedje pas ten volle tot mij door. Had ík maar zeven dwergen. Of, nee: was ik maar Sneeuwwitje.

Wat goed is, komt langzaam, zegt mijn vader. En hoewel die trap op den duur best mooi zal worden, herinner ik me zeer goed dat diezelfde vader, gepensioneerd werktuigbouwkundige, niet echt een man van de handenarbeid is. Zelfs hier, op de trap, heb ik nog traumatische flashbacks van verleden verhuizingen, toen iedereen tilde, gordijnen ophing en spijkers in muren sloeg, terwijl de pater familias om zich heen keek in de eerste stoel die op zijn plaats was gezet en bij wijze van verontschuldiging twee linkerhanden in de lucht stak.

De verbetenheid waarmee ik dag na dag terugkeer naar die rottrap heb ik van mijn moeder. Net als de eigenaardigheid om een paar keer per jaar, geheel in m’n eentje, alle meubels te verplaatsen om daarna het onbestemde gevoel te koesteren ‘dat we nu weer verder kunnen’. Wat dat ‘weer verder kunnen’ betekent weet ik niet. Waarheen? Waarvoor? Ik word overspoeld door Mieke Telkamp-vragen.

En zo, zonder antwoord op de diepe kwesties van het leven, terwijl andere schrijvers bijkomen van een Boekenbal-kater of zich terugtrekken in een huisje in Friesland, woon ik zo’n beetje op de trap en het einde is nog lang niet in zicht. Ik ben een archeoloog die laag voor laag afschraapt en zich afvraagt wanneer hij ooit bij de vroegste tekenen van beschaving aankomt.

Het valt wel goed samen met de historische roman die ik schrijf. Het is een enorm ­tijdrovend karwei. Ik kan geen zin tikken of er moet weer iets worden gecheckt. Hoe sterk was het bier in de Middeleeuwen? Waaruit bestond het beddengoed? Hoe ver noordelijk was de moderne devotie doorgedrongen? Zo’n roman is omgekeerde archeologie. Je bouwt het verleden op als een spekkoek.

Wie mij op de lagere school naar mijn toekomstperspectieven vroeg, kreeg trouwens als antwoord dat ik archeoloog zou worden. Dat was lang voor Indiana Jones, dus het kan geen avontuur zijn geweest dat mij lokte. Het moet mijn nogal solitaire aard zijn, die in de archeologie een uitgelezen kans zag om buiten het bereik van organisaties te blijven, zonder bazen die zeggen wat je moet doen en kantoren waar men gezellig Wordfeud zit spelen. Ik ben een jaar writer in residence geweest aan de VU en telkens als ik het hoofdgebouw betrad moest ik een licht kokhalzen onderdrukken en mij bedwingen om niet in een bezemkast te gaan zitten jammeren. Lieve, lieve mensen, zou Mies Bouwman zeggen, maar ik kan er niet tegen. Het is een godszegen dat ik van mijn werk kan leven, want ik lijd aan ziekelijke ongeschiktheid voor groepsverband. Daarom ga ik ook nooit naar het Boekenbal. Ik loop liever een paar uur in de regen over het Balloërveld dan dat ik sociaal sta te doen met andere schrijvers.

Ooit, in de jaren tachtig, liep ik op die grote lege heide tegen mijn toenmalige te snoeven over middeleeuwse karrensporen hier en celtic fields daar en dat het verleden hier zo rijk was dat je maar een schep in de grond hoefde steken of er kwam iets boven. Om mijn woorden kracht bij te zetten schopte ik in het rulle zand en legde prompt een vuistbijl bloot. Vreugde en verbijstering vochten om voorrang in mijn borst, zou Olivier Blunder zeggen. De bijl ligt nu ergens in het Drents Museum.

De verbeten manier waarop ik dit soort projecten als die trap aanpak heeft een vervelend bijverschijnsel. Gisteren nog, lichtelijk nahijgend van een schuur- en krabsessie, rukte ik zomaar een deur uit de kamer, sleepte die het balkon op en begon het ding in een orgie van stof en motorgejank kaal te schuren. En dan vergeet ik bijna dat ik tussendoor de muren van de kleedkamer heb geverfd. Het geweld… De drift… De… Ja, wat?

Ik moet oppassen. Het verhaal dat Louis de Bernières mij ooit vertelde staat me nog helder voor de geest. Zijn verbetenheid richtte zich op het draaien van stoel- en tafelpoten, een bezigheid die zich in de eenzaamheid en beslotenheid van zijn schuurtje afspeelde. Dat, en de vele reizen die hij voor zijn boek maakte, had een onontkoombare vervreemding tussen hem en zijn echtgenote tot gevolg. Misschien is dat een waarschuwing, dat schrijvers zich verre dienen te houden van houtbewerking.

Ik maak alleen de schuifdeuren in de kamer nog af. En die op de tweede verdieping. En de vloer, die moet ook nog. En dan houd ik ermee op. Echt. Heiho, heiho.