Het varken: de onafscheidelijke, onmisbare metgezel van de mens

Roze vehikels

Het varken is van oudsher onderwerp van ethische, religieuze en politieke controversen. Het dier lijkt op ons, smaakt goed, maar is ook een vieze veelvraat. Intussen doen de nonnen van Tegelen zich te goed aan varkenskoppen.

AIJEN (NOORD-LIMBURG), zaterdagochtend 22 januari - op een tafel tegen de witte buitenmuur van de Sint Antoniuskapel ligt een forse hoeveelheid hele en halve varkenskoppen uitgestald rond een beeld van de varkensheilige Sint Antonius (251-356). Van onder de plooien van zijn gewaad kijkt een olijk houten biggetje, sinds de Middeleeuwen de vaste metgezel van de heilige, de wereld in. Een gure wind waait langs de zeventiende-eeuwse kapel en een kleine stoet mensen haast zich naar binnen voor de eucharistieviering, die vandaag gewijd is aan Sint Antonius, of ‘Tunnes’, zoals hij lokaal bekend staat. Aijen, een kerkdorp van 350 inwoners aan de rechteroever van de Maas, is pas sinds een paar dagen normaal bereikbaar na de hoge waterstanden van de afgelopen weken die het dorp isoleerden van de buitenwereld.

In de kapel vind ik een plaats in een van de achterste banken, naast een oudere man die opmerkt dat de opkomst twaalf jaar geleden nog zo groot was dat zich buiten rijen vormden. 'Er komen d'r steeds minder voor Tunnes’, beaamt een grijzende dame in de bank voor ons. Dat lijkt makkelijk verklaarbaar: het overgrote deel van de aanwezigen is zestigplusser. Alleen onder de leden van het plaatselijke schuttersgilde Sint Antonius (opgericht rond 1480) en de carnavalsvereniging De Sukerpinnen (uit 1961), herkenbaar aan hun imposante blauw-witte, respectievelijk rood-witte uniformen en dito attributen, bevinden zich een paar jongeren.

Direct na de dienst begint de Köpkesmert, de jaarlijkse veiling van varkenskoppen, een bijna uit Nederland verdwenen ritueel dat al sinds eeuwen in Aijen plaatsvindt (kort onderbroken tijdens de Tweede Wereldoorlog). De koppen worden aan de kerk en het gilde aangeboden door de nog zelf slachtende slager Arno de Best uit het nabijgelegen Bergen, net zoals zijn vader dat voorheen heeft gedaan. Na afloop van de veiling gaan de varkenskoppen meteen door naar het klooster van de benedictinessen in Tegelen, waar de nonnen - levend volgens de gelofte van armoede - er erwtensoep en zure zult van zullen maken. 'Die zijn er maar wát blij mee, hoor!’ wordt me van verschillende kanten verzekerd, alsof het bijna niet te geloven is. Voor het zo ver is moeten de varkenskoppen geld genereren voor het onderhoud van de Antoniuskapel: een nieuwe bestemming voor de opbrengst van een oud ritueel.

Veilingmeester Rob Vervoort (44) trekt witte handschoenen aan, vat een flinke varkenskop van achteren beet, toont hem met opgeheven arm aan het publiek en drijft het openingsbod van 25 euro kundig op tot tweehonderd euro, het hoogste bedrag dat vandaag wordt neergeteld. Vervoort hanteert de zware varkenskoppen vaardig, een beetje zoals een buikspreker zijn pop, en prijst de uitstekende kwaliteit van de verschillende koppen aan. De ene na de andere (halve) kop verdwijnt van tafel, terwijl de dicht opeengepakte aanwezigen, circa zestig man, zich te goed doen aan de rondgedeelde glühwein - het is bitter koud voor de ingang van de landelijk gelegen kapel, waar de veiling traditioneel plaatsvindt. Tot slot wordt binnen direct afgerekend; een herenonderonsje dat vooraf gaat aan een gezamenlijke mars naar dorpscafé ’t Veerhuis. In een rood plastic krat liggen de varkenskoppen, met de snuit naar boven en de flaporen over de rand, klaar voor transport. Het beeld van Sint Antonius staat nog op de tafel, op een leeg wit tafelkleed met roze vlekken.

