De krottenwijk als broedplaats

Rousseau in de sloppen

Ruim een miljard mensen wonen in slums, over dertig jaar zijn dat er drie miljard. Krottenwijken hebben de reputatie arm en gevaarlijk te zijn, maar het zijn ook laboratoria van solidariteit, ondernemingslust en politiek denken. Dat blijkt in Ndirande, de grootste slum van Malawi.

De kunstenaar Boston Mbale (51) is tenger en kwetsbaar. Hij leeft in een ruimte volgestouwd met boeken over Nederlandse en Franse schilders. Mbale bewondert Vincent van Gogh. En net als Van Gogh in Saint-Rémy zou hij graag met zijn schildersezel de natuur in trekken om de zon vast te leggen wanneer deze door bloesems schijnt.

Maar Mbale’s gezondheid laat het niet toe. Hij lijdt aan astma en verlaat zijn huis maar zelden. Veel van de doeken die hij maakt zijn Afrikaanse versies van oude Europese meesters – van Leonardo da Vinci, van Seurat en natuurlijk van Van Gogh. Wanneer zijn klanten hem opzoeken, trekken ze de oude poort open, passeren bakken water die Mbale neerzet voor de vogels en vinden de vriendelijke schilder tussen ruwe muren van riet en modderblokken. Ooit startte Mbale hier een schilderschool voor de armste kinderen uit zijn wijk. Maar die kinderen hadden nog nooit een kunstwerk gezien, wisten niet wat schilderen was, en namen geen les bij hem. Wie wél kwamen, waren de rijke kinderen uit naburige wijken, waarop Mbale zijn school weer sloot. Boston Mbale leeft strikt vegetarisch. Vleeseters, zo zegt hij, zijn net als roofdieren. Planteneters echter zijn zacht en vriendelijk als koeien en schapen. Het is de plicht van een mens om alles wat leeft te beschermen en niet om het te doden en op te eten.

Ook al praat Boston Mbale zacht en zit hij rustig in zijn stoel, om de paar woorden hapt hij naar adem. Wanneer ik zo naar Mbale kijk, zie ik in hem een kruising tussen de glazen kunstenaar uit Le fabuleux destin d’Amélie Poulain en de heilige Franciscus van Assisi voor wie de vissen dansten.

Boston Mbale woont op een plek waar niemand hem ooit zou zoeken. Hij woont in Ndirande, een van de armste en grootste sloppenwijken van zuidelijk Afrika.

Nog is Afrika het minst verstedelijkte continent. Nog woont zestig procent van alle Afrikanen op het platteland, tegen, bijvoorbeeld, zeventien procent in de Verenigde Staten. Nog. Want nergens gaat de urbanisatie sneller dan in Afrika. Over vijftien jaar leeft ook de meerderheid van de Afrikanen in steden. Deze Afrikaanse steden zullen dan vooral bestaan uit sloppen.

Ndirande is zo’n sloppenwijk. Ndirande is het meest dynamische stukje Afrika halverwege Nacala, aan de vochtige kust van Mozambique, en Lusaka, duizend kilometer verderop in het stoffige binnenland van Zambia. Ndirande ligt aan de rand van Blantyre, de tweede stad van Malawi. Het is een ondoorgrondelijke verzameling brokkelige huizen en hutten, bedrijven en bedrijfjes, kerken, winkeltjes, autowerkplaatsen, kroegen, scholen, klinieken, meubelmakerijen, tinsmederijen en illegale alcoholstokerijen waarin naar schatting 220.000 mensen leven.

Mensen die, zoals overal ter wereld, het beste van hun leven proberen te maken. Maar dat zie je pas wanneer je vaker in Ndirande komt. De eerste keer dat ik door deze trillende massa mensen wandelde, bijeengepakt in hun woningen, markten, blikslagerijen en doodskistenfabriekjes, zwervend langs de afvalhopen en open riolen – die eerste keer zag ik vooral de ellendige kanten van hun bestaan. Ik zag de rouwstoeten, de lijkkisten en de zieken, soms uitgeteerd op een mat voor de deur. De kinderen met gescheurde kleren, het prikkeldraad over de muren, de tralies voor de winkeltjes, de kreupelen scharrelend door het stof. Ik zag wat iedere westerling als eerste ziet: wie in Ndirande woont, is maar een haarbreedte verwijderd van de dood. Je moet er niet aan denken dat iemand hier rondloopt met ebola. De bevolking van West Point, de grote sloppenwijk van Monrovia waar ebola in augustus uitbrak, is maar een derde van het aantal mensen in Ndirande. Gelukkig maar dat het twintig uur vliegen is van Monrovia naar Malawi en dat een ticket meer dan duizend euro kost. Slechts heel weinig mensen zullen de reis maken.

