‘Rouw is als de arbeidsmarkt’

Mijn vader stuurde me laatst een e-mail zonder onderwerp. Mijn vader stuurt me ongeveer een e-mail per dag, vrijwel nooit voorzien van een onderwerp. Rond deze tijd van het jaar zijn het vaak transferperikelen, en als het niet over Ajax gaat is het de Consumentengids, waarvan ik de hoogtepunten krijg doorgestuurd. Dit keer was het een geluidsfragment, en toen ik erop klikte hoorde ik mijn moeder zeggen dat ze er niet was. Ze zegt het echt met een behoorlijk deftige stem, en daarom kan ik mijn moeders voicemail ook niet uitstaan. Ze heeft het niet tegen mij.

Toch bel ik mijn moeder heel geregeld, ook al weet ik dat ik die stem weer krijg. Iets zegt me dat ik op een gegeven moment een meer persoonlijke variant krijg, waarin ze niet ‘u’ zegt maar ‘jij’. De volgende stap zou zijn dat ze een voicemail heeft waarin ze over mijn oorlellen begint. Mijn moeder begon altijd over mijn oorlellen, en die zijn ook buitenproportioneel groot, maar niemand anders lijkt het ooit op te vallen.

Meestal bel ik mijn moeder voor het slapengaan. Volgens mijn therapeute is dat het moment waarop een mens controle moet loslaten, wat ik – eveneens volgens mijn therapeute – niet kan. Bellen naar voicemails is een merkwaardig soort vorm van controlebehoud. Het is een zekere optie op teleurstelling, maar dat is het vreemde van rouw: je begint op zoek te gaan naar vastgepinde punten van teleurstelling, want meer dan teleurstelling valt er in feite niet te halen.

‘I think I am beginning to understand why grief feels like suspense’, schreef C.S. Lewis na het overlijden van zijn vrouw. Het is grappig: een jaar lang heb ik wakker gelegen, denkend aan het moment waarop die rouw nu eens zou komen. Rouw is een beetje zoals de arbeidsmarkt voor mensen met een cultureel georiënteerde opleiding: je kunt je er gewoonweg geen echte voorstelling bij maken, maar vreest voor het ergste.

Dat is misschien de grootste misvatting over rouw: dat het iets is dat op je ligt te wachten, wanneer je arriveert. Maar er wacht niets – op een handjevol mensen na misschien, die zo nu en dan vragen of mijn vader en ik er wel over praten. ‘Nee’, wil ik dan altijd antwoorden, ‘maar we eten heel gezond.’ Volgens mij was mijn moeder als de dood dat wij alleen nog maar klant-en-klaar maaltijden zouden eten, als zij er niet meer zou zijn. Klant-en-klaar maaltijden van de Marqt met een q, waar we onze handen aan zouden verbranden omdat we niet begrepen dat je zo’n bakje eerst een minuut moet laten afkoelen.

Soms vrees ik dat dat de laatste beelden zijn geweest die zij op haar netvlies had – van mijn vader en mij, beiden met onze handen onder de lauwe kraan, stilzwijgend en hongerig. Dat is wat ik zo graag op haar voicemail zou willen inspreken: ‘Hij kookt heel vaak vis, en het wordt met de week lekkerder.’ Dan zou ik haar vertellen dat we nu met enige regelmaat Netflix kijken, en ik een niet-aflatende angst heb dat mijn intellect daaronder lijdt, maar dat het wel heel gezellig is. Dat ik verschrikkelijk dicht naast hem zit, hoewel dat sinds kort niet meer mag, maar dat ik geloof dat verdriet elkaar moet voelen – wil het ooit nog iets worden.

Dat is wat ik haar zou willen vertellen, aan de lijn: dat ik sinds een jaar in heel veel stomme dingen geloof, zoals veranderende voicemails en opmerkingen over oorlellen, die iemand op een dag misschien weer waarneemt. Als ze me dan zou vragen waarom ik zo stom ben geworden, zou ik denk ik schuchter lachen. ‘Meisje, zég het maar’, zou ze vervolgens zeggen. Waarop ik zou antwoorden dat je soms gewoon wat onnozel moet zijn, wil je ooit nog in slaap vallen. En je, als je maar diep genoeg slaapt, de meest onnozele dromen mag hebben over iedereen met wie je die dag wel niet gebeld hebt.