RITUELEN rond het varken zijn een universeel verschijnsel sinds de domesticatie van het wilde zwijn, zo'n zesduizend jaar geleden, en de daarop volgende wereldwijde verspreiding van het dier door de mens. Die rituelen zijn al die tijd in essentie weinig veranderd: ook de Köpkesmert in Aijen heeft wortels die teruggaan tot voor de christelijke jaartelling.

Prehistorische samenlevingen hielden het varken in ere, want varkens waren efficiënte leveranciers van vlees: het beest zet gemiddeld 35 procent van zijn voedsel om in vlees, tegenover maar 6,5 procent bij runderen. Niet alleen werd het varkensvlees zeer gewaardeerd, de dieren plantten zich ook nog eens snel en in exponentiële hoeveelheden voort. Varkens pasten goed bij de nieuwe, gesettelde leefstijl van de prehistorische mens, want ze leefden van restjes en excrementen, scharrelden daarnaast zelf voedsel op en waren makkelijk te houden. Bovendien ontpopten de gulzige tamme varkens zich tot ware vleesfabrieken: hoe meer ze te eten kregen, hoe groter ze werden. De dieren leken geschapen voor menselijke consumptie, wat werd uitgebuit door de Romeinen (50 voor Christus), die hun zwijnen als toonbeeld van decadentie op een gewicht brachten van meer dan 450 kilo. Veroveringslegers en ontdekkingsreizigers brachten varkens als levende vleesvoorraden mee op hun expedities en zetten ze uit waar ze terechtkwamen. In de negentiende eeuw fokten de Engelsen de Yorkshire Hog, een showvarken van meer dan drie meter lengte (dat nog kon lopen ook).

Maar het varken boezemde bij de eerste landbouwers ook vrees en ontzag in vanwege zijn nauwe verwantschap met het gevaarlijke wilde zwijn. Zijn vernielzuchtige vraatzucht en zijn onmiskenbare gelijkenis met de menselijke soort wekten eveneens angst op. Varkens leefden van dezelfde plantensoorten als de mens (in tegenstelling tot schapen en runderen) en waren dus een voedselconcurrent en een bedrijfsrisico voor de landbouwer; daarnaast vraten ze niet zelden hun eigen nageslacht op. Dit laatste betekende niet alleen een schadepost, maar ook een nare confrontatie met de verbondenheid van leven en dood, schepping en vernietiging. Het feit dat het varken vlees at - ook mensenvlees als dat zo uitkwam -, zijn intelligentie, sociaal gedrag, ongewone haarloosheid en zwarte of witroze uiterlijk hielden mensen een ongemakkelijke spiegel voor (Polynesische kannibalen noemden mensenvlees long pig vanwege de overeenkomsten). In vele prehistorische culturen werd het ambigue varken daarom heilig verklaard, tot godheid verheven of symbolisch in verband gebracht met de levenscyclus van de mens. Varkens werden ritueel geofferd tijdens ceremoniën zoals dodenfeesten (wat nu gebeurt in bijvoorbeeld Nieuw-Guinea) en aan varkensbloed werden magische en zuiverende eigenschappen toegeschreven.

In onze streken werden de Keltische en Germaanse goden in het midden van de winter aanbeden met offerandes van varkenskoppen en hammen. Zulke periodieke ceremoniën dienden ook de lokale vleesvoorziening: ze eindigden met een maaltijd en de verdeling van stukken varkensvlees. Varkens liepen overdag los door de nederzetting en behoorden niet aan iemand in het bijzonder toe. In Europa bleven varkens tot ver in de Middeleeuwen rondlopen door de dorpen en steden als een soort huisdieren, scharrelend naar restjes, afval en drek. Ten dele waren dit nog steeds 'gemeenschapsvarkens’, vetgemest door de straat, waarvan het vlees na de slacht onder de armen werd verdeeld.