Nog steeds, terwijl ik toch al jaren door Ndirande dwaal, verbaas ik me erover dat een stad met het inwonertal van Eindhoven maar één geasfalteerde weg bezit. Hoe overleef je Ndirande in de woedende regentijd, wanneer de modder van Mount Ndirande naar beneden spoelt en het hele gebied in een immens moeras verandert? Wanneer de latrines overlopen, de drek tussen de huisjes golft, cholera toeslaat en malaria een spoor van verdriet door de krottenwijk trekt?

Niemand lijkt veel van Ndirande te weten, laat staan dat iemand in Ndirande is geïnteresseerd. Er is geen lemma in Wikipedia over Ndirande en in de databanken van het National Statistics Office van Malawi is vrijwel niets over de wijk te vinden. Zelfs een plattegrond is niet beschikbaar. De krottenwijk is, naar een tekst van U2, ‘a place where the streets have no names. Where people are beaten and blown by the wind, trampled in dust.’

Aanvankelijk ging ik ervan uit dat bewoners van townships als Ndirande dan ook geen keuze hadden. Dat de slum hun noodlot is. Dat ze veel liever in een dorp zouden willen wonen. Inmiddels ben ik daar niet meer zeker van.

Boston Mbale zette me aan het denken. Maar al te graag zou hij met zijn verf, ezel en penselen op het platteland verwijlen. Niemand lijkt méér gevoelig voor de herrie, de vervuiling, de onveiligheid van de sloppenwijk dan de fijnbesnaarde Mbale. Tien jaar geleden kocht hij een stukje land vol papaya- en bananenbomen aan de Shire River die Malawi van noord naar zuid doorkruist. Ooit zal hij zich daar terugtrekken. Al was het maar om het simpele leven van de Malawiaanse boeren te schilderen voordat het voorgoed voorbij zal zijn. Maar hij woont in Ndirande. En hij woont er omdat hij niet zonder Ndirande kan. In Ndirande wonen zijn klanten. Hier wonen de weinige Malawianen met wie hij over de vriendschap tussen Vincent van Gogh en Paul Gauguin kan praten. Met de minibus vanuit Ndirande is hij binnen het uur bij Mandala House, waar veel van zijn werk wordt geëxposeerd. In Ndirande zijn internetcafés waar hij verf in Kaapstad en boeken in Londen kan bestellen. En er is een postkantoor waar die verf en boeken aankomen.

Vervolgens las ik Edward Glaesers Triumph of the City: How Urban Spaces Make Us Human (2011). Glaeser, een liberale econoom uit Chicago, betoogt dat veel bewoners van slums er bewust voor kiezen om in een shanty town te leven. Vanzelfsprekend wonen ze nog liever in een betere buurt van de stad. Maar waar ze geen zin meer in hebben, dat is het platteland. Westerlingen, zo betoogt Glaeser, zien vooral de ellende in de krottenwijken. Ze beseffen echter niet dat het in de dorpen nog veel ellendiger is. De trek naar de slum moeten we dan ook begrijpen als een keuze tégen het platteland. Urbanisering volgt uit bewuste keuzes vóór de stad. Het is een interessante gedachte, die, wanneer ze klopt, ons beeld van de zuidelijke sloppenwijken sterk kan veranderen.

In Ndirande wonen de weinige Malawianen met wie Boston Mbale over Vincent van Gogh en Paul Gauguin kan praten

Voor mij begint een dag in Ndirande met een Heilige Mis. Want ik logeer een aantal dagen bij de katholieke ‘Fathers of the Holy Ghost’ in het dampende hart van de krottenwijk. En nu is het zes uur in de ochtend. De zon is aan en Ndirande wordt wakker. In de immense kerk van Holy Ghost celebreert father Cycus Chungu een eerste dienst. Tussen de honderden bezoekers van de vroege mis zitten veel vrouwen met paarse hoofddoeken en paarse omslagdoeken. Zij vertrekken zo naar een begrafenis.

Ik buig, kniel, kom weer overeind en stel in mijn hoofd een lijstje samen. Vandaag wil ik langs bij een aantal bewoners van Ndirande. Sommigen van hen ken ik al jaren, enkelen zijn zelfs vrienden. Maar één vraag heb ik hun nooit gesteld: ‘Waarom kwamen jullie naar Ndirande? Waarom wonen jullie hier? Waarom leven en werken jullie in een slum?’

