In een van de laatste telefoongesprekken die ik had met Gerhard Durlacher ging het vooral over de feit- of fictievraag, een kwestie waar hij de laatste jaren van zijn leven veel over nadacht. De feiten had hij zo langzamerhand wel opgeschreven. De kwestie was: kon hij, mocht hij, fictie schrijven. Aan dat dilemma lag de strenge ethiek ten grondslag die zijn werk tot dan had gekenmerkt. In zijn boeken over de oorlog, Strepen aan de hemel, Drenkeling, De zoektocht, was alles meticuleus waar. Elk feit was onderzocht, niets mocht geromantiseerd worden of ‘gekleurd’ zijn. De inzet was groot en de marges die hij zichzelf toestond waren klein. Durlacher schreef alsof een revisionist over zijn schouder meekeek, alsof de tekst kon dienen als bewijs in een rechtszaak.

Hij had er moeite mee om zichzelf te beschouwen als de schrijver van een literair oeuvre. Wat hij had gedaan, zei hij, was eerder onderzoek, voortgekomen uit een innerlijke noodzaak weliswaar, maar niet het gevolg van creatieve drang. Een vreemde opvatting voor iemand die met Strepen aan de hemel geen studie met data en voetnoten had geschreven, maar een diep doorvoelde tekst met een hoog literair gehalte. ‘Jij bent een schrijver’, zei hij. ‘Ik moest.’ Toen ik vroeg wat het verschil was, lachte hij een beetje.

Ik koesterde een diepe bewondering voor Gerhard Durlacher, als mens en als schrijver. Hij was goed gezelschap, ernstig en grappig. Hij is een van de weinige mensen aan wie ik vaak denk. Als schrijver was hij een monument. Ik was op z’n minst een beetje verlegen toen we elkaar voor het eerst ontmoetten. De voorpublicaties van Strepen aan de hemel had ik in De Gids gelezen en ik was met stomheid geslagen. Ja, vanwege het onderwerp, waarmee hij de kwestie aan de orde stelde van de geallieerde bommenwerpers die over het kamp heen vlogen om een verderop gelegen fabriek te bombarderen die van strategisch belang was terwijl onder de witte condenssporen duizenden gevangenen hoopten dat deze keer het kamp aan de beurt was. Maar ook vanwege zijn stijl, de vorm, de ingehouden woede die uitkristalliseert in pijnlijk zorgvuldige, haast beleefde zinnen. Ook zeer vanwege het beeld van die condenssporen in de hemel als ‘witte schapenwollen draden’, zoals hij het omschreef en waarmee hij de schuld en onschuld van dat beeld even onnadrukkelijk als omineus bij elkaar bracht.

Bij herlezing nu valt me op hoeveel vragen die Durlacher stelt in dat boek onbeantwoord zijn gebleven. Het doet pijn om zijn opsomming te lezen van feiten omtrent de vernietigingskampen die al halverwege de oorlog bekend waren, zeker bij ‘the powers that be’, maar daar niet alleen. En toch steekt steeds weer die mythe de kop op dat niemand van iets wist, dat het maar vage geruchten waren, ook al bezaten de geallieerde politici harde gegevens in de vorm van dikke dossiers met documenten.

Durlacher was als die muis: kwetsbaar en teer

Net zoals het opnieuw pijnlijk is om de non-argumenten te lezen waarom de kampen niet gebombardeerd konden worden, argumenten die bijna allemaal van quasi-technische aard zijn. Durlacher somt ze op, hij toont gegevens die het tegendeel bewijzen, maar hij loopt niet vast in het onderzoek. Integendeel: onder die wolk van gegevens, onder de witte schapenwollen draden, huist de ellende van het kampleven en -sterven, elke dag opnieuw, eindeloos en uitzichtloos. Dat is de ellende waarin Durlacher zich bevond, die hij tijdens het schrijven herbeleefde en die hij toont als een onwerkelijk soort onderwereld die het bevattingsvermogen te boven zou gaan als hij dat niet zo indringend en nauwkeurig verbeeld had.

Het onnadrukkelijke schrijverschap van Durlacher kent een hoogtepunt in Niet verstaan, zijn laatste boek, als hij zijn tijd als hospitant in Delft beschrijft. We zien de wanhoop en de eenzaamheid van de student Durlacher vooral door de afstand tussen hem en de wereld. Een medestudent, een jongen die hij nog van voor de oorlog kent uit Rotterdam, spreekt hem aan, maar er wil geen contact ontstaan. Op zijn kamer zit Durlacher te studeren en die studie lijkt vooral een overlevingsstrategie, een manier om niet te hoeven herinneren en denken. Dan, op een avond, hoort hij ‘een zacht schrapend geluid’. Het duurt een tijdje voor hij een muisje ontdekt dat aan een broodkorst knabbelt die op de vloer is gevallen. Het diertje schrikt van zijn plotselinge beweging en vlucht en Durlacher verkruimelt nog wat brood ‘in de hoop dat het kleine dier met zijn doorschijnende oortjes en roze staartpunt opnieuw de gevaarlijke tocht zal wagen’. Hij blijft een half uur bewegingloos zitten, met resultaat. Dat gaat een paar avonden zo en uiteindelijk verschijnt de muis zelfs met twee soortgenoten.

De ontmoeting met de muis is een keerpunt. Hij maakt voor het eerst contact met een ander wezen, hoe onbetekenend ook. Zijn bekommernis om het diertje leidt er zelfs toe dat hij zijn kamer kwijtraakt, omdat zijn hospita hem terecht verdenkt van muisvriendelijk gedrag, maar dat blijkt geen ramp. Hij komt terecht op een betere plek, gaat uiteindelijk zelfs naar dansles en het bloed begint weer te stromen en het hart gaat kloppen.

Durlacher had die kleine episode, nog geen pagina is het, makkelijk weg kunnen laten. In de reeks feiten die zijn leven hebben bepaald en op het moment van schrijven nog steeds bepalen, is het nauwelijks een gebeurtenis van belang. Maar iets zegt mij dat Durlacher die passage niet alleen doelbewust heeft geschreven en op die plek in de tekst heeft geplaatst, maar ook dat hij de functie van die passage kende en herkende.

‘… het kleine dier met zijn doorschijnende oortjes en roze staartpunt…’ De vraag of het ‘opnieuw de gevaarlijke tocht zal wagen’. Die woorden zijn met een zorgvuldigheid geschreven. Heeft Durlacher het over zichzelf? Hij was als die muis, kwetsbaar, teer, afhankelijk van kruimels die vaker wel dan niet te vinden waren. Gevaar was overal, alles was heikel, en dat hield niet op toen de oorlog voorbij was en hij op zijn kamertje zat te studeren. Daar diende een nieuw gevaar zich aan, daar was het vertrouwen nodig dat zijn muis ook moest hebben: het vertrouwen om je te tonen, om contact te maken.

Durlachers oeuvre is een tocht naar binnen, een queeste die begint met de bijna wetenschappelijke analyse, gestoeld op veel bronnenonderzoek, van de kwestie wat de geallieerden wisten van de kampen, hoeveel ze wisten en wat ze eraan konden en moesten doen. De reis eindigt bij de muis, bij een voorzichtige tweede bevrijding. De derde en laatste bevrijding, als hij ‘uit noodzaak’ gaat schrijven, komt veel later. Tegen die tijd is hij niet meer iemand die moet schrijven, maar iemand die wil schrijven.