Het voortschrijdende civilisatieproces heeft deze oeroude praktijk bedreigd. In Nederland wilden de stadsbesturen rond 1350 hun steden fatsoeneren en verboden daarom straatvarkens en andere agrarische tonelen binnen hun stadsmuren. Daardoor kwam een oud gebruik in de armenzorg op losse schroeven te staan. Dat werd voorkomen door een gedoogbeleid: de voorheen communale praktijk van de gemeenschapsvarkens werd gekerstend. De kerk kreeg namelijk het voorrecht om enkele gemerkte varkens in de steden te laten rondscharrelen, de zogenaamde Antoniusvarkens, in Amsterdam herkenbaar aan hun afgesneden rechteroor. Hoewel Sint Antonius (bekend vanwege de vurige verzoekingen en visioenen waaraan hij weerstand bood) tijdens zijn leven als woestijnheilige geen bemoeienis met varkens had gehad, werd zijn naam waarschijnlijk aan het dier gekoppeld door de bestrijding van de gevreesde ziekte Antoniusvuur. Deze vergiftiging met moederkoren, een op tarwe groeiende schimmel met lsd-achtige eigenschappen, ging met visioenen en vurige rode uitslag gepaard; daarom werd in de Middeleeuwen genezing gezocht in een zalf gemaakt van varkensvet en wijn die over de relieken van Sint Antonius was gegoten.

De kerk omgaf het oude instituut van het gemeenschapsvarken met rituelen zoals de inzegening voor de jaarlijkse slacht en veiling ten behoeve van de armen (op de naamdag van Sint Antonius, 17 januari). Diefstal en opsmikkelen van Antoniusvarkens werden gelijkgesteld met heiligschennis, wat plotseling dood neervallen tot gevolg kon hebben. Pausen vaardigden regelgeving uit tegen het illegaal merken van privé-varkens als 'Antoniusvarken’, een kennelijk veel voorkomend vergrijp in de steden.

Na de Reformatie beperkte het varkensritueel rond Sint Antonius zich tot dorpen en steden in Zuid-Nederland; aan het eind van de achttiende eeuw, toen de rol van de kerk in het publieke leven veranderde, verdwenen de straatvarkens definitief van het toneel. Voortaan waren het particulieren die na de slacht van hun varken de kop schonken aan de kerk voor de Antoniusveiling, als een soort plengoffer. Behalve in Aijen en nog enkele dorpen verdween de oude rite ten slotte uit Nederland, of veranderde het in dorpsvermaak zoals de 'geitenkermis’ of de sport om varkens in te smeren met groene zeep en daarna te vangen.

Wat echter niet veranderde, in Nederland en daarbuiten, was de aparte plaats die het varken in de menselijke verbeelding innam. Aan de ene kant is het varken zeer gewild om zijn overvloedige en smakelijke vlees, een symbool van vruchtbaarheid en welstand, aan de andere kant belichaamt het beest onheil, luiheid, vraatzucht en smeerlapperij. Het varken of zwijn bracht overvloed en redde de aarde van de ondergang (in de Indiase mythologie), maar werd daarnaast beschouwd als duister wezen uit de onderwereld en symbool van dood en verderf. In Duitsland betekent schweinen geluk hebben, voor Schotse vissers zijn varkens voorbodes van onheil. Er is daarom een wereldwijde voorkeur om het varken af te beelden als big. Biggetjes zijn in tegenstelling tot varkens eenduidig: klein, schoon, aandoenlijk en onschuldig, babes. Dat is niet alleen het geval in kinderboeken, maar bijvoorbeeld ook op reclameborden van slagers, waarop lachende biggen met een schortje voor zich lijken te verheugen op hun slacht en verwerking. Op afbeeldingen van de varkensheilige Sint Antonius is zijn makker veelal niet een varken, maar een big: ook in Aijen was dat het geval.