Mijn beste vriend in Ndirande is Saulos Jali (35), die alvast aanbood om me de hele dag te vergezellen. Samen gaan we langs bij Boston Mbale, lopen we binnen bij autosloper Watson Luka en bij G’Bray Sangala, een politicus met grote plannen voor Ndirande. Afspraken hoeven we niet te maken. In Ndirande ben je altijd welkom.

Saulos wacht me op bij het uitgaan van de dienst. We ontmoetten elkaar in 2004 en werden vrienden. Toen handelde hij nog in tweedehands broeken, door liefdadigheidsinstellingen ingevoerd vanuit de Verenigde Staten. Saulos kocht die broeken per kilo in Ndirande. Hij waste ze en streek ze in zijn eenkamerwoning. Dagelijks liep hij met de broeken over zijn arm naar het centrum van Blantyre om ze daar aan voorbijgangers te slijten. Ik was zo’n voorbijganger. Twee jaar later zouden we samen reality tours door Ndirande organiseren. Nu heeft Saulos een eigen bureau, Zikomo Tours, voor de toerist die meer wil dan resorts en safariparken. Saulos is allergisch voor kerken, iets wat voor een Malawiaan nogal uitzonderlijk is. Maar ook Saulos vindt dat je een dagje Ndirande nergens beter kunt beginnen dan in een kerk of moskee.

Saulos is de enige aanbieder van reality tours in Ndirande. Met zijn oude Toyota haalt hij toeristen op in het centrum van Blantyre en gidst hen vol verhalen door zijn wijk. Maar storm loopt het niet bij Zikomo Tours. Malawi is toch al geen toeristenland en de weinige reisgidsen beschrijven de enorme krottenwijk als een no go area. Het is er niet alleen arm, het zou er ook gevaarlijk zijn. Wanneer je al niet bestolen wordt, verkracht of beroofd, loop je er wel kans op voedselvergiftiging, cholera of tbc.

‘Nonsens’, zegt Saulos. ‘Mzungu, blanken, worden hier met open armen ontvangen. Veel bewoners ervaren het als eervol wanneer westerlingen een praatje komen maken.’ Dergelijke waarschuwingen zorgen ervoor dat Ndirande het mythische karakter van de gevaarlijke slum behoudt. Iets wat natuurlijk geldt voor alle Afrikaanse shanty towns, van Soweto in Johannesburg tot de immense Mercato-markt in Addis Abeba, van Kibera in Nairobi tot West Point in Monrovia, Liberia.

En het verklaart al helemaal niet de onstuimige groei van het aantal slums en het aantal slumbewoners in Afrika. Terwijl volgens het Human Settlements Programme van de Verenigde Naties, UN-Habitat, tussen 1990 en 2010 het aantal bewoners van krottenwijken in ontwikkelingslanden met 25 procent toenam, ging hun aantal in zwart Afrika met vijftig procent omhoog. In 2050 zal het aantal Afrikaanse slumdwellers zelfs verdrievoudigd zijn.

We ontbijten in Roadside Restaurant Take Away. Dat zijn vier plastic tafels, tien plastic stoelen en muren zo zwart alsof er gisteren nog brand woedde. Voor de deur, net over het open riool, laden minibussen passagiers in. Shoutboys hangen uit de opgeschoven deuren en brullen de namen van de bestemmingen. ‘Chilomoni’, ‘Namiwawa’, ‘Nyambadwe’. En ze roepen naar mij. ‘Azungu, azungu’, waarna ze hun duim opsteken. Wolken stof en roet waaien over. De serveerster brengt vette friet, witbrood, suiker en oploskoffie. En ze brengt plastic teiltjes waarin we onze handen wassen. Ze spreekt alleen Chichewa. Waarschijnlijk komt ze ver van het platteland.

Saulos vraagt of ze er even bij komt zitten. De serveerster noemt zich Maia Joyce – Moeder Joyce – en is 36. Ze heeft zeven kinderen tussen de vier en 23 jaar. Haar eerste kreeg ze dus toen ze dertien was. Het geboortedorp van Maia Joyce ligt nabij het stadje Chiradzulu, op ongeveer een uur rijden van Ndirande. Ze verliet Chiradzulu op haar achttiende met haar man en hun eerste drie kinderen. Vier jaar geleden lag haar man plots dood in bed.

