Kaddisj voor de hedendaagse kudde

Rouw in tijden van TV en TGV

Kaddisj voor de hedendaagse kudde

Zou de voorlopige regering van Vaticaanstad – het college van kardinalen – nu ja dan nee verguld zijn geweest met de toestroom van een paar miljoen gelovigen? In devote verdoving schoven die een halve tot een hele dag aan, om anderhalve seconde lang een glimp te kunnen opvangen van hun opgebaarde kerkvorst. Nog wel in de heilige over tuiging dat zulk persoonlijk afscheid niet mocht mankeren in hun leven, en dat die af scheidsgroet de morsdode vorst zou sterken in zijn hemelvaart. Appelflauwtes, geeuw honger, overbelaste urine blazen, zere voeten – de moderne pelgrim nam het allemaal voor lief. «Christus heeft ook geleden aan zijn kruis», legde een jonge Pool uit, oog in oog met een televisiecamera.

En wij maar denken dat bescheidenheid een christelijke deugd was, en gevoel voor verhoudingen ook.

Als de kardinalen zichzelf trouw zijn – en wie moeten paarse vazallen anders trouw zijn dan zichzelf, na de dood van hun monarch? – zullen ze gemengde gevoelens hebben gekoesterd. Een ziertje leedvermaak, hoe onorthodox ook, kan hun niet vreemd zijn geweest: lekker veel volk op de been, voor een godsdienst die al vele jaren is afgeschreven als verouderd, onaangepast en failliet.

Maar voor een religie die afgoderij beweert te hebben afgezworen, leek de trage stormloop naar de basiliek toch ook verdacht veel op een ingetogen kermis voor het Klatergouden Kalf. Wat werd hier eigenlijk aanbeden? De onstoffelijke ziel van Gods tentakel op aarde, of juist haar stoffelijke huls? Als je het mij vraagt vereerde men dat laatste onder het mom van het eerste. Een ziel? Die kun je nog jaren later eren, in je eentje of in groep, in je huis of in je bos kapel, waar dan ook, hoe dan ook. Maar dat lijf, dat lijk – die zak van vet en knoken? Die staat maar een paar dagen in de uitstalling te Rome, voor die definitief verdwijnt achter de sluisdeuren van blank hout en lood en marmer. In de wedren naar exclusiviteit is de keuze dan snel gemaakt. «Ik was er zelf bij!» «Ik heb hem nog gezien!» «Met eigen ogen!» Zo wint de getuigenis van de materie het op de viering van de geest.

Ik ben voldoende katholiek opgevoed om mij te herinneren dat de canonieke leer net het tegendeel aanprees. Weliswaar ongeacht zijn eigen eeuwenoude traditie van heiligen verering, annex het verzamelen van de zotste relikwieën, overal ter wereld. Een scheenbeen! Een neusbrug! Een eksteroog! Leg de gekende restanten van één kernheilige bijeen, en je hebt al snel genoeg voor een voetbalploeg apostelen. Wie zich het hardst beroept op spiritualiteit, snakt niet zelden het meest naar tastbaarheid.

Nu zijn er natuurlijk wel meer godsdiensten in datzelfde bed van tweespalt ziek. De profeet van de islam liet de oude afgodsbeelden in de Ka’aba van Mekka vervangen door een regelrechte steen, in het streven om niet de Vorm maar de Idee te doen aanbidden. De overlevering wil dat deze steen uit één stuk bestaat en donkergrijs is. Hij valt dan ook onmogelijk te verslijten voor een verpersoonlijking van God, tenzij je ervan uitgaat dat de Allerhoogste een Kassei is – wat alleen een winnaar van Parijs-Roubaix niet vergezocht in de oren zal klinken.

Maar steen of geen steen, belichaming of geen, het belet honderdduizenden moslims niet om jaarlijks tijdens de hadj bijeen te troepen rond juist die ene monoliet in Mekka, waar ze in een rondedans van extase niet zelden elkaar vertrappelen – de mystiek als mallemolen. Waarom vertrappelen ze elkaar niet elders? Waarom precies rond deze steen? Men kan gewagen van gewoonte en traditie. Die zijn, toegegeven, sterk. Maar ik betwijfel of de hadj zou slagen indien men rondom helemaal niets moest draaien. Die ene steen mag dan in weinig op mens of dier gelijken, hij functioneert zoals een goed conceptueel kunstwerk: hij is een prisma dat meerdere vormen tegelijk kan projecteren, sterker dan hun concrete contouren. Maar je hebt daar dus wél nog steeds dat ene prisma voor nodig… Zo is en blijft de zwarte monoliet de tastbare navel van een geloof dat tastbare navels beweert te hebben uitgedreven. Het is de contradictie van ieder geloof: je mag lullen over onstoffelijkheid zoveel je wilt, je staat wel nog steeds te bidden met je beide voeten in de modder.