'VARKENSKOPPEN van tevoren inzegenen? Nou nee zeg, dat vind ik een wansmakelijk idee. Ik zegen geen koppen en ook geen wapens. Ik zegen alleen mensen.’ Pastoor Janssen, die de eucharistieviering heeft geleid, reageert wat ontsteld op mijn vraag. Hoe dat vroeger toeging met zegenen, weet eigenlijk niemand in café ’t Veerhuis, waar in plaats van de traditionele gezamenlijke varkensmaaltijd na de veiling tegenwoordig koffie en vlaai worden genuttigd. Opnieuw valt op dat het geen doorsnee inwoners zijn die een rol spelen in het Antoniusgebeuren. Het zijn de plaatselijke notabelen, die zich aan hun stand verplicht weten om fors bij te dragen aan het behoud van de kapel: burgemeester en wethouders, ondernemers, (ex-)huisartsen, dierenartsen en agrariërs. Ook de carnavalsvereniging doet sinds kort, uitgenodigd door het schuttersgilde, mee. Het volkskarakter van het ritueel verdwijnt, daar is iedereen het over eens, en het aantal deelnemers neemt af. 'De import komt een keer kijken en echte Aijenaars zie je niet.’

Jan Linders, gepensioneerd kerkmeester en ex-veilingmeester, weet nog hoe hij begin jaren vijftig als jochie de houten kar vol varkenskoppen naar de kapel mocht trekken. 'Toen konden de mensen nog zelf slachten en de koppen werden soms zolang ingezouten. Ze werden na de veiling verdeeld onder arme grote gezinnen in het dorp.’ Waar de gewoonte om witte handschoenen te dragen vandaan komt - misschien een laatste overblijfsel van het heilige ontzag voor het Antoniusvarken? - weet Linders niet: heel vroeger deden ze het gewoon met blote handen. Misschien dat het met de diepvrieskoppen te maken heeft die een tijdje zijn gebruikt. Ook Rob Vervoort tast in het duister: 'Ik zou het niet weten, eerlijk gezegd. De veilingmeester vóór mij deed het ook. Het staat gewoon netjes. Net zoals je de kop netjes beetpakt en niet bij de oren of dat je ermee gaat zwaaien. Je doet dat respectvol, het is niet zomaar een homp vlees die je staat te veilen.’

Vervoort vertelt dat ze in Aijen een paar jaar geleden door dierenactivisten beschuldigd zijn van wandaden tegen varkens: 'Ze vonden dat wij onmenselijk bezig waren en oneerbiedig met het varken omgingen, vanwege onze Köpkesmert. We dachten dat ze hier zouden komen demonstreren.’ Met zulk commentaar kunnen ze beter naar Brabantse varkensbedrijven, merkt iemand op (het is de week dat varkensboeren acties voeren bij slachterijen). Pastoor Janssen legt uit dat de varkenskoppen van vanochtend afkomstig zijn van door de slager zelf uitgezochte varkens, die een gezond leven hebben gehad.

VARKENSBOERDERIJEN heten tegenwoordig varkensvermeerderingsbedrijven. Tijdens de acties in januari barbecueden de boeren ’s ochtends vroeg speklapjes bij de geblokkeerde poorten van slachterijen en beraamden ze plannen om de aanvoer naar de supermarkten te saboteren: de ware schuldigen aan de dumpprijzen. De bedrijven krijgen nog maar 1,35 euro voor een kilo varken, wat zou gaan leiden tot het verdwijnen van de helft van de zevenduizend varkensboeren. Hun twintig miljoen vleesvarkens produceren ondertussen honderd miljoen kilo mest per jaar: voor 2015 wordt een mestoverschot van zestig miljoen kilo voorspeld. Milieuorganisaties hebben de ecologische gevolgen van de grootschalige varkenshouderij opgesomd: vervuiling van het grondwater, verzuring van de grond, aantasting van de drinkwatervoorziening, verminderde biodiversiteit, broeikasgassen, grootschalige ontbossing vanwege de benodigde sojateelt. Varkensstallen zijn daarbij besmettingshaarden van de MRSA-bacterie. Ook de dierenwelzijnorganisaties hebben bezwaren: een industrievarken wordt onverdoofd gecastreerd, krijgt maagklachten door te fijngemalen voer, heeft aangeboren hart- en pootproblemen en een afgeknipte staart, heeft nauwelijks bewegingsruimte, moet als zeug per jaar dertig biggen werpen, ziet nooit het daglicht en wordt als het pech heeft voor de slacht bedwelmd met CO2-gas tijdens een afschuwelijk transport. Cijfers tonen dat geen enkel land zo goed als Nederland veevoer kan omzetten in varkensvlees. Dat vlees is hier al sinds lang de populairste vleessoort, met een verbruik van circa veertig kilo per persoon per jaar. Door de economische crisis stijgt de consumptie zelfs licht: mensen eten vaker thuis, waar de porties groter zijn. Desondanks brengt het voor de boer te weinig op om eraan te verdienen.