Maia Joyce antwoordt gedwee op de vragen die ik via Saulos stel. Uit verlegenheid kijkt ze mij niet aan. Haar kinderen doen het niet slecht in Ndirande, zegt ze. Er is nog geen kind overleden. Allemaal gaan of gingen ze naar school. Haar oudste is inmiddels truckchauffeur en pendelt tussen Malawi, Zimbabwe en Mozambique. Dat was hem nooit gelukt wanneer ze nog in het dorp hadden gewoond. Even overwoog Joyce om na de dood van haar man naar Chiradzulu terug te keren. Maar dan zouden ongetwijfeld kinderen zijn gestorven en misschien zijzelf ook wel. Want de gezondheidszorg is er slecht. Een school ontbreekt. De gedachte ooit terug te moeten wanneer ze zonder werk zou komen te zitten, jaagt haar angst aan. Zolang haar kinderen van haar afhankelijk zijn, zal ze er alles aan doen om in Ndirande te blijven.

Wanneer ik even later terugkeer van de latrine zie ik haar bezig in de keuken, een donker hol met lege maïszakken, blauwe vaten met water en kookstoven op houtskool. Ik vraag Maia Joyce of ik haar kan fotograferen. Dag mag.

De weinige plekken zonder woningen zijn diepe gaten waaruit klei werd gewonnen om stenen van te bakken

De tafels zitten vol wanneer we Roadside Restaurant verlaten. ‘Mensen in Ndirande gaan steeds vaker uit eten’, zegt Saulos. ‘They like to share a meal.’ Vroeger waren er alleen drinking joints, kroegen met spannende namen als The Thirsty Pub of de Hangover Clinic. Tegenwoordig krijg je overal in Ndirande gebakken eieren, rijst, bonen en kip.

Saulos herkent het verhaal van Maia Joyce. Vorige maand verloor ook hij zijn vrouw. Bridget was 32. Nu staat hij voor de lastige opgave om hun enige kind, de dertienjarige Ted, op te voeden. Vijftien jaar eerder stierf Saulos’ eerste echtgenote, zij was net twintig. Toen overwoog ook Saulos om terug te keren naar zijn dorp. Dat dorp is Maonga, in de koele, groene heuvels van Ntcheu, op drie uur rijden van Ndirande. Maar Saulos keerde niet terug. ‘Hoe zwaar het leven in Ndirande ook is, in de stad kun je in elk geval vooruit’, zegt hij. ‘In het dorp heerst alleen maar stilstand.’ Ed Glaeser had het niet beter kunnen formuleren.

We steken de straat over, ontwijken toeterende en walmende minibussen, springen weer over een open riool en zoeken onze weg naar het huis van gezondheidswerker en politicus G’Bray Sangala. Voor deze speurtochten is Saulos onmisbaar. Wie vanaf de geasfalteerde weg de krottenwijk in steekt, loopt aanvankelijk door stegen, maar moet het vervolgens doen met uitgesleten afvoerkanalen die in de regentijd vol staan met stinkend water. De weinige plekken zonder woningen zijn diepe gaten waaruit klei werd gewonnen om stenen van te bakken. Zelden is de ruimte tussen de huisjes groter dan een meter. Hier verdwaalt iedereen die niet precies weet waar hij moet zijn.

Ik herken G’Bray Sangala (40). Hij lijkt sprekend op zijn grootvader James Frederick Sangala, die met zijn portret het biljet van honderd kwacha siert. In de jaren veertig en vijftig tekende de oude Sangala als een van de eerste Malawianen verzet aan tegen de Britse koloniale overheersers. Hij kwam uit Zomba, de toenmalige hoofdstad van Malawi, dat in die tijd nog Nyasaland heette. Grootvader Sangala bouwde een huis in Ndirande en startte het Nyasaland African Congress, waarmee hij Malawi richting vrijheid leidde. Nu woont kleinzoon G’Bray naast het kleine huis van zijn grootvader, dat ooit een museum moet worden.

Dat zijn opa voor Ndirande koos, was niet toevallig, zegt G’Bray: ‘Ndirande is hét politieke hart van Malawi. Regering en parlement zitten dan wel in de hoofdstad Lilongwe, maar wat in Ndirande gebeurt, is doorslaggevend.’ In Ndirande werd het verzet tegen de Britten georganiseerd en in 1964 de eerste zwarte president Kamuzu Banda aan de macht geholpen. In 1994 werd dezelfde Kamuzu Banda vanuit Ndirande ook weer van de troon gestoten. ‘Nergens wordt zoveel over politiek gesproken als in de kroegen van Ndirande. Ik kan geen tien meter lopen of ik word aangesproken met klachten over de politie, kapotte waterleidingen of het gebrek aan schoolboeken.’

