Routineklus

Tony Blair, Memoires. Vertaald door Bep Fontijn, Katalien van Paassen, Edwin Krijgsman, Amy Bais, Joost Zwart, € 29,90

Met zijn memoires sluit Tony Blair aan bij een lange Engelse traditie van boekenplankenpolitiek.

‘All political careers end in failure’, mijmerde Enoch Powell ooit. Hij vergat er de woorden 'and on the bookshelves’ aan toe te voegen. Zelf schreef de omstreden politicus in 1973, na zijn vertrek uit de Conservatieve Partij, de autobiografie No Easy Answers, zijn bijdrage leverend aan een prijzenswaardige Britse traditie: politici die dagboeken of memoires publiceren.
Na de val van Labour is het druk geweest op de markt van politieke memoires. Gordon Brown had zijn ontslag nog niet ingediend of Alastair Campbell kwam met een opgesekste versie van zijn dagboeken. Enkele weken later leverde Peter Mandelson met The Third Man een vileine aanval op Tony Blair en vooral Gordon Brown. Dit was een mooie prelude voor Blairs A Journey (The Journey was toch iets te messiaans). Ondertussen wordt er in huize Brown mokkend gewerkt aan memoires, waarbij de gewezen premier hoopt dat ze beter verkopen dan zijn gebundelde toespraken, die hun weg vonden naar 32 huishoudens.
De lancering van A Journey was een toonbeeld van goede marketing. In de aanloop had Blair al toegezegd dat hij zijn voorschot van 4,6 miljoen pond doneert aan oorlogsveteranen, wat niet kon voorkomen dat de voormalige premier signeersessies moest afzeggen wegens gewelddadige protesten van pacifisten. Het moment van publicatie was ideaal: tegen het einde van de komkommertijd en halverwege de strijd om het leiderschap van de partij, die hem inmiddels beschouwt als een koekoek. Inhoudelijk gezien had Blair hapklare oordelen klaarliggen voor de journalisten, over de 'zero emotional intelligence’ van Brown, zijn spijt van het jachtverbod, en het zinnige economische beleid van de liberaal-conservatieve coalitie. Uitgeverij Random House, waar de vrouw van Blairs voormalige topadviseur de directrice is, heeft reeds honderdduizend exemplaren verkocht, ondanks het feit dat subversievelingen het boek op de planken 'Horror’ en 'Fantasy’ hadden neergelegd.
Hoewel het te begrijpen valt dat Prometheus geen 4,6 miljoen euro biedt aan Jan Peter Balkenende, zelfs geen 460.000 euro vermoedelijk, is het opmerkelijk dat erudiete politici als Hans van Mierlo en Dries van Agt nooit met hun memoires zijn gekomen. Misschien komt het doordat Nederlandse politici vanwege het consensusmodel tot elkaar zijn veroordeeld, wat gepaard gaat met discretie. Een andere reden kan zijn de 'doe maar gewoon, dan doe je al gek genoeg’-mentaliteit, en de bijbehorende waardering voor bescheidenheid. Dat is funest voor een biografie- en, meer nog, dagboekencultuur. Terwijl de Engelsen zijn grootgebracht met de dagboeken van Samuel Pepys, die daarin onder meer The Great Fire van 1666 beschreef, zijn er in Nederland amper dagboeken waarin iets meldenswaardigs staat. Natuurlijk, Ed van Thijn schreef over zijn Haagse ervaringen, Ella Vogelaar kwam met gênante dagboeken en Eduard Bomhoff kon het zich als relatieve buitenstaander permitteren om de buitenwereld bij te praten over het komische kabinet-Balkenende I, maar het is minder meeslepend dan de dagboeken van bijvoorbeeld Paddy Ashdown, ex-commando, spion en schuinsmarcherende leider van de Liberaal-Democraten.
Afgezien van het gegeven dat in Engeland meer markante mensen rondlopen, valt of staat de kwaliteit van een dagboek met de hoeveelheid 'gossip’. In Nederland heeft dat fenomeen een negatieve lading. Roddel is iets voor schoolmeisjes, viswijven en Albert Verlinde. In Engeland komt 'gossip’ echter in de beste kringen voor. David Hume maakte zich er schuldig aan, de historicus Hugh Trevor-Roper beleefde plezier aan societynieuwtjes en zelfs een nette ochtendkrant als The Daily Telegraph heeft een 'gossip’-rubriek, waarin geruchten staan over de Goldsmiths, Millibands en Windsors.