HET IS NIET VREEMD dat het paradoxale varken en zijn vlees onderwerp zijn van controversen die voortkomen uit ethische, ecologische, religieuze en politieke overtuigingen. Dat gaat verder dan alleen de tweeslachtige symbolische betekenis van het dier. Is het varken behalve een cultureel ook een politiek vehikel, net als in het verleden?

Een voorbeeld. Tijdens de varkenspestuitbraak in 1997 nam de schrijver J.J. Voskuil het initiatief tot een publieksactie tegen de manier waarop varkens worden 'vermeerderd’. De actie sloeg aan en de Stichting Varkens in Nood was geboren, die 'met beschaafde en spraakmakende campagnes’ opkomt voor een beter leven voor varkens. Opvallend was dat Varkens in Nood, zeker in de eerste bestaansjaren, gedragen werd door schrijvers en anderen afkomstig uit de culturele elite: ze vervulden een nationale gewetensfunctie jegens het nederige varken die, zo scheen het, in de rest van de Nederlandse klassen- en standenmaatschappij ontbrak. Varkenshoudster en CDA-Tweede-Kamerlid Annie Schreijer-Pierik verdedigde haar bedrijfsvoering in NRC Handelsblad juist met een beroep op het feit dat Nederland een democratie is en dat ze niets anders doet dan wat de overheid vraagt in het Varkensbesluit. 'Wie zegt dat een varken het niet goed heeft?’ merkte ze op (mijn cursivering).

Nog een voorbeeld. Vorig jaar juli bleek dat in de Lingepolikliniek in Leerdam een schilderij van de muren verwijderd was omdat daarop een varken was afgebeeld. Een autochtone bezoeker had geklaagd dat het schilderij beledigend was voor moslims, waarop het subiet werd weggehaald. Het Samenwerkingsverband van Marokkaanse Nederlanders verklaarde vervolgens 'verbolgen’ te zijn over de actie, want de afbeelding gaf helemaal geen aanstoot en het indienen van klachten namens moslims was 'niet handig’. Het ziekenhuis had geen zin in discussie en hing het schilderij niet terug, de klacht was immers opgelost. In Engeland, waar een speelgoedwinkel uit voorzorg het varken had verwijderd uit plastic boerderijsets (maar niet het knopje voor het knorgeluid, waardoor de bal ging rollen), leidde de publieke opinie wél tot terugplaatsing van het omstreden dier. En het Venrayse PVDA-raadslid Hayrettin Ünüvar, dat in juni 2011 na de plaatsing van een sculptuur van een varken op een verkeersrotonde had verkondigd dat dit mogelijk aanstootgevend was voor moslims, betuigde spijt, na veel kritiek. 'Met dit soort types zou je bijna PVV gaan stemmen!’ twitterde Ahmed Marcouch over zijn partij- en geloofsgenoot.