Niet dat hij veel voor zijn kiezers kan doen, want afgelopen voorjaar lukte het Sangala niet om in het parlement te worden gekozen. Zijn enthousiasme heeft er niet onder geleden. Inmiddels is hij alweer begonnen met campagne voeren voor 2019. Overal waar hij de kans krijgt, vertelt hij over zijn plannen om het aantal huizen met elektriciteit van dertig procent op te krikken naar zestig procent. Ook het aantal waterpunten in Ndirande zal verdubbelen. En de machtige Carlsberg Brouwerij even verderop moet ertoe worden verleid om alle kinderen te voorzien van schoolboeken.

Zijn inkomen verdient Sangala als clinical officer in Ndirande Health Clinic. Een deel van dat inkomen investeert hij weer in een eigen schooltje voor doofstommen. Het raakte hem dat doofstommen in het onderwijs en de gezondheidszorg volstrekt worden genegeerd. Soms wachten ze dagenlang op de gang van een ziekenhuis voordat een arts zich verwaardigt hen te onderzoeken. In zijn eigen schooltje, het cede, Center for the Deaf, leert hij hun om voor zichzelf op te komen. Hij twijfelt erover of hij zijn initiatief moet gebruiken in zijn campagne: ‘Mensen denken dan al snel dat je zoiets alleen doet om er politiek gewin mee te behalen. Voor je het weet keren dit soort initiatieven zich tegen je.’

‘Dorpen zijn voor politici veel gemakkelijker’, zegt Sangala. ‘Dorpelingen geloven alles, zeker wanneer je ze honderd kwacha, een T-shirt of een zakje kunstmest in de hand drukt. Hier in Ndirande geloven mensen niets. Je moet met argumenten komen, het debat aangaan. Telkens wanneer ik een verkiezingsrally hou, sta ik me te verantwoorden voor meer dan duizend mensen. Mijn grootste concurrenten zijn vrouwen. Drie van de vijf parlementariërs die Ndirande de afgelopen jaren vertegenwoordigden, waren vrouwen. In Malawi is dat ongekend.’ Net als in Nederland, denk ik.

We lunchen bij de Vaders van de Heilige Geest. Bij Father Cycus, die vanochtend de dienst opdroeg, en zijn confraters Simon en Cuthbert. Op tafel staan gebraden kip, bonen, rijst en maïspap. We staan achter onze stoelen om te bidden. Driestemmig zingen de monniken een lied. Ook door de open ramen klinkt gezang. Op lage bankjes onder een boom oefent een van de vier kerkkoren van de parochie. gt;

Het huis van de paters doet denken aan het kleine klooster uit Des hommes et des dieux, de aangrijpende film over trappistenbroeders in Algerije onder het opkomende islamisme. Hier heerst dezelfde soberheid. De paters stralen een vergelijkbare goedmoedigheid uit. Als vanzelfsprekend weigeren de monniken mijn aanbod om voor de overnachtingen en de maaltijden te betalen.

Ze zouden nergens anders willen wonen en werken dan in Ndirande, zeggen de Fathers. Hier zijn mensen tot in hun vezels bij elkaar betrokken. En waar kun je zoveel betekenen voor mensen? De armoede en ellende van de bewoners, gecombineerd met hun werklust en ambities, maken Ndirande een dankbaar werkgebied voor idealisten en wereldverbeteraars.

Terwijl romantici slums verafschuwen en het platteland prijzen, zijn slums een zegen voor het milieu

Op het terrein van de paters staat een waterpomp waar de hele omgeving gebruik van maakt. Ze runnen een kinderdagverblijf, een kleuterschool en een weeshuis. De offergaven die ’s zondags door een volle kerk naar het altaar worden gedragen – broden, zakken meel, kratten frisdrank, levende kippen en mekkerende geiten – vinden grotendeels weer hun weg naar gezinnen waar honger wordt geleden.

Cycus is net terug van een bezoek aan de Small Christian Community van St. Clara. In Ndirande organiseerden de Fathers zestig van zulke kleine gemeenschappen. ‘Deze zijn opgericht om voor elkaar te zorgen’, zegt Cycus. ‘Ze helpen elkaar met voedsel en met goede raad, bij bevallingen en begrafenissen. Zeker wanneer je arm bent, is solidariteit met andere mensen onmisbaar. De sociale vangnetten van de dorpen bestaan hier niet. Van de overheid moet je het niet hebben en alleen red je het niet.’

