Julia Franck in Berlijn, 2001 © Mattias Lüdecke / akg-images

Als je meerdere romans schreef over beschadigde families en de trauma’s die de twintigste eeuw door generaties liet gaan, je je in die verhalen verhield tot de geschiedenis van je vader en moeder, doorbrak bij een miljoenenpubliek, belangrijke literaire prijzen ontving, en als dan toch het meest persoonlijke nog ongezegd bleef, dan trek je je tien jaar in stilte terug en schrijf je je memoires. Of zoals de in Berlijn geboren schrijfster Julia Franck (1970) het zelf zegt tijdens een openbaar interview in Amsterdam: ‘Ik wilde schrijven over mijn eigen herinneringen en hoe die ontstaan zijn. Het móesten wel memoires worden.’

Veertien jaar na haar grootste succes De middagvrouw, en tien jaar na haar laatste roman, is Franck terug met Werelden uit elkaar, dat zich direct laat lezen als een zelfonderzoek. Deze keer geen fictief verhaal over een door oorlog verscheurd gezin, maar rauwe scènes over Julia’s geflipte moeder Anna, haar joodse grootmoeder Inge die beeldhouwster en Stasi-informante was, haar deftige overgrootmoeder Lotte die zelfs in huis handschoentjes droeg en de symbiose met Julia’s tweelingzus Johanna. Een vrouwengeschiedenis. Of beter gezegd: een moedergeschiedenis. Van moeders die tegen wil en dank moeder waren, ten diepste beschadigd maar ook weerbarstig en trots, reddeloze powerhouses. Een bende onbehouwen roversvrouwen, zo beschrijft Franck de familie waarmee ze opgroeide en die haar zowel vormde als links liet liggen.

Moeder Anna is een alleenstaande actrice die met haar vier jonge, vaderloze dochters in Oost-Berlijn woont. Na verschillende uitreisaanvragen te hebben ingediend wordt ze door de sociale dienst via een vluchtelingenkamp naar de door het Wirtschaftswunder opgepoetste West-Duitse deelstaat Schleswig-Holstein gestuurd. Daar betrekken Julia en haar drie zusjes samen met hun moeder een oude boerderij. Ze spelen dagenlang in de tuin, waden met opgestroopte broekspijpen tussen de kikkervisjes, plukken vruchten en bloemen, voelen de ‘prikkeling van jonge veldzuring’ op hun tong, bakken brood, maken muziek, schilderen en zwemmen in de Müggelsee. Maar die idylle verhult de verwaarlozing van de kinderen nauwelijks. Anna komt haar bed niet uit en heeft regelmatig woedeaanvallen; tandenborstels zijn er net zo min als regels, kaders en toezicht. De kinderen dragen kapotte kleding en delen hun tochtige en schimmelige huis met geiten, biggen en ratten. Het gezin komt rond van minimale toelages.

Anna loopt meestal naakt rond en gebruikt de gordijnen die bezorgd-nieuwsgierige dorpsbewoners haar op een dag komen brengen om de schutting mee te dichten. Op hun verjaardagen krijgen de meisjes tegoedbonnen voor spullen die ze nooit daadwerkelijk zullen krijgen, als hun verjaardagen niet al worden vergeten. Ze gaan niet naar de dorpsschool maar naar de Vrije School verderop, het imago van wereldvreemde buitenbeentjes krijgen de kinderen niet afgeschud.

‘Niemand in mijn familie had ooit crème op zijn gezicht gesmeerd’

Op haar negentiende gaat Julia voor het eerst naar de kapper. Ze schrikt van de fysieke ervaring, iemand die haar aanraakt om haar mooier te maken, en windt zich op over de schoonheidsidealen die blijkbaar bij bepaalde klassen horen. ‘Niemand in mijn familie had ooit crème op zijn gezicht gesmeerd’, schrijft Franck. Anna had ‘geen enkele blouse of bh’, laat staan een haardroger of make-up, ze minachtte ‘de attributen van de vrouwelijke rol’.

Julia’s oma Inge woont ondertussen nog in de ddr en hangt de saloncommuniste uit. Met een vurigheid en veerkracht die je misschien niet verwacht van een joodse vrouw die in ballingschap en op onderduikadressen de oorlog heeft overleefd, hakt ze haar marmeren beelden en organiseert ze feesten en politieke bijeenkomsten. Ze minacht de bourgeoisie, wil absoluut geen oma genoemd worden en aan kleinkinderen heeft ze weinig boodschap. Die horen zichzelf te vermaken.

Julia wil uit haar familie weg. Het onderzoek naar haar familieherinneringen blijkt op dit moment in de memoires steeds duidelijker een onderzoek naar haar schaamte en zelfverdwijning te zijn. Franck beschrijft de wereld vanuit een meisje dat zichzelf telkens onzichtbaar wil maken en ergens anders opnieuw wil opbouwen. Het meisje ontdekt dat je dat kunt doen door te schrijven, dagboek na dagboek. ‘Tekenen kon ieder kind. Ik wilde iets voor mezelf, iets minder zichtbaars dat al concurrentie en discussie uitlokte nog voor het er goed en wel was.’ Op haar dertiende verhuist ze naar kennissen in West-Berlijn. Op haar zeventiende leert ze Stephan kennen, en door hem een nieuwe wereld van literatuur, liefde en seks. Maar ook in Berlijn, los van haar moeder en zusjes, wil ze het liefst verdwijnen. ‘Wat haatte ik het’, schrijft Franck over Berlijnse huisgenoten die lachen om haar onaangepastheid, ‘om hun publiek te zijn en tegelijkertijd voorwerp van amusement, om ten tonele gevoerd te worden.’

Schrijven om overeind te blijven, om zichtbaar te zijn en onzichtbaar te worden. Francks materiaal is overdadig, haar herinneringen zijn scherp en levendig. Schrijft ze om te vergeten, of juist om nog beter te kunnen herinneren? Als je halsstarrig probeert iets te vergeten, zegt ze tijdens haar bezoek aan Amsterdam, is dat dan niet juist dé manier om het te onthouden?

De weelde van haar geheugen zorgt voor een associatief en herhalend heen-en-weer tussen de vrouwen: denk je dat het over Anna gaat, gaat het toch weer over Inge, of over een zus of over overgrootmoeder Lotte. De herinneringen gaan kriskras door de tijd – dan weer zitten we midden in de Tweede Wereldoorlog met Inge op Sicilië, dan weer in de spionnenkamer die zij decennia later verhuurde, dan weer in het Westen tussen de antroposofen of na de Wende aan de studeertafel van Stephan. Het geheel is nauwkeurig gecomponeerd en tegelijkertijd chaotisch, alsof Franck zelf door de buitelingen van haar herinneringen werd overvallen. Telkens blijken de geschiedenissen op hun beurt weer eigen geschiedenissen te hebben, en uiteindelijk is het vooral een verhaal over verlies en gemis. Alles haakt in elkaar en loopt in elkaar over, net zoals dat in een geheugen gaat. Dat maakt soms moe, maar dat kun je natuurlijk niemand kwalijk nemen. Bij het doorlopen van generaties in het algemeen en die van een mensenleven in het bijzonder valt dan wellicht een chronologie maar toch moeilijker een structuur te ontwaren. Het lijkt Franck niet te deren – juist de chaos blijkt de perfecte hoge hoed om je dan weer in te verstoppen, je dan weer uit omhoog te werken.