(De hadj der mohammedanen. Daaraan deed de wieling van de massa’s, met het Sint-Pietersplein als spil, mij nog het meeste denken. Men had die blankhouten doodskist in het midden van het Sint-Pietersplein moeten durven zetten, dan had de menigte eromheen kunnen draaien tot iedereen tureluurs van godsvrucht werd.) (En ook hier, net als bij de theocraten van pakweg Iran: onder de machtigen zag je niets dan patriarchen, in welke traditionele klederdracht ze zich ook aandienden, van kazuifel tot Koptisch kleed tot maatpak of boernoes. De enige vrouw met een sprankel macht die in beeld kwam was Condoleezza Rice – ze werd in verbazing aangekeken, alsof iemand per ongeluk z’n maîtresse mee had durven brengen.) (Niet dat er weinig Vaticaanse vrouwen in beeld kwamen. Ik heb nog nooit zoveel hoofddoeken live op tv gezien.)

De ingebakken contradictie, het is geen privilege van grote godsdiensten alleen. Ook heilsleren zoals het communisme lijden eraan. Dat zag je al van bij het begin, in Rusland. Daar brak, na de Oktoberrevolutie in 1917, het collectivisme door in de praktijk. De massa kraakte de elite, de groep ontmande de oligarch, de arbeidersklasse verknechtte de private ondernemer. Kortom: de gemeenschap werd de held, en niet langer de eenling.

Maar wat doet die zelfde gemeenschap, zodra haar eerste held het loodje legt? Ze bouwt voor hem een praalgraf als voor een vastgoedtycoon. Ze balsemt hem als was hij een tsaar. Ze trekt jaarlijks in aanbidding en in volle wapenrusting, troepenschouw incluis, aan hem voorbij als aan een Romeinse god… Zo luidt het lot van Lenin, die in zijn mausoleum op het Rode Plein moest wachten tot de nadagen van de perestrojka voor hij eindelijk een rustplaats kreeg die leek op die van de Gewone Mens waarvoor hij zich zozeer had ingezet. Lenin gebalsemd, uitgestald en aanbeden? Toen al had je kunnen weten dat het niets zou worden met het arbeidersparadijs.

Is ook het kapitalisme een heilsleer? Laten we die vraag uit de weg gaan door te stellen dat kapitalisme en communisme alvast de keerzijde vormen van een en dezelfde materialistische medaille. Het bevat dan ook een curieuze omkering van het lot van Lenin. Hij werd een gedwongen kampioen van de individualiteit, in een systeem dat zwoer bij collectivisme. De kapitalistische burger zweert bij zijn meest extreme individuele ikje, maar hij laat geen kans voorbijgaan om zich anoniem en kritiekloos op te laten zwelgen door de massa, vooral wanneer die aan het consumeren slaat. Of het nu gaat om mode of het schoonheidsideaal, de verlokking van bestsellers of kijkcijferkanonnen: de groep dicteert steeds meer de individualiteit – zo luidt onze contradictie. En hoe sterker de dwang tot particuliere onderscheiding, des te weldadiger de wens om zich te mogen verliezen in het gedrang van een menigte.

Dat brengt ons opnieuw bij de uitvaart van de paus. Zeker, daar stonden vele tienduizenden gelovigen, met de oprechtheid van de rouw. Maar het gemak waarmee dat rouw proces alleen verbonden werd met het verleden, alsof zich op het Sint-Pietersplein alleen maar moderne pelgrims bevonden, in de traditie van de rijke Roomse bedevaarten en middeleeuwse processies? Dat leek mij toch enigszins bezijden de waarheid. Ik miste verwijzingen naar, pakweg, de Witte Mars in Brussel en de taferelen na de dood van koning Boudewijn, Diana Spencer en Pim Fortuyn. Om maar te zwijgen van de love parade in Berlijn – op zijn hoogtepunt toch ook goed voor meer dan een miljoen pelgrims, terwijl er niet eens iemand voor hoefde dood te gaan.

In tijden van gestegen mobiliteit, van TGV tot vliegtuig, om maar te zwijgen van de zilvervloot der Poolse autocars, is een volksverhuizing rap een feit. Zeker als de televisie uur na uur de indruk wekt dat er iets unieks te gebeuren staat. Meer nog: dat een drama verplaatst kan worden van een sterfbed naar de straat, waar men massaal maar vrijblijvend zijn steun kan komen betuigen, door minstens de aanschuifrijen in omvang te doen toenemen.

Er is altijd wel een record dat kan gebroken worden.

Met de lengte van de rijen neemt het belang van de gebeurtenis toe, en dus het belang van de wachtenden zelf. Zo wil het de televisiecratie, en die kent weinig contradicties. Zij biedt een ogenschijnlijk democratisch podium aan van rampen, recreatie én reacties, waaraan bijgevolg iedereen kan deelnemen. Indien niet aan de tsunami zelf, dan toch minstens aan het concert ten voordele van de slachtoffers.

Zo bekeken wordt de massaal bijgewoonde begrafenis van de paus misschien niet zozeer een heruitvinding van antieke bedevaarten, als wel een bewijs van het tegendeel: de teleurgang van de grote rituelen én het onbestemde heimwee ernaar, in een tijd die meer afweet van evenementen dan van rites. We kunnen de kardinalen maar voor één ding dankbaar zijn. Dat zij trouw zijn gebleven aan hun eigen muziekje, en dat zij de – toegegeven – sobere en indrukwekkende misviering niet hebben opgeofferd aan een song van Gerard Joling of Elton John.

Al zou ongetwijfeld ook daar veel volk naar zijn komen kijken.