Hun parochie dijt uit. Nu al zijn er veertigduizend parochianen en met het groeien van Ndirande groeit ook het aantal katholieken. Na de lunch rammelen we in de pick-up-truck van Father Simon heuvelop naar een groot, braakliggend stuk land waarachter de steile rotsen van Ndirande Mountain oprijzen. Hier wordt de komende jaren een enorm katholiek complex gebouwd, compleet met een middelbare school, een ziekenhuis, een conferentieoord en natuurlijk een grote kerk. Nieuw is een speeltuin voor de kinderen van Ndirande. Nu kliederen zij nog in open riolen, over enkele jaren staan hier glijbanen, wippen en zandbakken. De parochianen zijn al begonnen met het bakken van stenen. Na de regentijd gaan de eerste metselaars aan de slag.

Wie voor het eerst een slum bezoekt, kan zich niet voorstellen dat mensen hier vrijwillig naartoe trekken. Vergeleken met plaatsen als Ndirande lijken Malawiaanse dorpen als Lunzu, Maonga en Chiradzulu de hemel op aarde. Afrikaanse dorpen, waar vrouwen al zingend hun maïs stampen en mannen hun bier brouwen, kennen niet alleen eerbiedwaardige tradities. Ze staan ook bekend om hun sterke sociale verbanden, hun simpele levensstijl, groene bananenbomen en felkleurige papegaaien.

Dat we niet begrijpen waarom deze dorpen niet langer aantrekkelijk zijn, kan wellicht worden verklaard door onze eigen romantische traditie. Toen halverwege de negentiende eeuw de industriële revolutie op stoom kwam, inclusief de bijbehorende trek naar de sloppenwijken van de Goutte d’Or in Parijs, Five Points in New York en de Jordaan in Amsterdam, tekenden romantische intellectuelen groot protest aan.

In de Verenigde Staten trok Henry David Thoreau zich terug voor een natuurlijk, simpel en eenzaam leven bij het meer van Walden. In het Nederlandse Bussum hoopte Frederik van Eeden op een al even rudimentair bestaan in zijn eigen Walden. In Rusland ruilde de oude Lev Tolstoj zijn rijke leven in voor een eenvoudig boerenbestaan. En boven allen zweefde de geest van de Fransman Jean-Jacques Rousseau, die in 1762 al schreef dat ‘steden de afgrond zijn van de menselijke soort’. Het lukte Rousseau, Thoreau, Van Eeden en Tolstoj om generaties westerlingen ervan te overtuigen dat steden fout zijn en dorpen goed.

Daar hadden ze argumenten voor. Net als de Afrikaanse slums van vandaag waren de steden van de negentiende eeuw vuil, ongezond, arm en gevaarlijk. Maar wat Rousseau, Thoreau, Van Eeden en Tolstoj niet zagen, en wat ook veel westerlingen nog steeds niet zien, was hoe belangrijk steden zijn voor mensen met weinig geld maar met veel ideeën, plannen en ambities.

Met Boston Mbale gruwen ook Maia Joyce, G’Bray Sangala, Father Cycus Chungu en mijn oude vriend Saulos Jali van de herrie, de vervuiling en de vele ziektes in Ndirande. Maar voor hen is de sloppenwijk vooral de belofte van een beter bestaan. Een belofte die jonge mensen wegtrekt van het platteland waar het leven al eeuwen zijn rondjes draait. Met weinig middelen en al even weinig opleiding, maar vol energie, vol plannen en vol goede moed hopen jonge mannen en vrouwen hier te ontsnappen aan de trage en uitzichtloze armoede in hun dorpen.

De grootste tegenhanger van Ed Glaesers Triumph of the City is Mike Davis’ Planet of Slums (2006). Davis noemt zichzelf een ‘marxist-environmentalist’ en doceert aan de Universiteit van Californië. Waar de liberale Glaeser de krottenwijk beschrijft als een motor achter de vooruitgang ziet Davis de slum als een mensonwaardige poel van ellende. Terwijl Glaeser de nadruk legt op individuen die om goede redenen naar de stad vertrekken, wijst Davis op kapitalistische krachten die mensen van het platteland verjagen. Grootschalige landbouw en landonteigening door multinationals, bezuinigingen op plattelandszorg en onderwijs door de Wereldbank: dát zijn volgens Davis de drijvende krachten achter de urbanisering. En niet het verlangen van gewone mensen naar een beter bestaan.

Vooral vanuit milieuoverwegingen is de slum een ramp, meent Davis. De grond onder de woningen is vaak metersdiep vervuild, afval wordt niet afgevoerd, water is vuil en een toilet wordt door tientallen, zo niet honderden mensen gedeeld. Wat Davis betreft, moeten we er alles aan doen om mensen zo veel mogelijk op het platteland te houden.