De verschijning van een (auto)biografie wordt in Engeland voorafgegaan door lucratieve voorpublicaties. In deze uittreksels staan de hoogtepunten van het boek, wat als voordeel heeft dat lezers niet door het proza van politieke werkpaarden als David Blunkett en John Prescott hoeven te klunen. Het gedenkboek van laatstgenoemde, Pulling No Punches, was overigens geschreven door een ghostwriter die eerder de levensgeschiedenis van Wayne Rooney voor voetbalsupporters had vertaald. Prescott hield er een paar ton aan over, hoewel zijn boek in slechts één klassement de eerste plek behaalde: dat van boeken die de cliëntèle van Travelodge in motelkamers achterlaat. Door de voorpublicaties krijgt deze cultuur een eigen dynamiek, in de vorm van een openbaar steekspel tussen bewindslieden die lange tijd aan de kabinetstafel deden alsof ze aantekeningen maakten over de invoering van deze of gene wet, maar stiekem notities maakten voor Life in the Jungle of Ministers Decide.
De ongeletterdheid van vechtersbaas Prescott betreft een uitzondering. Doorgaans zijn Britse politici belezen, welbespraakt en hoogopgeleid. Een beetje politicus heeft een boek geschreven. Winston Churchill maakte literaire faam met een boek over zijn familie, de Marlboroughs, Alan Clark schreef over Barbarossa, Boris Johnson over de Romeinen, John Major over cricket, Chris Mullin over de Birmingham Six, Enoch Powell over Herodotus, Chris Patten over de toekomst van onze planeet, Harold Wilson over Israël, Jonathan Aitken over Richard Nixon, Denis Healey over de Yorkshire Dales, Douglas Hurd over de geschiedenis van Buitenlandse Zaken, David Owen over zieke wereldleiders, Nigel Lawson over diëten, Andrew Adonis over Roy Jenkins en Roy Jenkins over Winston Churchill. De voormalige voorzitter van de Conservatieve Partij, Jeffrey Archer, werd multimiljonair met zijn thrillers en kreeg lovende kritieken voor zijn gevangenisdagboeken.
In dat licht is het schrijven van een autobiografie een routineklus. De lat in dit genre is echter hoog gelegd door Churchill, die beweerde dat de geschiedenis welwillend over hem zal oordelen daar hij van plan was deze zelf te schrijven. Met zijn memoires won hij de Nobelprijs voor de literatuur. In zijn schaduw schreven zijn opvolgers bescheiden memoires om verantwoording af te leggen en toekomstige historici behulpzaam te zijn. De toonzetting was waardig. Zo verhaalde Anthony Eden in Full Circle diplomatiek over het bezoek van Nikita Chroesjtsjov, waarbij de Russische gast zich niet zo netjes opstelde, maar pas in de recentelijk verschenen memoires van Edens weduwe kwam naar voren dat hij zich als een ongelikte beer had gedragen.
Edens opvolger Harold Macmillan schreef de dikste memoires aller tijden - hij was zelf uitgever, wat scheelde - en ze lezen als een zwierige gids langs landgoederen en achterkamertjes. Kritiek leveren deed hij op diplomatieke wijze. Dat Stanley Baldwin in de jaren dertig niet adequaat reageerde op Hitlers agressie 'was not merely weakness or political adroitness. He above all statesmen, regarded politics as the art of the possible’. De memoires van Macmillans opvolger Lord Home zijn de meest onpretentieuze ooit. De premier liet al na één jaar de koude drukte van Downing Street achter zich. 'Beauty in its purest form I find in the beasts and the birds, the butterflies and the flowers’, overwoog His Lordship aan het einde van The Way the Wind Blows.
Een ander voorbeeld is het melancholische Reflect on Things Past van Peter Carrington, die onder meer terugkijkt op zijn rol als soldaat bij Operatie Marketgarden en als minister bij de aanloop naar de Falkland-oorlog. In de titel van Carringtons boek zit nog een andere clou verborgen waarom de (auto)biografiecultuur zo bloeit: de drang om terug te kijken, die in Engeland sterker is dan in Nederland.
In de laatste decennia veranderde de aard van de egodocumenten. Ten eerste begonnen politici het als een lucratieve bezigheid te zien. Na zijn eerste periode als premier publiceerde Wilson zijn memoires, onder meer om zijn oppositie tegen de Conservatieve regering te financieren. Zijn collega Barbara Castle beschouwde haar memoires als een aanvulling op haar pensioen. Ten tweede werden de boeken intellectueler. Niet alleen bij de pijprokende Wilson, maar vooral ook bij Denis Healey, die reeds aan het begin van zijn The Time of My Life een gedicht van A.E. Housman citeert. De trend zette zich voort in de jaren tachtig, al werd er toen meer Hayek dan Housman aangehaald. Norman Tebbits autobiografie Upwardly Mobile, meritocratie voor loodgieters verklaard, beschreef hoe een zoon van een werkloze vader opklom tot machtig politicus.