Het islamitische varkenstaboe leidt niet alleen tot misverstanden in de politiek correcte sfeer, maar ook tot inzet van het varken als een soort geheim wapen tegen de islam. Wereldwijd is het dier op weg een nieuw symbool van anti-islamisme te worden, vaak door het plaatsen van varkenskoppen bij moskeeën. Dat is in Nederland voorzover bekend twee keer gebeurd, in 2004 in Amsterdam (na de moord op Theo van Gogh) en in 2009 in Ede. Nederland heeft nog niet te maken gehad met vertoningen zoals in Antwerpen, waar Filip Dewinter tijdens het Offerfeest vorig jaar demonstratief jenever en (bereide) varkenskop uitdeelde op straat. Ook zijn er nog geen 'ludieke’ acties geweest zoals in Frankrijk en Italië, waar anti-islamitische politici varkens aanschaffen om ze aan de lijn mee uit wandelen te nemen op het bouwterrein van moskeeën, zodat de plek haram (onrein) wordt: een bizarre omdraaiing van de oude integrerende rol van het Antoniusvarken. Het varken wordt nu in Franse 'counter-jihad’-kringen gepromoot als nationaal huisdier en nieuw symbool van de republiek. Ook Israëlische politici zien, verrassend genoeg, heil in de beweerde moslim-afschrikkende werking van varkens. Om veiligheidsredenen bepleitte minister van politiezaken Gideon Esra in augustus 2001 in de krant Yediot Aharonot om Palestijnse zelfmoordterroristen voortaan gewikkeld in varkenshuid of besprenkeld met varkensbloed te begraven, omdat hun begeerde status van martelaar daarmee van de baan zou zijn. Zijn oproep zou in enkele joodse nederzettingen weerklank hebben gevonden.

Hoe het varken in Europa na de Middeleeuwen werd ingezet als antisemitisch vehikel is volgens nieuw etnografisch onderzoek een heel ander, subtieler verhaal. Christenen zochten en vonden hun zelfidentificatie in het zich afzetten tegen joden - de 'Ander’ - met behulp van het varken. Omdat het oude taboe op kannibalisme een problematisch gegeven bleef (denk aan Klein Duimpje en Hans en Grietje), was de consumptie van het zo mensachtige varken ook in die tijd een gecompliceerd genoegen: het verorberen van varkensvlees deed toch aan het eten van mensen denken. Daarnaast werden biggen vroeger, na een soort initiatierite waaronder castratie, als baby’s vertroeteld en vetgemest in de schoot van het huishouden (wellicht als gevolg van het straatverbod). In de Europees-christelijke folklore waren kinderen en biggen vergelijkbare of analoge wezens, een verwarrend en gevaarlijk gegeven, dat ook voor joodse kinderen opging. De christelijke mythevorming maakte van het joodse varkenstaboe het verhaal dat joden geen enkel risico wilden nemen met hun kinderen en daarom varkensvlees versmaadden. In plaats daarvan aten ze geroofde christenkinderen, want ook hún honger naar zacht vlees moest natuurlijk worden gestild. De hele jaarlijkse slacht- en verwerkingscyclus van het varken (vooral het maken van bloedworst) stond in het teken van het aanwakkeren van jodenhaat, juist omdat het volledig buiten de joden omging. 'Hoe beter het varkentje ons smaakt, hoe beter katholiek dat ons maakt’, zongen ze in de achttiende eeuw. Hoe deze praktijken zich verhouden tot de recent veelbezongen 'joods-christelijke traditie’ is een open vraag.

STEEDS OPNIEUW vindt de mens manieren om zijn soort met die van het varken te identificeren. In de Oudheid veranderden diverse mythische helden in zwijnen (en terug) en in de vroegmoderne tijd speelde de analogie van kind en big een rol bij uitsluitingsprocessen. Tegenwoordig is het de medische sector waarin beide schepsels als onderling inwisselbaar worden gezien. Hartkleppen van varkens worden in mensen geïmplanteerd en het zogenaamde minivarken is populair als proefdier vanwege zijn 'nauwe fysiologische en anatomische overeenkomsten met de mens’. Maar ook de oude verkettering van het varken neemt steeds nieuwe vormen aan, zoals de gevarieerde gruwelpraktijken van de 'varkensvermeerderingsbedrijven’.