Het is belangrijke kritiek. En als er iets milieuverontreinigend is, dan zijn het wel autosloperijen, zo overweeg ik. Daarom lopen we nu naar de werkplaats van carbreaker Watson Luka, pal achter Ndirande Market.

De zon staat hoog aan het firmament. Ik geniet. Van de zon, van de geur van vuur, van gebraden kip en vers gezaagd hout. Ik geniet van het geklop van hamers op zink en hout, van de flarden kwasa kwasa uit de kroegen en gospel uit de kerken. Ik geniet van de donkere ogen, de bonte omslagdoeken, de ranke lichamen en het doorlopende groeten van passanten. Ik geniet van het zweet dat over mijn lichaam vloeit, van mijn aanwezigheid in dit vergeten stukje wereld, van deze intensiteit van menselijke aanwezigheid.

Op de vroege avond zuigt Saulos een kippenpoot leeg. ‘Van Ndirande valt ook te genieten’, zegt hij

De sloperij van de gespierde Watson Luka (49) bestaat uit een immense hoop metaal en een half dozijn mannen die eroverheen klimmen om er stukken uit te trekken. Carbreaker Luka begon als smid. Op zijn zoektocht naar geschikt metaal om hakken, schoppen en kapmessen van te smeden, kwam hij uit bij oude auto’s en minibussen. Vandaag koopt hij een afgeragde auto, minibus of vrachtauto per week, breekt hem in fragmenten en verkoopt alles binnen een maand. De werkende onderdelen gaan naar de spare parts market van Ndirande. Gebutste wielen krijgen een tweede leven als kookoventje en uit het plaatstaal worden emmers, pannen en gieters gesmeed. Lassers verwerken het chassis tot tralies en deurposten. De bekleding van de autostoelen vindt een nieuw bestaan als bekleding van de bagagedragers van fietstaxi’s en het schuim gaat in de bankstellen van de meubelmakers verderop. De banden worden versneden tot aandrijfriemen en schoenzolen. Per sloop verdient Luka rond de vijfhonderd euro. Met zijn sloperij verschaft hij werk aan twee bewakers en tien dagloners. We spreken elkaar in een door zijn assen gezakte minibus. Tijdens het gesprek overziet hij zijn terrein, geeft bevelen en ontvangt betalingen.

Watson Luka werd geboren in Lunzu, een half uur rijden ten noorden van Ndirande. Omdat hij hier, in Ndirande, handenvol geld verdient, piekert hij er niet over om weg te trekken. ‘Business wise gesproken, is geen plek in Malawi zo interessant als Ndirande.’

‘En geen plek is zo goed voor het milieu’, zegt Watson. ‘Nergens wordt alles zo volledig gerecycled als hier. In het buitengebied liggen nog wel eens kapotgereden vrachtauto’s te roesten. Zonder snijbranders kun je er niets mee doen. Hier is dat ondenkbaar. Wij gooien geen gram weg.’

Watson heeft gelijk. Terwijl romantici slums verafschuwen en het platteland prijzen, zijn krottenwijken een zegen voor het milieu. Niet alleen zijn slums immense recyclefabrieken waar alles een vierde of vijfde leven krijgt, ook is in slums alle menselijke activiteit geconcentreerd op een klein gebied waardoor de belasting van de natuur buiten de steden beperkt blijft. Hoe meer mensen samenklonteren in plekken als Ndirande, hoe beter het is voor het milieu. Opmerkelijk genoeg is dat ook het standpunt van UN-Habitat. Ondanks alle milieuproblemen in de slums pleit de VN-organisatie toch voor zeer compacte steden en tégen het oude ideaal van ruim opgezette buitenwijken, laat staan een politiek van sub-urbanisatie.

‘Wijken als Ndirande zijn niet arm omdat ze mensen arm maken’, houdt Saulos zijn toeristen voor die met hem rondwandelen, ‘wijken als Ndirande zijn arm omdat ze arme mensen aantrekken. Deze mensen verwachten het hier een stuk beter te krijgen dan in de dorpen waar ze vandaan komen. Dat Ndirande almaar voller wordt, moeten we dan ook begrijpen als compliment. Hier valt voor mensen blijkbaar iets te halen.’