Een soortgelijke trektocht door de klassenmaatschappij valt te beleven in de memoires van John Major, zoon van een trapezeartiest. Dit geestige en openhartige boek staat haaks op zijn imago als grijze muis, vooral wanneer hij vertelt over zijn Dik Trom-achtige jeugdervaringen. De sterkste verdediging van het neoliberalisme leverde de thatcheriaan Nicholas Ridley, die zijn My Style of Government eindigde met een ode aan het hedonisme: 'The French glory in making their lives as enjoyable as possible: I sometimes wonder whether the lobbies in Britain don’t glory in trying to make other people’s lives as unenjoyable as possible.’
Op zijn beurt gaf Geoffrey Howe inzage in Thatchers avonturen in het buitenland, waar ze een vriend vond in de 'conservative, good-looking and unfanatically tenacious’ Ruud Lubbers, een van de weinige Europese leiders 'whose company Margaret almost enjoyed’. Thatchers eigen autobiografie bestaat uit de notulen van het neoliberalisme. Een recente trend is dat ook vaders, vrouwen, broers, zonen en dochters van politici memoires of dagboeken uitgeven, variërend van de vader van Boris Johnson, de broer van John Major tot de zoon van John Profumo.
Smeuïger dan al deze memoires zijn van oudsher de politieke dagboeken, die vaak worden geschreven door politici die uit de gegoede klassen komen en daarom geen rekening hoeven te houden met gevolgen voor hun loopbaan. De vader van dit genre is Henry 'Chips’ Channon, een Conservatief Kamerlid uit de jaren dertig, voor wie Westminster slechts een decor vormde voor zijn dagboeken. Daarin karakteriseert hij zichzelf als iemand met een uitmuntende smaak. In het voorjaar van 1938 maakte Chips, die de appeasement-politiek steunde, gewag van een ongelooflijke dag, waarop twee gebeurtenissen plaatsvonden: 'Hitler took Vienna and I fell in love with the Prime Minister.’
Wat betreft indiscretie, decadentie en stilistisch talent werd 'Chips’ in de jaren tachtig overtroffen door Alan Clark, de conservatieve casanova binnen de hofhouding van Lady T., zoals hij Thatcher minzaam noemde. Gedenkwaardig is de manier waarop hij de eerste ontmoeting met zijn secretaresse (wier kapsel 'gamine short’ en seksualiteit 'tightly controlled’ is) portretteert: 'She makes plain her feelings on several counts: one, that I am an uncouth chauvinist lout; two: that it is a complete mystery why I have been made a Minister; three, that my tenure in this post is likely to be a matter of weeks rather than months.’ Aan de linkerzijde van het politieke spectrum zijn de dagboeken van Richard Crossman, Tony Benn en Chris Mullin cultklassiekers.
Het interessante van Blairs reisverslag is dat hij ook hier een derde weg bewandelt. Met geplagieerde onthullingen over Hare Majesteit, zijn seksleven met Cherie (die de lezers van haar memoires reeds had geïnformeerd over haar onregelmatige menstruatiecyclus) en venijnige opmerkingen aan het adres van voormalige collega’s heeft hij de indiscretie van de dagboekeniers overgenomen. Daarnaast benut Blair de therapeutisch-historische werking van de klassieke politieke autobiografie. Blair verwerkt hier de trauma’s die de Irak-oorlog en de samenwerking met Brown hebben veroorzaakt, factoren die bijdroegen tot het falen van het New Labour-project en het feit dat hij zijn loopbaan als freelance staatsman eerder heeft moeten aanvangen dan hij van plan was.
Veel ruimte voor zelfreflectie en politiek-filosofische beschouwingen is er niet. Een korte briefwisseling met Isaiah Berlin laat hij onvermeld en zijn levensloop neemt twee pagina’s in beslag, wat het a-historische karakter van New Labour symboliseert. De waarde van zijn hagio-autobiografie zit hem vooral in de weerspiegeling van de tijdgeest. Zo lijkt het boek op een iPad geschreven te zijn, met informeel gabberdialect als 'Anyway, you get the point’, 'And you can believe it or not, I really don’t mind!’ en 'You know something…’ als hinderlijke bijwerking. Zijn enthousiaste gebruik van het uitroepteken typeert het narcisme van de jaren nul, terwijl zijn opmerking dat Bono een goede minister-president zou zijn (Blair moest zich inhouden om er niet 'beter dan Brown’ aan toe te voegen) erop wijst dat na het tijdperk van de politieke 'Milords’ en de politieke intelligentsia nu het tijdperk van de politieke celebrities is aangebroken. Wat dat betreft staat A Journey dichter bij Bono’s verzamelde popteksten dan bij de memoires van Macmillan en Major.

TONY BLAIR
A JOURNEY
Hutchinson, 624 blz., £ 12.50
MEMOIRES
De Bezige Bij, 784 blz., € 29,90