De antropoloog Marvin Harris schreef in 1985 The Abominable Pig, een essay over de gemeenschappelijke herkomst van het joodse en het islamitische varkenstaboe. Naast lof kreeg Harris ook kritiek uit religieuze kring: zijn verklaring zou blasfemisch zijn. Harris beweerde dat varkensvlees in de Oudheid tot het vaste eetpatroon in het Midden-Oosten behoorde, totdat de Israëlieten, Foeniciërs, Egyptenaren en Babyloniërs het dier vanaf 1700 voor Christus steeds krachtiger in de ban deden. Zo rapporteerde Herodotus dat de laatste varkenshoeders in Egypte onaanraakbaren waren, die werden geweerd uit de tempel. In zijn essay weerlegde Harris alle conventionele verklaringen van het joodse varkenstaboe: de schijnbaar vieze, onhygiënische levenswijze en de besmetting met trichinosis, een parasiet.

Vervolgens onderzocht hij zowel de achtergrond van het oudtestamentische gebod om alleen spleethoevigen en herkauwers te eten als het op zichzelf staande islamitische varkensvleesverbod: de eerste stap naar een ecologische verklaring. Herkauwers eten namelijk alleen moeilijk verteerbare grassen en struikgewas en zijn dus geen voedselconcurrenten voor de mens, zoals het varken, dat knollen, noten en wortels eet: herkauwers zetten onbruikbare woestijngewassen om in vlees en melk. Belangrijker nog vond Harris de ongeschiktheid van varkens om in warme en droge woestijngebieden te leven. De grote bevolkingsaanwas in het Midden-Oosten leidde tot schaarste aan schaduwrijke wouden en waterreserves, onontbeerlijk voor de varkenshouderij. Omdat het dier gaandeweg onbetaalbaar werd door zijn natuurlijke behoefte aan schaduw en water (varkens hebben geen zweetklieren) daalde zijn populariteit. Het had, anders dan schapen, geiten en runderen, niets anders nuttigs te leveren dan zijn vlees, en werd daarom uitgestoten vanwege zijn schadelijkheid voor de schaarse hulpbronnen van de mens. Ten slotte, omdat het hier en daar toch nog gefokt werd, kwam het varken terecht als treif (onrein) in de spijswetten van het bijbelboek Leviticus, 450 voor Christus.

In het latere verspreidingsgebied van de islam, met alleen een expliciet taboe op varkensvlees, zag Harris een bevestiging van zijn theorie: bekeringen vonden vooral plaats in droge of woestijnachtige gebieden, waar toch al geen varkens gehouden werden. Bijna niemand hoefde zijn primaire middelen van bestaan en voorkeursvoedsel ingrijpend aan te passen om moslim te worden. Harris concludeerde dat sommige grote godsdiensten het agrarische evenwicht en het economische welzijn van de lokale bevolking bevorderden - door middel van verstandige voedseltaboes. Ook de heilige koe in India heeft een ecologische achtergrond. Het varken, hoe smakelijk ook, moest het Midden-Oosten uit om ecologisch onheil te voorkomen.

Het is in dit opzicht jammer dat de joods-islamitische traditie nog te weinig spankracht heeft om ons straks de berg van zestig miljoen kilo varkensuitwerpselen te besparen. Christelijk rentmeesterschap is helaas een vleugellam ecologisch concept gebleken. Misschien is het de wraak van de Polynesische varkensgod Kamapua om uitgerekend Nederland met een lawine van varkensdrek te overspoelen?

IN CAFÉ ’T VEERHUIS in Aijen is iedereen voorzien van appel-, kersen- of pruimenvlaai als Jan Gerretsen van het kerkbestuur opstaat om de opbrengst van de Köpkesmert openbaar te maken. Die is, ondanks alweer een tegenvallende opkomst, nog hoger dan vorig jaar: maar liefst 2777 euro kan vandaag bij de onderhoudspot van de Antoniuskapel worden gestort. Na het applaus aangehoord te hebben haast Gerretsen zich met het rode plastic krat naar de nonnen in Tegelen, waarschijnlijk de laatste inwoners van Nederland die blij zullen zijn met een schenking van zes varkenskoppen.