Vergeleken met Afrikaanse dorpen doen Afrikaanse slums het vrijwel altijd beter. Volgens data van UN-Habitat is 41 procent van de Malawiaanse slumkinderen ondervoed. Maar op het platteland is dat 49 procent. In Ndirande gaat inmiddels 88 procent van alle kinderen naar school, terwijl dat op het Malawiaanse platteland blijft steken bij 81 procent. In slums als Ndirande heeft tachtig procent van alle jonge vrouwen geen betaald werk. Maar op het platteland is dat 93 procent. Op het platteland van Malawi heeft vrijwel niemand elektriciteit. In krottenwijken als Ndirande beschikt rond de dertig procent wél over stroom. Hoe dramatisch het bestaan in Ndirande ook is, in de dorpen is het allemaal nog veel erger.

Bezoekers van buiten Afrika zouden hun beeld van de Afrikaanse sloppenwijk moeten bijstellen, vindt Saulos. Al was het maar omdat slums als Ndirande al lang de uitzondering niet meer zijn in de verstedelijking van de wereld. Krottenwijken zíjn de verstedelijking. Van de tien miljard mensen die in 2050 onze aarde zullen bevolken, leven er naar schatting drie miljard in slums.

Al is het nog maar de vraag in hoeverre de sloppenwijk van 2050 nog lijkt op die van 2014. Want wat de neo-dorpelingen in de traditie van Rousseau al evenmin beseffen, is hoe maakbaar steden wel niet zijn. Terecht zingt Ed Glaeser de lof van de Parijse stadsarchitect Eugène baron Haussmann die onder Napoleon III de krotten van Parijs afbrak om er een moderne stad, met brede straten, rioleringen, schoon water en openbaar vervoer voor terug te zetten. Wat Haussmann rond 1860 in Parijs deed, en wat even later ook in Berlijn, Amsterdam en New York gebeurde, kan morgen realiteit zijn in Afrikaanse sloppen als Kibera, West Point of Ndirande.

Het is zaterdagavond, tegen zessen. De zon gaat uit en de dag eindigt in The Hangover Clinic. Uit de luidsprekers dreunt reggae. De klanten zijn druk in gesprek. Over het schandaal dat Queen Elisabeth Central Hospital vandaag geen paracetamol meer had, over de recente problemen met de watertoevoer in Ndirande en over de leiders in het nieuwe Youth Center die geen orde kunnen houden. We drinken Carlsberg. Op de braai voor de veranda sudderen kippenpoten.

Carbreaker Watson Luka komt binnen, knijpt links en rechts handen fijn en trakteert. Ik vraag Saulos of ook hij nog iets nieuws heeft opgestoken. ‘Ik snap nu pas waarom het almaar drukker wordt in Ndirande’, zegt Saulos. ‘Dat was eerder zo vanzelfsprekend dat ik er nooit bij stilstond. En ik ben onder de indruk van de small christian communities van de paters. Ik wist niet dat katholieken zo voor elkaar zorgen. Ook heb ik nooit beseft dat Ndirande vooral vrouwelijke parlementariërs oplevert of dat Ndirande zo’n doorslaggevende rol speelde in de politieke revoluties van 1964 en 1994.’

De vroege avond is het mooiste moment van de dag. Ndirande deint als een reusachtig feest van kinderstemmen, lachende mannen en vrouwen, flakkerende vuren en muziek uit de kroegen. Saulos zuigt een kippenpoot leeg. ‘Van Ndirande valt ook te genieten’, zegt hij. En ik schaam me niet om dat te beamen.

‘De anderen, dat is de hel’, schreef Sartre. Hij had het fout. Soms is er geen groter geluk dan te worden ondergedompeld in mensen, mensen en nog eens mensen. En ik kan me niet aan de indruk onttrekken dat veel inwoners van Ndirande, ondanks hun ellende, daar net zo van genieten.

Naschrift. Drie weken later. Saulos belt. Hij heeft slecht nieuws. Gisteren kreeg Boston Mbale een astma-aanval. Die overleefde hij niet. Mensen verzamelen zich nu bij zijn huis om te rouwen. ‘O Ralf’, zegt Saulos. ‘De wereld is zo wreed. In Nederland had Boston waarschijnlijk overleefd. Je schrijft nu een positief artikel over Ndirande, maar dit hoort er ook bij. Alsjeblieft, vergeet dat niet.’


Deze reportage kwam tot stand dankzij een financiële bijdrage uit het Postcode Loterij Fonds van Free Press Unlimited


Beeld: (1) De sloppenwijk Ndirande bij de Malawiaanse stad Blantyre (Ralf Bodelier). (2) Chikumbutso Zuza (11) bij het huis van zijn tante (Jeffrey Barbee / NYT / HH). (3) Markt in Ndirande. Moses Yass luistert naar de verkiezingsuitslagen, mei 2014 (Obed Zilwa / AP).